'Je kunt een student niet zomaar meer alles voorschotelen'

Body: 
Het Onderwijs Meester 7



De zevende conferentie Het Onderwijs Meester - terverbetering van de onderwijskwaliteit aan de UU - wordt dit jaargehouden op 26 februari.

Nadat in deze serie de voorzitter en een studentlid van deorganiserende Adviescommissie Kwaliteit Onderwijs, én de viergenomineerde docenten voor de Docentprijs met hun studenten aan hetwoord zijn geweest, kunnen in deze laatste aflevering 'zomaar' eendocent en 'zomaar' een student hun licht laten schijnen over hetuniversitaire onderwijs: de historicus Gerard Trienekens en denatuur- en sterrenkundige Peter van Glabbeek.


"De docent is de professional", vindt dr. GerardTrienekens, docent-onderzoeker sociaal-economische geschiedenis."Als je het hebt over onderwijskwaliteit, dan moet de docent eenspilfunctie vervullen. Van studenten kun je wat dat aangaat nietmeer verwachten dan een zekere bereidheid om mee te werken aan datoverdrachtsproces van kennis, vaardigheden en inzicht."

'Binding en betrokkenheid' luidt het thema van de conferentieHet Onderwijs Meester van dit jaar. Zonder wederzijdsebetrokkenheid bij het onderwijs kun je het wel schudden, is deachterliggende gedachte. Als docenten hun collegesongeïnspireerd afraffelen en studenten het allemaal lusteloosachterover geleund aanhoren, dan halen beleidsnotities overonderwijskwaliteit ook weinig meer uit.

Trienekens nuanceert het beeld van een even grote inbreng vanstudenten en docenten in het onderwijsproces. Natuurlijk mag je vanstudenten 'betrokkenheid' verwachten, "maar je kunt geen al te hogeeisen stellen aan hun kennis en inzicht. Dat is juist het doel vanje onderwijs: dat ze wat dat betreft beter toegerust de deuruitgaan dan ze zijn binnengekomen. Als je hoge eisen stelt, dan aande docenten!"

Een goede docent moet volgens Trienekens op de eerste plaats destof beheersen, "maar ik kan je verzekeren dat het in de regeldaarmee goed gesteld is", voegt hij er gauw aan toe. "Aan kennisontbreekt het hen doorgaans niet, waarbij ik wel nog eens het oudepleidooi zou willen houden voor die koppeling van onderwijs enonderzoek. Het is van groot didactisch belang als een docent inzijn colleges kan putten uit zijn eigen onderzoekspraktijk.Voorbeelden die je in je lessen geeft die zijnontleend aan je eigenonderzoek, spreken veel meer tot de verbeelding."

Voorts moet een docent dicht bij zijn studenten staan entoegankelijk zijn, vindt de historicus. "Vergeef me het woord, maarals je als een autoritaire kloot voor zo'n groep gaat staan, dankun je nog zo intelligent zijn, maar dan redt je het niet. Als jegewoon doet, gewoon praat, tijd voor ze hebt, dan komen studentenook vlotter naar je toe. Bij evaluaties blijkt dat ook steeds weer:het pakt goed uit als je toegankelijk bent."

Evaluaties is een derde punt waar Trienekens aan hecht: "Je moetalert zijn op je eigen fouten, je moet willen evalueren: is de stofovergekomen, zijn de doelstellingen bereikt? Als er dertig procentof méér zakt voor een tentamen, dan moet er een lichtjegaan branden want dan klopt er iets niet. Natuurlijk, er is altijdeen kleine groep die het niet kan of de tijd niet gehad heeft, maarbij zó'n zakpercentage moet je in je wijze van doceren ietsgaan veranderen, of de cursus gaan bijstellen, een ander handboeknemen... Dat wil niet zeggen dat je het gemakkelijker moet maken ofmet de normen moet gaan rommelen, maar er moet wél ietsgebeuren. Sowieso spreek ik iedere nieuwe cursus eerst graagkritisch door met collega's: 'Is het voor jullie helder wat ikwil'?"

Structurering

Ook tweedejaars 'combi'-student Natuur- en Sterrenkunde Petervan Glabbeek is van mening dat je als student niet zo gek veelinvloed hebt op het onderwijsproces. "Je moet wel actief meedoen enje geïnteresseerd opstellen, maar als je met een groep vanhonderd mensen in een zaal zit is dat wel eens lastig. Hetgeroezemoes is niet van de lucht - zeker als je van 9 tot 1 uurachter elkaar colleges hebt; zelfs de docent kan daar dan weinigtegen uitrichten als hij tenminste niet permanent de politieagentwil spelen."

Van Glabbeek hecht vooral aan een goede structurering van destof door de docent: "Ideaal is een combinatie van een hoorcollegewaarin je wegwijs wordt gemaakt in het handboek, afgewisseld meteen werkcollege of practicum waarin je dieper op de stof kuntingaan. Vooral wanneer studenten elkaar de stof kunnen uitleggen;als dat lukt dan snap je zelf ook goed hoe het zit."

De afwisseling hoorcollege - werkcollege vindt Van Glabbeek eengoede. Het hoorcollege hoeft wat hem betreft niet afgeschaft teworden. "Maar een docent die zo'n hoorcollege geeft - liefst alsgoed verteller en op een fijne toon - moet dat boek dan ook volgen.Ik heb wel eens colleges gehad van een docent die niets hadvoorbereid, die ter plekke zijn ingevingen ging uitwerken en die inde laatste tien minuten de eigenlijke handboekstof er ook nog evendoorheen wilde rammen. Na vijfweken zat er nog maar een handjevolstudenten bij hem op college."

Volgens Van Glabbeek zijn studenten dan ook zeer kritisch op hunonderwijs: als het niet bevalt, blijven ze weg. "Veel docenten doenwel hun best, maar dat leidt niet altijd tot het gewensteresultaat. Ze blijven toch vaak hangen in hun eigen stijl vanlesgeven, óók als bij evaluaties is gebleken datbijvoorbeeld de dictaten ronduit slecht zijn, de structuur van eencollege niet klopt of de presentatie ronduit saai is. Ik heb zelfde neiging om ook slechte colleges te blijven volgen, omdat ik altijdens mijn middelbare school gemerkt heb dat ik het meeste opneemals ik aantekeningen kan maken, maar veel studenten die het nietbevalt maken helemaal geen aantekeningen of blijven zelfs weg vanzo'n college. Na vijf weken merk je al aan de opkomst of een docentfijn lesgeeft of niet."

Asterix

Trienekens is zeer te spreken over die kritische instelling vanstudenten. "De motivatie onder studenten is in die dertig jaar datik hier nu werk eerder beter dan slechter geworden. Akkoord, zehebben minder kennis dan vroeger, hun taalvaardigheid is somsronduit beroerd en ook hun feitenkennis van het vak benedenmaats.Laatst stelde een geschiedenisstudent zelfs serieus de vraag:'Romeinen, wat zijn dat eigenlijk?' Waarop een collegastudent hemals antwoord gaf: 'Dat zijn die types die in Asterix en Obelixaltijd op hun kop krijgen'. Dan zak ik dus even door de grond.

"Maar daar staat tegenover dat hun bereidheid om actief mee tedoen veel beter is dan vroeger. Ze zijn assertiever, durvenkritische vragen te stellen, ze zijn bereid zich in te zetten. Enze zijn heel toekomstgericht. Je kunt een student niet zomaar meeralles voorschotelen, ook al omdat ze moeten woekeren met hun tijd.Ze willen weten wat ze eraan hebben, wat ze ermee kunnen, of hetpast binnen hun plannen. Ik vind dat positief."

Als goed onderwijs al een kwestie is van de juiste interactietussen docent en student, kan de universiteit als instelling dannog iets betekenen waar het de onderwijskwaliteit betreft?Trienekens meent van wel: "Zoiets als die basiskwalificatie, datvind ik heel zinnig. Gooi die jonge mensen die voor een werkgroepmoeten staan niet in het diepe, maar rust ze toe voor dieonderwijstaak. Maar het moet niet bij een eenmalig cursusjeblijven. De basiskwalificatie behoeft een follow-up. Je moetvoortdurend alert blijven.

"Ten behoeve daarvan zou de universiteit een integraal systeemvan kwaliteitszorg moeten ontwikkelen. Ik vind dat het daaraan nogontbreekt. Op alle belangrijke fronten moet de boel afgedektworden: je kunt evaluatiesystemen,klachtenregistraties,functioneringsgesprekken, docenttrainingen,cursuscertificeringen en studievoortgangsrapportages niet overlatenaan het particuliere initiatief, dat moet van bovenaf geregeldzijn. Anders is het hap-snap. En anders heb je geen middelen om ookecht consequenties te trekken uit je evaluaties. Er zijn nog zathoogleraren die per se hoorcolleges willen geven maar die geen tweewoorden achter elkaar kunnen zetten. Momenteel is er tegen zo'n manof vrouw niets te ondernemen. Dat deugt toch niet?"

Armand Heijnen