Nederland na Tweede Wereldoorlog alles behalve gastvrij

Body: 
Het Nederlandse toelatingsbeleid voor vluchtelingenwas vlak na de Tweede Wereldoorlog hard. Slechts alleenstaanden diekonden werken waren welkom; mits zij niet de Duitse nationaliteithadden, fout waren geweest in de oorlog of communist waren. Nakritiek van koningin Juliana wordt het beleid humaner, schrijft deUtrechtse promovenda Corrie Berghuis. In haar proefschrift valt telezen dat het beleid zich in de jaren '45-'56 kenmerkt doorinconsequenties als gevolg van een onophoudelijke strijd tussenhoofd en hart. "Eigenlijk was het toelatingsbeleid toen ook al eenadhoc-beleid."

Historica Corrie Berghuis (48) promoveert vrijdag 1 oktober aande Universiteit Utrecht op haar onderzoek naar het Nederlandsetoelatingsbeleid van vluchtelingen en displaced persons tussen 1945en 1956. Een vergeten periode, schrijft ze, waar nauwelijksliteratuur over bestaat. "Voor velen begint de na-oologse tijd in1956 als het Vluchtelingenverdrag in het parlement geratificeerdis."

Voor haar proefschrift - vervat in het boek 'Geheel ontdaan vanonbaatzuchtigheid. Het Nederlandse toelatingsbeleid voorvluchtelingen en displaced persons van 1945 tot 1956' - heeft zevijftien meter aan dossiers doorgenomen. De conclusie die ze na hetbestuderen van deze documenten trekt, is niet eenduidig. Hettoelatingsbeleid voor vluchtelingen, zo zegt zij, is tweeslachtig.Afhankelijk van de tijd wordt de strijd tussen hoofd en hart datachter de schermen van de betrokken beleidmakers wordt gevoerdanders beslecht.

Volgens Berghuis werd de strijd tussen hoofd en hart het meestgevoeld bij het ministerie van Justitie, hoewel juist ditministerie formeel gezien een harde opstelling heeft. "Het geschoktzijn door een mogelijke vervolging bij terugkeer doet Justitie somsbeslissen mensen toe te laten, terwijl ambtenaren constateren datzij eigenlijk geen vluchtelingen, maar (economische) migrantenzijn." Het officiële gedrag van Buitenlandse Zaken ismenselijk, maar intern wordt vaak "baatzuchtig en hard geredeneerden wordt men regelmatig geobsedeerd door angst voor communisten."Sociale Zaken is eerlijker. In dit ministerie wordt de houdinggedomineerd door sociale en economische omstandigheden. "Eenbelangeloosheid, voortkomende uit een bovenaardse menselijkeredenering is bij dit ministerie vaak ver te zoeken."

In het boek geeft Berghuis voldoende voorbeelden die hetinconsequente beleid illustreren. Ze blijft zakelijk daar waar demeeste lezers de voorbeelden met stijgende verontwaardiging enplaatsvervangendeschaamte tot zich nemen. Zo wordt Nederland vlakna de Tweede Wereldoorlog geconfronteerd met de vele Duitsers dienog in het land aanwezig zijn. Het beleid is om alle Duitsers teinterneren, ook de Duitse joden die voor het uitbreken van deoorlog naar Nederland zijn gekomen. Het gaat om een groep, schrijftBerghuis, van vijf- à zesduizend mensen en ze zijn deoverlevenden van de ongeveer vijftien- à zestienduizend joodsevluchtelingen die in mei 1940 in Nederland aanwezig waren. Denaziwet heeft hen statenloos gemaakt. Het Militair Gezag, datgedurende de bijzondere staat van beleg Nederland bestuurt tot deregering in juni 1945 uit Londen terugkeert, beschouwt hen ook alszodanig en sluit hen uit voor internering. Het ministerie vanJustitie zegt echter dat ze Duits zijn en dus het kamp in moeten.Door de onduidelijkheid worden vele Duitse joden geïnterneerd.Het Militair Gezag, dat zich humaan toont, is niet gelukkig met deharde houding van Justitie. Uiteindelijk wordt consensus bereikt enmogen de Duitse joden in Nederland blijven of naar Nederlandterugkeren.

Bejaarden

Als ander voorbeeld diept Berghuis twee overheidsbesluiten opuit de dossiers die typerend zijn voor het inconsequentetoelatingsbeleid van Nederland. In januari 1946 wordt door de UnionMondiale des Etudiants juifs een verzoek ingediend om twaalf joodsestudenten die in Duitse kampen zitten, tijdelijk tot Nederland toete laten om hen de mogelijkheid te bieden hun studie af te maken.De ministers Buitenlandse Zaken en Justitie houden zich bezig methet verzoek en zijn het met elkaar eens dat de studenten nietwelkom zijn, omdat ze van Duitse, Baltische, Hongaarse en Poolseafkomst zijn. Niet alleen Duitsers (ook al zijn ze joods) maar ookmensen uit landen die vallen onder de Sovjet-Russischeinvloedssfeer zijn door de beginnende Koude Oorlog niet welkom.Angst voor kritiek is er niet bij de ministers. Tenslotte is dealgemene situatie in Nederland slecht, zo redeneren zij, waardoorafwijzing gerechtvaardigd lijkt. Als in het najaar de minister vanEconomische Zaken 100 à 200 Duitse technische enwetenschappelijke experts wil laten overkomen met hun gezinnen,stemt de ministerraad hiermee in. Economische redenen geven hier dedoorslag.

Door de opstelling van de verschillende Europese landen omslechts ongehuwden die in hun eigen levensonderhoud kunnenvoorzien, toe te laten, blijven bejaarden, gehandicapten enongehuwde moeders achter in de Duitse vluchtelingenkampen. Opaandringen van de in 1946 opgerichte InternationaleVluchtelingenorganisatie (IRO) neemt Nederland dertigintellectuelen op voor wie een particulier garant staat. Deministerraad geeft te kennen wel meer van deze hardcorevluchtelingen op te willennemen, maar de minister president istegen. Woningnood, bevolkingsdichtheid en economische moeilijkhedenstaan dat volgens hem niet toe. Slechts enkele gehandicapten die narevalidatie weer aan de slag kunnen en ouderen voor wie de kerkgarant staat, worden toegelaten.

Wie zich mateloos ergert aan deze Nederlandse opstelling, iskoningin Juliana. Zij bekritiseert impliciet dit arbeidsmarktbeleidvan de Nederlandse regering in een brief aan President Truman vande Verenigde Staten. De regering, met name het ministerie vanJustitie, blijkt gevoelig voor de kritiek. Er mogen tussen dehonderd en tweehonderd hardcore vluchtelingen naar Nederlandkomen.

Veiligheidsverhoor

Ondertussen komt een naoorlogse vluchtelingenstroom op gang.Oost-Europeanen slaan op de vlucht voor het communisme. HetNederlandse beleid is dat illegale vluchtelingen het land wordenuitgezet. Een toelatingsgrond geformuleerd door het Ministerie vanJustitie (het toelaten van Oost-Europeanen die voor hun levenvrezen door hun anti-communistische instelling), wordt tot 1949niet gebruikt uit angst voor Russische repressailles. In 1948 wordthier een uitzondering op gemaakt. In dat jaar pleegt de Sovjet-Unieeen staatsgreep op Tjechoslowakije. "Als eerste opwelling vanbarmhartigheid besluit justitie honderd Tsjechische studenten toete laten", schrijft Berghuis.

Er is hier, zegt zij, voor het eerst sprake van politiekevluchtelingen. Doordat het vluchtelingenprobleem niet zoals na deTweede Wereldoorlog werd gedacht, oplosbaar is maar ééndat zich voortzet, gaat de IRO op in de nieuwe internationalevluchtelingenorganisatie UNHCR en komt er een nieuwe definitie voorvluchteling. "Degenen die uit gegronde vrees voor vervolging wegensras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaaldesociale groep of politieke overtuiging zijn gevlucht en niet willenof kunnen terugkeren." Voor deze vluchtelingen wordt hetonderzoekscentrum De Rozenhof opgericht waar zij onderworpen wordenaan veiligheidsverhoren. Nederland is bang dat onder devluchtelingen Russische spionnen zitten. In het centrum worden depolitieke vluchtelingen van de niet-politieke vluchtelingengescheiden.

Het verruimen van de toelatingsgronden leidt niet tot eentoename van het opnemen van vluchtelingen. Nog steeds vormen dearbeidsmarkt en particuliere inititatieven het beleid. Het aantalhardcore vluchtelingen dat geen nieuw thuisland vindt, is nogsteeds groot. Opnieuw uit koningin Juliana kritiek met als gevolgdat een groep van deze vluchtelingen naar Nederland mag komen.Bovendien geeft Nederland in1954 als lid van de Raad van Europamiljoenen aan de UNHCR voor de verzorging van de achterblijvendevluchtelingen. De gedachte hierachter is dat de druk op deNederlandse grenzen hierdoor zal afnemen.

Zorgstaat

Al met al laat Nederland zich niet van haar meest humane kantzien. Berghuis nuanceert de harde opstelling van de overheid:"Nederland was failliet, ontredderd en gebroken." Ook de argumentendie de overheid gebruikt als woningnood, bevolkingsoverschot, dekomst van Indonesiërs en Ambonezen zijn begrijpelijk.Berghuis: "Het proefschrift is geen egodocument. Nederland wasnatuurlijk ook herstellende van de oorlog. Ik zoek verklaringenvoor het gedrag. Dat wil niet zeggen dat het een goedkeurende ofpersoonlijke verklaring is. Maar ik moet zeggen dat na 2,5 jaar ikhet soms ook een beetje te doen had met de toenmalige ministers enambtenaren. Na zo'n lange periode van onderzoek ga je je tochenigszins vereenzelvigen met de stof. En ik zag dat Greveling vanJustitie ook af en toe echt zijn best deed voor de vluchtelingen.Dat vind ik wel heel erg charmant. Ik zie Justitie bijvoorbeeld ookniet als blok, maar als een verzameling mensen."

Kijkend van de geschiedenis naar het huidige asielbeleid kanBerghuis niet anders dan concluderen dat het beleid toen ad hoc wasen nu nog. "Nu laat de regering zich ook door emoties lijden. Kijkmaar naar Kosovo." Nu, zegt Berghuis, zijn echter wel deomstandigheden veranderd. "Nederland is een zorgstaat geworden. Datheeft ook gevolgen voor vluchtelingen. Die hoeven nu niet voor huneigen inkomen te zorgen. In vergelijking met vroeger is Nederlandop dit punt een paradijs. Een andere verbetering is dat veelinstanties klaar staan voor de opvang van vluchtelingen." MaarBerghuis weet ook een punt waarin het vroeger misschien wel beterwas dan nu. "In kamp Rozenhof was het haast ondenkbaar dat eenvluchteling daar een half jaar moest zitten. Nu is het normaal datvluchtelingen twee tot drie jaar moeten wachten tot ze eventueelasiel krijgen."

Gwenda Knobel