Oratie over de komst van de schoolarts

Body: 
"Onanie, nagelbijten, diefachtigheid, leugenachtigheid, geregeldbevuilen, wroeten in den neus, vermaak in zinspelingen op seksueelgebied en omgang met slechte vrienden." Ziedaar een rijtjeondeugden die onderwijzers aan Utrechtse, openbare lagere scholenin 1905 opsomden naar aanleiding van een onderzoek onder hun 5000leerlingen. Zo'n anderhalf procent was behept met die slechtegewoonten, en ruim vijf procent was er fysiek slecht aan toe: ofwelbijziend, ofwel met huid- en haarziekten belast, zoals hoofdluis ofhet naar muizen ruikende, korstige en besmettelijk 'hoofdzeer'. Nogeens één procent was achterlijk - in de letterlijkebetekenis van dat woord: kon niet zo goed meekomen, hetzij omdat zewat minder begenadigd waren met intelligentie, hetzij omdat zeleden onder drankzuchtige ouders of werk buiten schooltijd. "Erzijn schoolartsen nodig", riepen die onderwijzers, en toen er in1907 vijf parttimers werden aangesteld, constateerden die alras bij28 procent van de kleuter- en lagere schooljeugd lichamelijkeaandoeningen.

Prof.dr. Piet 't Hart heeft deze geschiedenis beschreven in zijnoratie, waarmee hij op 1 februari het ambt aanvaardde van bijzonderhoogleraar Utrecht Studies. De stoel is bedoeld om hetinterdisciplinaire onderzoek naar en het onderwijs te stimuleren inonderwerpen die stad en provincie Utrecht betreffen. 't Hart is deeerste bekleder van de leerstoel.

Met het benoemen van schoolartsen in 1907 kwam een einde aan eenal sedert 1850 gehouden pleidooi voor betere hygiënischeomstandigheden op scholen. Met name de socialisten (de SDAP) haddenzich er sterk voor gemaakt. Nadat de schoolarts eerst zijn entreehad gemaakt op openbare scholen, volgden de confessionelen spoedig.Tegenwerking was er die halve eeuw geweest omdat "men de zorg vanhet kind te veel verplaatst (achtte) uit het huisgezin naar deschool" en omdat men botsingen tussen de artsen en de onderwijzersvreesde: wie bepaalde er immers welk kind op de eerste rij hoordete zitten? De arts (vanwege bijziend- of slechthorendheid) of demeester? Niettemin bleef, toen het eenmaal zo ver was, tegenwerkinguit.

De schoolartsen speelden vervolgens een rol in hetbeschavingsoffensief, constateert 't Hart. Van een verbetering vanhet heil der kinderen in scholen kon immers ook de gehelemaatschappij haar vruchten plukken. Iedereen vond het dan ooknormaal dat het hier om een verzorgingsarrangement van de overheidging, dat niet overgelaten kon worden aan het particulierinitiatief.

AH