Sterrenkunde in de 18e eeuw: de komst van 'den schrikkelyken comeet'

Body: 
'En daar sullen tekenen geschieden aan de sonne enmaan en sterren; en op aerden zal den lieden bange zyn, en zyzullen zeer beangst worden: en de zee en de watergolven sullenbruischen. En de menschen sullen smagten van vreese en vanverwagtinge der dingen, die komen sullen op aerden: want ook dekragten der hemelen sullen haar bewegen.' (Lucas 21)

Sterrenkunde in de 18e eeuw: de komst van 'den schrikkelykencomeet'

Aldus het krachtige bijbelcitaat dat eind 1755 door deLeeuwarder predikant Johan Georg Muller als motto werd meegegevenaan een brochure met de ook al niet erg opgewekte titel'Voor-tekenen van de nabyheit van het vergaan der wereld en van denjongsten dag'. Het waren spannende tijden in de Republiek en verdaarbuiten, want al enige tijd wachtten de burgers van Europagespannen op de door Edmund Halley voorspelde terugkeer van dekomeet, die eerder al in 1531, 1607 en 1682 aan het firmament tezien was geweest. En nu had zich tot overmaat van ramp op 1november 1755 ook nog eens een zo krachtige aardbeving inZuid-Europa voltrokken dat niet alleen heel Lissabon was verwoest,maar dat zelfs in de haven van Amsterdam de schepen bij windstilweer lagen te slingeren alsof er een hevige storm woedde.

Vanaf de preekstoel grepen talloze dominees de gelegenheid aanom hun gehoor angst aan te jagen door de 'zeldsame aard- enwaterschuddinge' in verband te brengen met de nadering van 'denschrikkelyken comeet' en in de kranten circuleerden berichten datdeze zonder de goddelijke Voorzienigheid wel eens zo dicht langs deaarde zou kunnen razen dat die hevig geschokt en in brand zouworden gezet. Had Halley zelf niet geopperd dat de bijbelsezondvloed wel eens kon zijn veroorzaakt door de botsing van deaarde met een komeet?

De met veel gevoel voor details verlevendigde tekening van desfeer in ons land ten tijde van de passage van de komeet van Halleyis te vinden in het proefschrift 'Van konstgenoten en hemelsefenomenen' waarop Huib Zuidervaart maandag 11 oktober in Utrechtpromoveert. De docent aan een scholengemeenschap in Middelburg, dieal eerder over de prille begintijd van de sterrenkunde publiceerde,vertelt in zijn lijvige studie het fascinerende verhaal van eengroot aantal Nederlandse amateur-sterrenkundigen, die met veelgeduld hun waarnemingen verrichtten en tot veel interessanterobservaties kwamen dan tot nu toe altijd was aangenomen.

Een voorname reden voor het negatieve oordeel vannegentiende-eeuwse historici over de achttiende-eeuwse sterrenkundewas dat het vak in de achttiende eeuw uitsluitend buiten deuniversiteiten werd beoefend in particuliere genootschappen. Datgebeurde overigens vooral op aandringen van de universiteiten zelfdie zich - heel anders dan tegenwoordig - allereerst alsonderwijsinstellingen beschouwden. Het verwerven van nieuwe kennisen het verspreiden daarvan was geen universitaire taak, was dealgemene opvatting. In 1760 maakte de Leidse universiteitaanvankelijk zelfs bezwaar tegen een officiële erkenning vande Hollandse Maatschappij der Wetenschappen, omdat men vreesde datdat genootschap zich ook met onderwijs zou gaan bezig houden. Pastoen vaststond dat de Maatschappij zich zou beperken tot onderzoekliet Leiden zijn bezwaren varen.

Het waren dus vooral liefhebbers die de hemel in de achttiendeeeuw bestudeerden en Zuidervaart beschrijft hun activiteit aan dehand van twee uitgebreide case-studies, naar het onderzoek naar deloopbaan van kometen en naar de afstandsbepaling in het heelal.Zijn conclusie is dat de beoefening van de sterrenkunde weliswaarwerd gestimuleerd door theologische motieven, maar dat vooralnieuwsgierigheid en status drijfveren waren voor de doorgaansgoedopgeleide liefhebbers voor hun werk.

Aan het eind van de achttiende eeuw begint de sfeer in ons landte veranderen en begint ook het sterrenkundig onderzoek vaste voette krijgen aan de universiteiten. Maar nog lang blijven'dilettanten' een belangrijke rol spelen, een rol die In Utrechthet best wordt geïllustreerd aan de vooraanstande positie diede sterrenwacht ook nu nog innenemt. Het was met name de eerstedirecteur van het Utrechts sterrenkundig laboratorium Gerrit Moll,die na zijn aanstelling als hoogleraar, de samenwerking tussenuniversitaire onderzoekers en niet-universitaire waarnemersbevorderde.

Dat bleek nog eens nadrukkelijk in 1832, toen Moll ineendrachtige samenwerking met een zekere Van Beek de waarneming vande passage van Mercurius waarnam. Zowel in het universitaireobservatorium als in het huis van Van Beek werden waarnemingenverricht. Moll zorgde er zelfs voor dat een draagbare chronometerop het laboratorium werd geijkt, en daarna naar het huis van VanBeek werd gebracht. Zo was zeker dat de twee sets data goed metelkaar konden worden vergeleken.