Het gevaarlijke afval van OBP'er Van der Schilt

Body: 

De universiteit bestaat 375 jaar en staat daarom bij vele zaken stil. DUB maakt een serie portretten van het ondersteunend en beheerspersoneel (OBP). Wie zijn de mensen die ’s ochtends de deuren opendoen en overdag de boel draaiende houden? Hoe zien zij zichzelf en hoe kijken zij naar de universiteit? Vandaag deel 2 van DUB’s OBP-galerij: chemisch vakman en chauffeur Marnix van der Schilt (54).

De universiteit bestaat 375 jaar en staat daarom bij vele zaken stil. DUB maakt een serie portretten van het ondersteunend en beheerspersoneel (OBP). Wie zijn de mensen die ’s ochtends de deuren opendoen en overdag de boel draaiende houden? Hoe zien zij zichzelf en hoe kijken zij naar de universiteit? Vandaag deel 2 van DUB’s OBP-galerij: chemisch vakman en chauffeur Marnix van der Schilt (54).

“Doodshoofden, vlammen: ik plak veel stickers om afval te rubriceren. Ik zamel alle gevaarlijke chemische en radioactieve stoffen van de universiteit en het UMC in en breng het naar het depot in Lage Weide. Ik ben dus eigenlijk een soort chemisch-afvalboer.

“Toen ik net begon, dertig jaar geleden, stond ik onder leiding van een chemicus, die mij de nodige vrijheid gaf om mijn functie zelf vorm te geven. Daarom past de baan zo goed bij mij. Ik kan mijzelf zijn, hoef niet op mijn woorden te letten, en ben veel alleen buiten in allerlei weersomstandigheden. Het is relatief eenvoudig werk, maar het moet wel met deskundigheid uitgevoerd worden. Je moet je aan de procedures houden, je kan natuurlijk niet met een enorme kater al dat chemische spul gaan vervoeren.”

Hogerop

“Ik had al gauw gezien dat ik hier op de universiteit niet snel een serieuze functie zou willen. Je kunt hier flink je best doen, toch zal er niet zo gauw iemand zeggen ‘dat is een goeie, die moet hogerop’. Voor mij is dat een voordeel, zo kan ik in deze functie blijven. Bij een commercieel bedrijf zouden ze dan al snel zeggen dat je niet het onderste uit de kan haalt.

“Onderdeel van de universitaire gemeenschap? Niet echt. Ik ben als uitzendkracht begonnen, en ik voel me eigenlijk nog een beetje zo. Voor een bedrag per maand lever ik een 40-urig arbeidsproduct. Maar ik moet zeggen dit is een prachtige omgeving om in te vertoeven - ik snuffel graag door de boeken in bibliotheek, en dan al die meiden hier in De Uithof…. Maar onderdeel van de universiteit, nee. Het lustrum doet me daarom ook weinig. Het is leuk dat ze het vieren hoor, maar ik wordt al chagrijnig bij de gedachte aan het verschijnsel feest. Ik vier mijn eigen verjaardag niet eens. Maar feest is al een oud verschijnsel, dus het zal wel nodig zijn. Wie ben ik om daar aan te twijfelen?”

Het offer

“Hoe erg we ook verschillen, met de meeste mensen hier bij het voormalige FBU heb ik wel een raakvlak. Het Facilitair Service Centrum (FSC) voelt nog niet zo vertrouwd. Ik schreef voor het personeelsblad van het FBU, en omschreef hoe ik de overgang beleefde: het voelde alsof wij met zijn allen als vogels over de rand van het nest van het FBU geduwd werden, en terecht kwamen in de nieuwe volière van het FSC. De nieuwe bedrijfskleding is voor mij wel een achteruitgang, maar dat offer lever ik graag voor de eenheid. De slinger gaat nu weer van decentraal naar centraal. Dat levert ook ergernissen op, als alles centraal georganiseerd is. Zo is er een klok hier in De Uithof – ik zal niet zeggen waar– die na het ingaan van de zomer- of wintertijd nog weken op de oude tijd blijft staan. Dan ga ik er langs en zet hem zelf maar goed!

“Ik heb doelbewust gekozen voor een functie buiten het establishment. Ik zit, denk ik, niet noodgedwongen op dit niveau, jaag ook geen carrière na. Met een modaal inkomen ben ik tevreden. Iedereen streeft altijd naar meer, dat snap ik niet. Als je ziet wat voor een welvaartsniveau we hier hebben, dan kan je toch niet ontevreden zijn? Net als de manier waarop de maatschappij omgaat met het milieu, dat is toch om je dood voor te schamen? Het is een roofbouwmentaliteit ten opzichte van andere werelddelen. Gelukkig zit ik in het afval, daar komen niet zo veel geldbeluste ratten op af.”

Thijs Kuipers en Hans Schouwenburg

Facebook Twitter Whatsapp Mail