Foto Pixabay

Promovendus oordeelt: ‘Examenregels worden vaak te rigide toegepast’

Body: 

Er moet een centraal register komen waarin de uitspraken van Colleges van Beroep voor de Examens worden verzameld. Dit kan studenten helpen als ze bezwaar willen maken tegen een beslissing van de examencommissie. Ook de oordelende instanties kunnen zo van elkaars uitspraken leren. “Soms moet je met je hand over je hart strijken.”

Juridisch correct examineren heet het proefschrift dat Henk van Berkel (71) komende maand aan Tilburg University gaat verdedigen. Het is zijn tweede proefschrift. In de jaren 80 promoveerde hij al in de onderwijspsychologie. Wat hij voor deze dissertatie heeft gedaan, is het onderwijskundige met het juridische combineren om tot goede, rechtvaardige toetsing te komen.

Voor zijn onderzoek heeft hij gekeken naar uitspraken van examencommissies van opleidingen waar studenten naar toe kunnen stappen als ze het niet eens zijn met een oordeel of beslissing van hun docent. Ook bestudeerde hij uitspraken van het College van Beroep voor de Examens (CBE) van onderwijsinstellingen waar studenten aan de bel kunnen trekken als ze het oneens zijn met de uitspraak van een examencommissie. Tenslotte keek hij naar de oordelen van de landelijke ‘onderwijsrechtbank’ CBHO. Hier kunnen studenten aankloppen als ze de uitspraak van het CBE onrechtvaardig vinden.

De CBE’s zitten er te vaak naast

Van Berkel rekende uit dat studenten ongeveer drie op de tien zaken bij deze onderwijsrechtbank winnen. “Dat is een behoorlijke terechtwijzing”, vindt Van Berkel. “De CBE’s zitten er te vaak naast. Studenten zouden veel meer in beroep moeten gaan, als je dit ziet. Maar ja, dat kost veel tijd en moeite.”

CBE’s blijken niet erg reflectief. Van Berkel stuitte op allemaal dichte deuren tijdens zijn onderzoek, met name in het hbo. De uitspraken van CBE’s worden niet centraal geregistreerd en vooral bij hogescholen zijn ze meestal niet openbaar toegankelijk. De leden lezen elkaars uitspraken dus ook niet. “Waarom zouden we, vroegen ze me soms.”

Zelfs als hij erom vroeg, wilden lang niet alle CBE’s hun uitspraken delen – ook niet ten behoeve van een proefschrift. “Eén CBE is aan het college van bestuur gaan vragen of buitenstaanders de uitspraken mochten lezen!”, schampert Van Berkel. “Dat klinkt alsof een gerechtshof bij de Provinciale Staten toestemming gaat vragen om zijn uitspraken wereldkundig te maken. CBE’s zouden zich beter moeten realiseren wat onafhankelijkheid betekent.”

Meestal willen studenten een second opinion

In zijn proefschrift trekt hij een paar conclusies. Studenten gaan met de verkeerde verwachtingen in beroep, de beroepsinstanties zouden vaker hun hart moeten laten spreken en CBE’s zouden beter op de hoogte moeten zijn van elkaars oordelen.

Die verwachtingen van studenten? “Meestal willen ze gewoon een second opinion”, zegt Van Berkel. “Daarom moet je altijd serieus in gesprek gaan met een student, want die meent kennelijk dat er niet goed is geoordeeld.” Niet voor niets zijn examencommissies verplicht om een poging tot een ‘minnelijke schikking’ te doen, oftewel te zoeken naar een compromis.

Maar examencommissies, CBE’s en het CBHO kijken vooral naar de regels, niet naar de inhoud, zegt Van Berkel. Ze verliezen al snel uit het oog dat studenten geen geroutineerde pleiters zijn en dat zo’n procedure niet makkelijk voor hen is.

De uitspraak klopt juridisch wel, maar hij deugt niet.

Wat hij tegenkwam, heeft hem soms geschokt. Zo was er een student met kanker die één punt tekortkwam voor zijn bindend studieadvies: hij had er 59 van de 60. Acht herkansingen later had hij dat ene punt nog niet behaald. Hij werd weggestuurd. Zelfs bij onderwijsrechtbank CBHO ving hij bot. “De uitspraak klopt juridisch wel, maar hij deugt niet. Je moet soms durven vragen waarom een bepaalde regel eigenlijk bestaat en dan kijken of dat doel wordt bereikt.”

Een andere zaak ging over een student die tijdens een tentamen na ruim een uur naar de wc moest. De surveillant liep mee. Bij terugkomst kreeg hij een ‘aantekening’ en later die dag werd hem medegedeeld dat zijn toets niet zou worden nagekeken: volgens de regels mocht hij pas na 90 minuten naar het toilet. Maar hij was daar niet voor gewaarschuwd en ging in beroep. Bij het CBE kreeg hij ongelijk.

Een laatste voorbeeld: een tweedejaars student werkte vooruit en volgde alvast een vak uit het derde studiejaar, waarvan de toets samenviel met een toets uit zijn reguliere lesprogramma. Voor dat derdejaarsvak wilde hij daarom meedoen aan de herkansing, maar dat mocht niet. “Herkansingen waren er alleen voor studenten die hadden meegedaan aan de eerste poging”, zegt Van Berkel. “Die regel is ervoor bedoeld dat studenten hun toetsen niet voor zich uitschuiven en lekker doorstuderen. Maar voor deze student werkte het dus averechts. Dan moet je toch met je hand over het hart strijken en hem gewoon laten meedoen aan de herkansing?”

Als het aan Van Berkel ligt, komt er zo snel mogelijk een centraal register waarin de uitspraken van CBE’s worden verzameld. Dat zal de leden helpen om betere afwegingen te maken. Studenten kunnen op hun beurt beter inschatten of hun bezwaar kans maakt. Het juridisch correct examineren komt dan weer een stapje dichterbij, hoopt hij.


 

Facebook Twitter Whatsapp Mail