Dodenherdenking moet meer zijn dan doden herdenken

Body: 

De jaarlijkse herdenking van de Utrechtse studenten en docenten die omkwamen in de Tweede Wereldoorlog is waardevol, vindt student Floris Boudens. Maar het is niet genoeg. Die bijeenkomst confronteert ons onvoldoende met de morele dilemma’s waar de universitaire gemeenschap destijds mee te maken had.

Elk jaar organiseert de universiteit op 4 mei een kranslegging in het Academiegebouw. Een gedistingeerde universiteitsvertegenwoordiger volbrengt dan het herdenkingsritueel. Deze staat ‘namens de universitaire gemeenschap’ stil bij de 169 vermoorde studenten en docenten die vallen te betreuren door de Tweede Wereldoorlog.

De jaarlijkse respectbetuiging moet ons “doordringen van de betekenis van de gebeurtenissen van toen”, zoals vicevoorzitter Annetje Ottow het vorig jaar uitdrukte. Mooi gezegd. We kunnen ons echter afvragen of de ceremonie in huidige vorm het beoogd doordringend vermogen heeft. Laat de geschiedenis zich wel vatten in bloemleggingen?

Willen we ons laten doordringen van betekenis dan zullen we de gebeurtenissen van toen in historische context moeten plaatsen. Hoe ging het er in de Tweede Wereldoorlog werkelijk aan toe op deze universiteit? Om deze vraag te beantwoorden, schets ik hier een impressie. Daarbij doe ik een beroep op de universiteitsgeschiedenis (1).

Accommodatie en neutraliteit
Joods personeel werd al in september 1940 geschorst; tegenstanders van het nationaalsocialisme werden in diezelfde maand gearresteerd en geïnterneerd. Het werd al vlug onrustig op de universiteit. Wat was wijsheid?

De inzet van bestuurders was vooral om de universiteit koste wat kost draaiende te houden. Het universiteitsbestuur drukte hoogleraren op het hart tijdens colleges niet op de bezetting in te gaan. Studenten werden dringend verzocht niet in verzet te gaan.

Om dit laatste te illustreren duikt het onderstaande affiche telkens in de geschiedschrijving op. Al met al reageerde de universitaire gemeenschap in eerste instantie nogal lauw op de nazificatie van de UU. Zoveel mogelijk doorgaan op oude voet was het devies.fragment.jpg

Verzet, sluiting en zuivering
Net als elders in het land werd de sfeer vlug grimmiger. De wreedheid van de bezetter werd gedurende de oorlog steeds duidelijker. Fascistische studenten en politieagenten controleerden deelname aan de colleges: wie niet verscheen werd aan de arbeidsdienst overgeleverd.

In 1943 moesten studenten plechtig beloven zich niet tegen de Duitsers te keren. Deze loyaliteitsverklaring was de genadeklap voor de universiteit. Het hooglerarenkorps ontraadde het ondertekenen daarvan niet; spoorde er ook tot aan. Studenten toonden zich minder pragmatisch.

Slechts 12,9 procent van de Utrechtse studenten tekende de loyaliteitsverklaring en mocht de studie voortzetten. Met zo weinig studenten had het weinig zin de universiteit open te houden. Tot de bevrijding bestond de universiteit feitelijk alleen op papier.

Hoewel het hooglerarenkorps zich over het algemeen weinig dapper had opgesteld in vergelijking met hun studenten werd die laatste groep na de oorlog veel strenger gestraft. Een tijdelijke ontzegging van de toegang tot de universiteit lag voor studentondertekenaars van de loyaliteitsverklaring in het verschiet. ‘Fout’ personeel kreeg een lagere strafmaat. De verzetsstudenten klaagden over lage straffen en de vermeend ‘lakse’ houding van een groot deel van het personeel. De spanning tussen beide geledingen groeide doordat hoogleraren erop aandrongen de zuivering zo spoedig mogelijk te beëindigen (2).

Herdenking
Het is mijn hoop dat enkele van deze elementen in de toekomst tijdens dodenherdenkingen van de UU aan bod zullen komen. De UU heeft magnifieke historici in dienst die de herdenkingsplechtigheid van historiciteit zouden kunnen voorzien. Als we ons willen laten “doordringen van de betekenis van de gebeurtenissen van toen” is historische duiding vereist.

Begrijp mij niet verkeerd: een proclamatie van respect voor de 169 vermoorde mensen die aan deze instelling verbonden waren is een waardige invulling van de universitaire dodenherdenking. Maar het roept geen beeld op van razzia's tijdens colleges. Het confronteert ons niet met de aaneenschakeling van existentiële en morele vraagstukken waar de academische gemeenschap van 1940 – 1945 voor gesteld stond. Het verzwijgt de schaduwkanten van de universitaire gemeenschap in deze periode. Het gaat, kortom niet in op de vraag hoe en waarom deze mensen aan hun einde konden komen. Ik vraag me daarom in alle oprechtheid af: zou dodenherdenking niet meer moeten zijn dan doden herdenken?

-------------------------------------------------

1) Zie bijvoorbeeld Hervé Jamin, Kennis als opdracht: de Universiteit Utrecht 1636-2001 (Utrecht 2001) 178–182; S.Y.A. Vellenga, “De uitdaging van crisis en bezetting, de jaren 1936 – 1946” in: Hermann W. von der. Dunk (red.), Tussen ivoren toren & grootbedrijf: de Utrechtse universiteit, 1936-1986 (Maarssen 1986) 23–58; Sander van Walsum, De Utrechtse universiteit tijdens de Duitse bezetting, 1940 – 1945 (Utrecht 1995).

Ook via het bronmateriaal kun je dichter tot het verleden komen. De jaarboeken bevatten in dit kader belangrijke informatie, zie met name de jaarboeken tussen 1940 en 1946 en “De Utrechtse Universiteit tijdens bezetting, 1940-1945” in: Jaarboek der Rijksuniversiteit te Utrecht, 1952/53, 123 – 160..

2) Zie voor deze paragraaf vooral Jamin, Kennis als opdracht, 178–182.

Facebook Twitter Whatsapp Mail