Geesteswetenschappers gaan gewoon in zee met de digitale boot

Body: 

Geesteswetenschappers zullen altijd constructief blijven zoeken naar de rol van nieuwe digitale technologieën. Christian Lange, Birgit Meyer en Paul Ziche, drie hoogleraren die verbonden zijn aan het Onderzoeksinstituut voor Filosofie en Religiewetenschap, zetten kanttekeningen bij het betoog van Joris van Eijnatten op DUB. Zijn stelling was dat geesteswetenschappers de digitale boot dreigen te missen.

Joris van Eijnatten opent op DUB een debat over het belang van 'computationele vaardigheden' voor de geesteswetenschappen. Daar willen we hier een aantal kanttekeningen bij plaatsen. Maar voordat we dat doen, willen we er geen misverstand over laten bestaan dat we het opdoen van vaardigheden in de omgang met computers, het kunnen gebruiken van geavanceerde instrumenten en het kunnen programmeren een verrijking vinden voor alle geesteswetenschappen. We staan achter alles wat wij als geesteswetenschappelijke disciplines en instituties kunnen doen om dat de bevorderen.

Precies daarom zijn er inmiddels al tal van initiatieven aan de UU en elders opgestart om de Digital Humanities te ontwikkelen als technologie, onderzoeksveld en leerlijn. De praktische implementatie roept echter nog allerlei vragen op. Computationele vaardigheden, hoe belangrijk ook, zijn zeker niet het enige waarin wij moeten investeren. Dat zullen we ook moeten blijven doen in taalvaardigheden, schrijven, en het verwerven van interdisciplinaire en interculturele competenties. Niet iedereen zal al deze competenties onder de knie kunnen krijgen. Er zullen keuzes moeten worden gemaakt. Wat moeten wij als docenten bijvoorbeeld een studente adviseren die vraagt of zij beter een programmeertaal of Latijn of Arabisch zou moeten leren?

Mogelijke achterstand
Dan onze kanttekeningen. Twee punten in Van Eijnattens betoog vragen om aandacht omdat zij aan het zelfbeeld en de status van de geesteswetenschappen raken:

1) zijn bewering dat de Nederlandse geesteswetenschappers, vergeleken met hun internationale collega’s, een achterstand dreigen op te lopen;
2) zijn stelling dat zij gehouden zijn om zwaar te investeren in “computationele vaardigheden” omdat computers uiteindelijk betere geesteswetenschappers zijn of dat binnenkort zullen worden.

Dit zijn sterke en heftige uitspraken, die Van Eijnatten in zijn polemiek echter niet onderbouwt.

Digitale competenties
Met betrekking tot het eerste punt is het de vraag op grond van welke data hij claimt dat
a) Nederlandse geesteswetenschappers het inderdaad minder goed doen dan hun collega’s in andere landen;
b) dat deze mogelijke achterstand voornamelijk of gedeeltelijk te wijten zou zijn aan hun gebrek aan digitale vaardigheden.

Volgens hem laten de Nederlandse humaniora daarom 'Europese subsidies' lopen. Aan welke subsidies denkt hij in dit verband? De manier waarop de humaniora panels van de European Research Council in de afgelopen jaren te werk zij gegaan geeft volgens ons weinig onderbouwing voor zijn stelling. In deze panels wordt op het moment zelfs gewaarschuwd tegen het sprenkelen van 'digital glitter' over projecten. Interessant genoeg sneuvelen er meer aanvragen omdat zij de digital humanities omarmen dan omdat ze dat niet doen. Een digital turn met als doel om Europese subsidies te verwerven lijkt dus niet zo zinnig. Enige voorzichtigheid is hier geboden. Gedegen digitale competenties alleen waarborgen zeker niet het succes van een aanvraag.

Computer versus mens
Ook met betrekking tot het tweede geldt dat Van Eijnatten zijn uitspraken nauwelijks onderbouwt. Hij beweert weliswaar stellig (en met de goede intenties om het belang van computationele vaardigheden onder de aandacht te brengen) dat het niet veel scheelt “of computers kunnen een roman analyseren”, maar bewijs hiervoor levert hij niet.

Het zou uiterst boeiend zijn om over deze stelling, die aan de fundamenten van ons zelfbeeld als geesteswetenschappers raakt, in debat te gaan. Uiteraard bieden nieuwe technologieën spannende nieuwe mogelijkheden voor het omgaan met onze bronnen en de methodologie van onze disciplines. Maar om die goed te kunnen onderkennen, beschrijven en vooral beoordelen moeten we veel nauwkeuriger worden en ons de volgende vragen stellen. Wát is het dat de nieuwe technologieën doen? Op welke vragen kunnen zij een antwoord geven en op welke wellicht niet? Hoe komt men met deze technologieën tot resultaten? Staan die resultaten op zichzelf of vereisen die zelf een weer interpretatie?

Deze technologieën strekken veel verder dan het bèta-domein. Geesteswetenschappers hebben veel nagedacht over de rol van technologieën in de bemiddeling van een bepaald beeld van de werkelijkheid. Nieuwe technologieën, en het daardoor in gang gezette proces van digitalisering, moeten altijd ook als sociaal-culturele en politiek-economische fenomenen worden geanalyseerd. Zonder reflectie daarover vanuit een breder perspectief, die typerend is voor de geesteswetenschappelijke houding die ook Van Eijnatten erkent, kunnen wij de omvattende rol van deze technologieën niet inschatten. Het zou de inzet van de Digital Humanities moeten zijn om niet terug te vallen op een technisch-deterministische insteek. Daarop hebben de geesteswetenschappen immers al lang een goed onderbouwde kritiek geformuleerd.

Complexe interpretatie
Het moge hopelijk duidelijk zijn dat onze vragen en opmerkingen voortkomen uit het hart van de geesteswetenschappen. Het idee dat ‘de computer’ ‘een probleem’ kan ‘oplossen’ vereist dat de voor de geesteswetenschappen zo typerende stappen van precieze analyse en complexe interpretatie worden gedaan. Alleen onder die voorwaarde is het überhaupt mogelijk om ‘problemen’ en ‘oplossingen’ te formuleren. We willen hier dan ook met klem benadrukken dat het ons niet gaat om een pleidooi voor wat Van Eijnatten nogal schamper 'salonkritiek' of (met polemische aanhalingstekens) 'cultuurkritiek' noemt – maar om een pleidooi voor kritische analyses zonder aanhalingstekens.

Ook is zijn gebruik van de term “ethische bevlogenheid” denigrerend, zeker gezien de enorme inspanningen die door initiatieven zoals het focusgebied Human-centered AI worden verricht om ethische reflectie en Artificial Intelligence-vertogen bij elkaar te brengen. Dit focusgebied laat overigens, net zoals de Utrecht Data School of het Zwaartekracht-project over de impact van 'disruptive technologies', zien dat dit soort onderwerpen al lang niet meer op basis van disciplinaire tegenstellingen worden behandeld.De verwijzing naar Snow’s in het verleden te pas en te onpas aangehaalde, maar inmiddels achterhaalde contrast tussen de 'two cultures' is in dit verband niet behulpzaam.

Speurtocht naar rol digitale technologieën
Tot slot. Het ontwikkelen en doordenken van grote, relevante vragen is een centrale taak van de geesteswetenschappen. Zij zijn er bijzonder goed voor uitgerust om precies die vragen te stellen, die aan de orde moeten komen om systematisch alle dimensies van de kwestie, of computers uiteindelijk de betere geesteswetenschappers zouden zijn te doorgronden. Het feit dat door middel van digitale technologieën antwoorden kunnen worden gegenereerd op bepaalde vragen van typisch geesteswetenschappelijk onderzoek haalt de essentie van de geesteswetenschappen niet onderuit.

Als men zonder argument stelt dat computers binnenkort betere interpretaties van literaire kunstwerken kunnen leveren dan mensen, dan worden de geesteswetenschappen gemodelleerd naar disciplinevormen in het bèta-domein. Het behoort tot de kern van de geesteswetenschappen om bij dat soort claims kritisch te blijven, de argumenten daarvoor op tafel te willen zien, deze te analyseren (en waar nodig te preciseren) en overal naar betekenis te vragen en te zoeken.

Stel dat een computer inderdaad in staat zou zijn om een bepaald werk ‘beter’ te kunnen analyseren dan een literatuurwetenschapper (hetgeen in laatste instantie toch door mensen zou worden bepaald), dan zou juist dat voor geesteswetenschappers een fascinerende uitkomst zijn. Het feit dat de uitkomst van een analyse door middel van een computer in een bepaald opzicht affiniteit vertoont met een door een mens verrichtte analyse, maar daar ook voor een deel van afwijkt, is een belangrijk gegeven dat ons zal helpen om het werk dieper te doorgronden, maar zal niet het laatste woord erover zijn. Interpretatie gaat altijd door, en dit proces vergt dan ook voortdurende zelfreflectie van wetenschappers over de middelen die ze daarvoor gebruiken.

En hiermee zijn we terug bij precies die vragen die de geesteswetenschappen uniek maken. Het gaat hier niet om een naïeve zelf-immunisering van de geesteswetenschappen tegen kritiek of tegen potentiële veranderingen in hun status. Integendeel, het gaat om een speurtocht naar de vragen die de discussie over de rol van digitale technologieën binnen de geesteswetenschappen (voor alle partijen!) productief en boeiend maken.

Facebook Twitter Whatsapp Mail