Open Science: data net zo belangrijk als publicaties

Body: 

Frank Miedema is voorzitter van het Open Science Platform van de Universiteit Utrecht. Dit platform maakt zich sterk voor open access en open data. In deze opinie reageert hij op het interview dat Martijn Katan gaf aan het Hoger Onderwijs Persbureau en diens column in NRC. “We zitten in een fase waarin moet worden nagedacht over alternatieve oplossingen voor ons huidige publicatiesysteem.”

Martijn Katan vindt dat kennis en publicaties die met publiek geld gemaakt worden niet vrij toegankelijk hoeven te zijn (NRC, 26 okt, ‘En dan nu de nadelen van open access’ en een interview op DUB). Want brood bij de bakker en museumbezoek zijn dat ook niet, zegt hij. Die vergelijking gaat niet op. Brood en tentoonstellingen worden met private middelen gemaakt. De publieke investering in onderzoek is bedoeld om kennis te produceren waarmee onder andere de grote problemen in de maatschappij opgelost kunnen worden.

Katan zegt voorts dat als je publicaties open access wilt maken, je dat ook voor de data zou moeten doen. Dat is precies een van de andere componenten van open science: maak data  open in de juiste vorm open en beschikbaar voor hergebruik (Fair: findable, accessible, interoperable & reusable). Dan gaat de wetenschap sneller en er is meer sociale controle op kwaliteit (door post-publication peer review). Als anderen misbruik maken van data, waar Katan terecht beducht op is, kan ook dat in alle openheid gecontroleerd worden. Veel tijdschriften eisen van auteurs al dat  ze hun data beschikbaar moeten maken op aanvraag. Publieke en non-profit subsidiegevers vragen dit ook al.

Katan gaat ervanuit dat we de commerciële uitgevers nodig hebben, bijvoorbeeld voor kwaliteitscontroles door peer review. Daar is nu juist de laatste jaren door empirisch onderzoek gerede twijfel over. Zelfs (of ‘ook‘) in tijdschriften met hoge impact factoren in verschillende wetenschapsdomeinen bleek de kwaliteit van veel artikelen bedenkelijk. Door de enorme aantallen publicaties die geschreven en gereviewed moeten worden is de sociale controle verwaarloosd. Er is simpelweg te weinig tijd voor goede reviews.

Bovendien weten we al lang dat de hoge citatie-impact voor zo’n tijdschrift komt door een kleine fractie superveel geciteerde artikelen. Toch blijven we de individuele artikelen in die tijdschriften (deels zelfs ongelezen!) het predicaat High Impact geven en dat gebeurt ten onrechte in beoordelingen van onderzoekers. Dit is door velen, waaronder vele beroemde wetenschappers, al lang en breed naar voren gebracht. In de San Francisco Declaration on Research Assessment (DORA) van 2012 die door vele instituten en wetenschapskoepels is onderschreven, wordt dit goed uitgelegd. De conclusie: echte peer review, ‘niet tellen maar lezen’, is en blijft de kern van goede assessments. Investeren in kwaliteit moet dan beloond worden, net als publiceren. Vanuit de KNAW zijn sinds 2005 met regelmaat uitstekende rapporten en adviezen hierover naar buiten gebracht bijvoorbeeld over assessment in de Geestes- en Technische wetenschappen.

We zijn nu in een transitie naar Open Science en open access waar alle actoren in het systeem nu actief bij betrokken zijn. In deze fase moet nagedacht worden over alternatieve oplossingen voor ons huidige publicatiesysteem. Het per publicatie betalen (via ‘article processing charges’) is uiteraard onhoudbaar, lokt weer andere perverse praktijken uit en is maar een tussenstap. Met de besparing op abonnementskosten kunnen die APC’s betaald worden die door de EU strak onderhandeld moeten worden. De kwaliteit van de open access tijdschriften moet open gemonitord worden. Nu al werken universiteiten met repositories waar onderzoekers hun artikelen publiceren zodat peers die kunnen vinden en open kunnen becommentariëren. Ook tijdschrift eLife doet pilots met dergelijke methoden van peer review. Zo is het ‘scholarly publishen’ ooit begonnen en met de nieuwe ICT technologie moet dat weer kunnen.

Facebook Twitter Whatsapp Mail