Afstuderen op een rugzak vol ervaring in plaats van een thesis

Body: 

Niet op een thesis of op een diepgaande literatuurstudie, maar wel op een portfolio bomvol lesmateriaal, zelfreflecties en klassenfoto’s. Zo studeerde Joanne de Vries af bij haar educatieve master.

Niet op een thesis of op een diepgaande literatuurstudie, maar wel op een portfolio bomvol lesmateriaal, zelfreflecties en klassenfoto’s. Zo studeerde Joanne de Vries af bij haar educatieve master.

Leraar in spe Joanne de Vries (24) koos na een bachelor Nederlands en een master Interculturele Communicatie bewust voor het educatieve masterprogramma. In een jaar tijd werd ze opgeleid tot eerstegraads bevoegd docent, in Joannes geval voor het vak Nederlands. In plaats van ploeteren op een theoretische scriptie, studeerde ze af op een stage en een praktijkonderzoek op een middelbare school. Ze kreeg er geen cijfer voor, maar moest met haar ervaringen een portfolio vullen.

Hoe is het om op zo’n praktische manier je papiertje te halen?
“Dat is me heel goed bevallen. Ik vond het bevrijdend om geen cijfer te krijgen voor mijn portfolio. Als je dossier af is, wil dat niet zeggen dat je klaar bent met je ontwikkeling tot docent. Iedere leerkracht is weer anders, het gaat erom dat je je eigen stijl ontwikkelt, en dat je laat zien dat je in je vak groeit en leert van je fouten.

“Het afstuderen op een portfolio uit de praktijk is ook heel effectief. Docent zijn is toch iets wat je moet leren door te doen. Met een stage word je meteen in het diepe gegooid. Je leert in korte tijd heel veel over het onderwijs en over je eigen functioneren als docent. Theorie en didactiek is interessant, maar pas als je zelf voor de klas staat, ervaar je hoe het echt is.”

Wat houdt het maken van een portfolio in?
“In mijn portfolio heb ik alles verzameld wat mijn ontwikkeling laat zien. In de educatieve master werk je aan zes verschillende rollen, bijvoorbeeld de rol van opvoeder of die van vakdidacticus. Per rol laat je in je portfolio je eigen ontwikkeling zien. Dat doe je aan de hand van bewijzen. Dit kunnen lesvoorbereidingen zijn, verschillende werkvormen die je hebt bedacht, uitwerkingen van gesprekken met leerlingen, opnames van lessen met een videocamera of zelfreflecties. Je denkt na over wat voor type leraar je wilt zijn, en hoe dicht je daar bij staat. Een portfolio is heel omvangrijk. Het was meer werk dan het schrijven van een scriptie. Alles wat je in je portfolio laat zien, heb je zelf ook uitgevoerd, dat is in feite dubbel werk.”

Naast stagelopen heb je ook onderzoek moeten doen, als onderdeel van je afstuderen. Wat heb je precies gedaan?
“Ik heb meegewerkt aan een groot meerjarig praktijkonderzoek, Profeed, waar verschillende scholen in de regio Utrecht aan meedoen. In samenwerking met de Universiteit Utrecht onderzoeken lio’s (leraren in opleiding, red.) met leraren op school hoe feedbackgedrag van docenten van invloed is op de kwaliteit van onderwijs. Mijn stageschool UniC is één van de scholen die aan dit project meedoet.
“Samen met vijf andere lio’s heb ik onderzocht hoe leraren feedback geven op leerlingen, en welke verbeteringen ze hierin zouden kunnen aanbrengen. Hiervoor hebben we opnames gemaakt van leraren en bekeken hoe zij hun leerlingen coachen.”

En welke vorm van feedback is het beste?
“Het onderzoek is nog niet afgerond, maar ik heb wel een vermoeden welke kant het opgaat. Er zijn drie manieren van feedback geven: feed up, feed forward en feedback. Van die drie lijkt feed forward het meest effectief vanwege de doelgerichtheid. Hierbij helpt de leraar de leerling om in te zien welke strategieën hij nog moet toepassen om zich verder te ontwikkelen. Het is dus geen feed back - zoals het goed- of afkeuren van een antwoord achteraf, en ook geen feed up waarbij een docent een leerling vooraf instructies geeft over wat hij moet doen.”

Heb je altijd gedroomd van een carrière in het onderwijs?
“Nee, het duurde wel even om daar achter te komen. Na mijn master Interculturele Communicatie zag ik veel studiegenoten in een communicatiefunctie terecht komen. Interessant, maar een kantoorbaan vind ik te saai. Ik ben op reis gegaan om na te denken over mijn toekomst, en daar kwam ik erachter dat het onderwijs mij erg trekt. Tijdens mijn studie had ik al onderwijs gerelateerde bijbaantjes. Ik werkte als rondleider van schoolklassen in het Universiteitsmuseum, en ik heb bij de educatieve uitgeverij Thieme Meulenhoff meegewerkt aan een lesmethode. Wel wilde ik meteen de praktijk in; daarom heb ik gekozen voor de één- en niet voor de tweejarige educatieve master.”

Hoe is het om een klas pubers les te geven?
“Nu ik mijn eigen klassen heb, bevalt het me goed, maar in het begin was het erg zoeken. Ik had nauwelijks leservaring, en het was een vreemde gewaarwording dat 30 leerlingen je aanstaren en verwachten dat jij gaat zeggen wat ze moeten doen. En dan het liefst op een gestructureerde manier. Ik ben een beetje chaotisch, dus ik heb moeten leren om structuur aan te brengen in mijn lessen, en om duidelijk aan te geven wat ik van de leerlingen verwacht.
“In het begin zat mijn stagebegeleider bij al mijn lessen, maar nu sta ik alleen voor de klas. Dat was eerst erg spannend, maar daardoor leer je wel erg snel, want alle initiatief moet uit jezelf komen.”

Wat is je grootste uitdaging?
“Als docent speel je eigenlijk een soort pedagogisch spel. Leerlingen zijn in hun ontwikkeling altijd op zoek naar hun grenzen, en als docent moet je daarin tegengas geven. Maar hoeveel, en op welk moment, dat is lastig. Laatst heb ik mijn eerste echte preek gegeven. Ik hoorde mezelf praten: ‘jongens, dit kan zo echt niet verder …’ Op zo’n moment ben ik niet echt boos, maar zoek ik een moment om aan te geven: ‘dit is mijn grens’. Die rol van ‘gespeelde’ opvoeder vind ik erg interessant. Want ook de leerlingen zijn er niet bewust op uit om mij te treiteren. Het hoort bij hun ontwikkeling en leeftijd om te experimenteren en bijvoorbeeld net zo lang te kletsen totdat ze eruit worden gestuurd. Aan mij als leraar de taak om dit gedrag in goede banen te leiden.”

Zie je jezelf de komende 30 jaar voor de klas staan?
“Nee! Het lijkt me nu dat ik ongeveer vijf jaar nodig heb om een goede leraar te worden, en me zekerder te voelen in mijn vak. Die praktijkervaring is mijn eerste doel. Daarna zou ik me meer willen richten op de beleidsmatige kant van onderwijs of bijvoorbeeld meeschrijven aan methodes voor educatieve uitgeverijen. Maar dat mijn toekomst in het educatieve veld ligt, daar ben ik zeker van.”

Facebook Twitter Whatsapp Mail