Eeuwenoude ontgroening is altijd omstreden geweest

Body: 

Afgelopen jaar werd er weer veel gesproken over de kennismakingstijd van verenigingen, ook wel ontgroening genoemd. De discussie over ontgroeningen is een terugkerend thema in de geschiedenis van de Utrechtse student. Al vanaf de achttiende eeuw kregen nieuwkomers het zwaar te verduren en altijd was er gedoe over. Het boek De Utrechtse student 1945 tot nu  geeft een interessant kijkje in de geschiedenis van deze omstreden studententraditie.

Read in English

Lees vertaling

Eind achttiende eeuw is voor het eerst sprake van de traditie om nieuwkomers te ontgroenen. De oudere studenten voelden zich superieur en sarden de jongerejaars vanuit clubjes die zich senaat gingen noemen.  In die tijd kregen studenten college bij hoogleraren thuis. De leerstof van de professor doceerde nam meer dan een jaar in beslag. Studenten konden zich op verschillende momenten in het jaar inschrijven en dus volgden jongere- en ouderejaars samen college.

 In 1793 werd in Utrecht de Senatus Veteranorum Glirium ( de Senaat van oude ratten) opgericht. Niet alleen nieuwkomers moesten het ontgelden. Ook ‘professoren, ouders, gouveneurs, meesters, hospiten en andere studenten’ wilde deze senaat ‘contrarieeren, hinderen en benadeelen , zowel in ’t openbaar, als in ’t heymelijke.’

De nieuwe studenten lieten de ontgroening over zich heenkomen omdat de jongelingen zonder erkenning van het groensenaat niet als volwaardig student zouden worden geaccepteerd. De ontgroening was in die tijd een nogal hardhandige introductie op het studentenleven. De eerstejaars moesten de ouderejaars keurig groeten, mochten geen degens dragen, geen biljart spelen zonder toestemming en niet vloeken.

De regels en gewoonten van de groensenaat waren een parodie op de universiteit. Bestaande universiteitsrituelen werden nagebootst en geridiculiseerd. De nieuwkomers moesten een examen doen met als resultaat een bul en een baret. Ze mochten zich doctor noemen. Latijn was de voertaal en de ceremonie werd afgesloten met een feest op kosten  van de jongerejaars.

Officieel was het geen gezelligheidsvereniging, maar de groensenaat had wel een eigen onderkomen op het Domplein. In 1816 werd het echt een vereniging met als sociëteit Placet hic Requiescere Musis (PhRM), wat betekent:  Het behaagt de Muzen hier te rusten. Deze gebeurtenis wordt gezien als de oprichting van het  Utrechtsch Studenten Corps. Het Corps wilde de studenten niet alleen ontgroenen, maar hen ook begeleiden en voorbereiden op het volwassen bestaan.

Al in die tijd werd het ontgroenen als een probleem ervaren, zo staat in het eerste hoofdstuk van het boek dat in vogelvlucht het Utrechtse studentenleven van 1636 tot 1945 schetst. Zo’n 10 procent wilde zich niet laten ontgroenen. In 1839 schreef een Utrechtse student een pleidooi voor ‘een verbeterde ontgroening’. Hij stelt dat de eerstejaars niet in bijzijn van burgers of op openbare plaatsen beledigd en mishandeld mogen worden, dat de ontgroening buiten de collegezaal moet blijven en dat handtastelijkheden en ‘onedele gedragingen’ verboden moeten worden.

Lange tijd was het Utrechtsch Studenten Corps de enige vereniging voor studenten. Iedere student was daar min of meer automatisch bij aangesloten en het studentencorps (als tegenwicht van het docentencorps) was voor de universiteit het aanspreekpunt van de studenten.  De vereniging organiseerde namens de universiteit de lustrumspelen met vanaf 1836 elke vijf jaar een maskerade. In 1848 had de universiteit 25 hoogleraren en 400 studenten.  Studeren was kostbaar en dus voorbehouden aan een elite.

In 1863 kwam daar verandering in. Niet alleen leerlingen met een Latijnse School (gymnasium), ook leerlingen van de Hogere Burgerschool (hbs) kregen toegang tot de universiteit. Het aantal studenten groeide, evenals de diversiteit. Het gevolg was dat niet meer iedereen lid werd. Met name de studenten uit de middenklasse konden de hoge kosten van een lidmaatschap van het USC niet meer opbrengen. Bovendien nam de weerstand tegen de ontgroening toe. Novieten werden kaalgeschoren als teken van ondergeschiktheid aan de zwierig geklede oudere corpsleden. Wie geen corpslid was, werd een nihilist genoemd.

Als tegenhanger ontstond in 1884 Het Utrechtse Studenten Bond, dat zich kenmerkte door gelijkwaardigheid, lagere lasten en de afwezigheid van ontgroeningen. Het bestaan van deze bond was van korte duur. Al na een jaar werd de bond door de universiteit gedwongen te fuseren met het USC. Den Haag dreigde met sluiting van de universiteit, onder meer vanwege ‘dat broeinest van oneenigheid der studenten onderling’, zei Tweede kamerlid Kees Schaepman.

De fusie was geen succes. In 1890 ontstond De Utrechtsche Studentenbond die in 1911 opging in de vereniging Unitas Studisorum Rheno Traiectina. Deze vereniging was ‘voor iedereen’ en nam afstand van de ontgroening. In deze periode kwamen er meer verenigingen, zoals de katholieke vereniging Veritas (1889), de vrouwenvereniging  UVSV (1899) en de protestantse Unie der Societas Studiosorum Reformatorum  SSR (1906).  Het verenigingsleven was dé plek voor studenten om aan sport en cultuur te doen. Zo ontstonden ongelooflijk veel subgezelschappen.

Maatschappijbreed ontstond afkeer tegen ontgroeningen. In 1913 werd zelfs de landelijke Vereeniging tot Bestrijding van het Groenwezen opgericht. Het USC verloor beetje bij beetje zijn status als aanspreekpunt voor alle studenten. Tot dan toe had het USC ook studieclubs per faculteiten die het aanspreekpunt waren voor de universitaire faculteiten. Ook andere verenigingen begonnen hiermee, wat leidde tot een heuse ‘faculteitenkwestie’.  In 1939 werden de studiefaculteiten losgekoppeld van de vereniging en ontstond na de oorlog de Utrechtse Studenten Faculteiten (USF) waarvan nog heel lang de preses van het USC automatisch de voorzitter was. Zo ontstond een verschil tussen de gezelligheidsvereniging en de vereniging voor belangenbehartiging.

In 1950 was de helft van de studenten lid van een gezelligheidsvereniging. Halverwege de jaren 60 daalde dit aantal fors vanwege een nieuwe botsing van de traditionele gezelligheidsverenigingen met de onstuimige samenleving. De gezelligheidsverenigingen werden gezien als rechts en de groentijd als autoritair.

Het aantal studenten aan de universiteit nam toe waaronder ook steeds meer studenten van wie de ouders geen academische achtergrond hadden. Je zag studenten die lid werden van een vereniging, alleen voor de sport of de cultuur. Deze tendens ondermijnde in de ogen van de toenmalige bestuurders van het USC de traditionele verenigingsband. Hierdoor ontstond een verharding van de ontgroening. Hoe harder de ontgroening, hoe hechter de band, was de redenering.

Het tegendeel was het gevolg. De excessen zorgden ervoor dat  meer weerstand ontstond tegen de corporale studentikositeit. Het USC haalde in 1965 de landelijke media met de zogenaamde roetkapaffaire, waarbij een student was gestikt door het dragen van een roetkap tijdens de ontgroening van zijn dispuut. Steeds meer leden verlieten de vereniging.

In 1969 leidde deze ontwikkeling bij het USC voor een verhitte discussie over de zwaarte van de ontgroening. Een kleine meerderheid koos uiteindelijk voor het behoud van kaalscheren, dat een jaar later alsnog werd afgeschaft. Binnen de vereniging was er volop discussie. In het ledenblad Vox schreven kritische leden dat door de starheid ‘een machtige bloeiende, rijke waardevolle studentenvereniging zichzelf binnen een paar jaar tijds door wanbegrip en –beleid naar de bliksem heeft geholpen’. Het ledenaantal daalde dramatisch. Ook andere verenigingen zagen hun ledenaantal dalen. Veritas wist zich nog het best te handhaven vanwege een links katholieke signatuur. SSR wilde een open jongerenvereniging worden en er ontstond de afsplitsing Biton (Ben Ik Terecht Of Niet) en SSR-NU.

Eind jaren tachtig herstelden de verenigingen zich weer. De verenigingen pasten zich aan en de revolutionaire gedachten in de maatschappij ebten langzaam weg. Veel subverenigingen gingen zelfstandig door, zowel in de sport als de cultuur.

De laatste jaren zorgen de toenemende studiedruk ervoor dat de aantrekkingskracht van gezelligheidsverenigingen onder druk is komen te staan. Studenten willen vaak eerst hun bindend studieadvies halen en dan pas lid worden. Op dit moment is nog maar 10 procent van de studenten lid van een . gezelligheidsvereniging. Dat komt ook door de toename van sport-, studie-  en cultuurverenigingen. Daarnaast is de vraag ook of studenten nog voldoende tijd hebben om in een commissie actief te zijn of om een bestuursjaar te doen.

De discussie over de ontgroeningen bleef altijd op de achtergrond meespelen. In 2002 kregen zowel Veritas als Unitas te maken met sancties vanwege excessen bij de ontgroening. In 2016 werd Veritas opnieuw op het matje geroepen door de universiteit vanwege ‘Guatanamo-bay-achtige praktijken’. Deze winter kwam UVSV onder vuur te liggen na een uitzending van Rambam. Later bleek dat het beeld weliswaar ‘naar’ was, maar dat de vereniging de gedragscode die de universiteit met de besturen van de verenigingen hadden gemaakt niet was overtreden. Deze gedragscode  moet zorgen voor een ‘kennismakingstijd zonder vernedering en fysiek geweld’. Dat lukt niet altijd. Groningen en Amsterdam blijven negatief in het nieuws komen.  Maatschappelijk worden steeds meer vraagtekens gezet bij de nut en noodzaak van ontgroeningen, die tegenwoordig niet meer expliciet zo genoemd worden.

Toch wil de FUG, de Federatie Utrechtse Gezelligheidsverenigingen,  niets weten van een minder studentikoos karakter van de verenigingen, aldus voorzitter Marc Oosterhuis. Hij denkt dat gezelligheidsverenigingen het hoofd boven water kunnen houden door verenigingshuizen aan te bieden, werkplekken op de sociëteit beschikbaar te stellen en  leden ervaring op te laten doen voor de arbeidsmarkt. Ook pleit hij voor meer maatschappelijke betrokkenheid van de verenigingen.

Dit artikel is gebaseerd op de hoofdstukken 1 (Studentenleven 1636-1945), 7 (Vrolijke vrijblijvendheid en nut) en 8 (Tegen onrecht en onderdrukking) van het boek De Utrechtse student 1945 tot nu, verschenen  onder redactie van Leen Dorsman, Hylke Faber en Pier Stolk. Het  boek is uitgegeven bij DdM works en kost 34,95.

Facebook Twitter Whatsapp Mail