Het geheim van de gokcorrectie

Body: 

Alles gokken en toch een goed cijfer halen bij een meerkeuzetentamen? Dankzij de gokcorrectie zou dat niet moeten kunnen. Maar hoe werkt zo’n correctie precies? DUB zoekt het uit.

Alles gokken en toch een goed cijfer halen bij een meerkeuzetentamen? Dankzij de gokcorrectie zou dat niet moeten kunnen. Maar hoe werkt zo’n correctie precies? DUB zoekt het uit.

Elke student heeft er wel eens mee te maken: meerkeuzevragen. Je doet je best om maximaal voorbereid naar je tentamen te komen, maar als je het antwoord echt niet weet, waag je een gokje. Als je vier antwoordmogelijkheden hebt, heb je alsnog 25 procent kans op het goede antwoord.

Met een beetje geluk en beredeneren kan een gokker wel een voldoende halen, maar docenten geven liever geen punten voor iets dat je toevallig goed hebt. Zij willen je daadwerkelijke kennis toetsen. Je bent tenslotte in een tentamenzaal, niet in het Holland Casino. Bij het nakijken van tentamens wordt daarom gecorrigeerd voor gokken. Docenten nemen de gokkans mee in het bepalen van de voldoende/onvoldoendegrens.

Het basisprincipe van een gokcorrectie is simpel. Stel je maakt een meerkeuzetentamen van veertig vragen met vier antwoordmogelijkheden voor elke vraag. Als je bij elke vraag gokt, heb je 25 procent van de antwoorden goed, oftewel tien vragen. Wil een docent corrigeren voor de gokkende student, dan kent die pas punten toe na de tiende vraag. De gokker krijgt bij 10 goede antwoorden nog steeds een 1, zoals je hieronder kunt zien:

Voor een voldoende hanteren opleidingen van de UU in de regel dat je iets meer dan de helft moet weten. Bij het eerder genoemde tentamen van veertig vragen heb je pas bij 25 vragen goed precies een voldoende. De eerste tien vragen tellen in feite niet, want die heb je met gokken al goed. Van de rest moet je de helft, oftewel vijftien vragen, weten.

Tot zover de statistiek voor dummies. We doen verdere navraag bij Jaap Milius, adviseur van de Toetsservice van het Centrum voor Onderwijs en Leren van de UU (COLUU). Volgens Milius is naast de raadkans ook de moeilijkheidsgraad belangrijk bij het vaststellen van een slaaggrens of ‘cesuur’. Milius: “Het is tenslotte logisch dat je score voor een toets met alleen maar heel gemakkelijke vragen hoger uitvalt dan voor een toets met alleen maar pittige vragen. Dit terwijl je kennis toch hetzelfde is.”

Met een simpel voorbeeld legt Milius uit hoe verschillend de moeilijkheidsgraad kan zijn: “Je kunt vragen: ‘Van welk land is Montevideo de hoofdstad?’ Als de mogelijke antwoorden Uruguay en Frankrijk zijn, is het niet zo moeilijk. Vervang je Frankrijk door Paraguay dan verandert de zaak. Paraguay kun je minder makkelijk wegstrepen dan Frankrijk.”

De moeilijkheidsgraad heeft dus invloed op de raadkans. Als je twee van de vier antwoorden gemakkelijk kan wegstrepen, dan is de raadkans nog 50 procent. Bij een moeilijke vraag met kleine verschillen tussen vier antwoordmogelijkheden is de raadkans 25 procent, omdat je antwoorden minder gemakkelijk kan wegstrepen.

Het is aan de docent om die moeilijkheidsgraad vast te stellen. Aan de hand daarvan berekent de Toetsservice de cijfers, waarvoor ze een eigen methode hebben. Zij kijken ook naar de scores op specifieke vragen en eventuele afwijkingen die daarin voorkomen. Als er zeer verschillend wordt geantwoord op een vraag is de vraagstelling misschien niet goed en moet die worden geëvalueerd. Verder geeft de Toetsservice ook trainingen op het gebied van toetsing en becijfering.

In onderstaand filmpje legt Jaap Milius uit hoe de cesuur bepaald wordt aan de hand van de moeilijkheidsgraad en raadkans:

In bovenstaande voorbeelden worden studenten aangemoedigd om te gokken als ze het antwoord niet weten. Dit heet het ‘gedwongen raden systeem’. Er is nog een andere methode: het ‘correctie voor raden systeem’.

We gaan naar Marieke van der Schaaf. Zij is onderwijskundige aan de UU en legt uit hoe dat 'correctie voor raden systeem' werkt. “Geneeskundestudenten moeten juist niet gokken, omdat zij in de praktijk ook niet zomaar een gokje kunnen nemen met een patiënt op de operatietafel. Die studenten laten we kiezen tussen ‘ja’, ‘nee’ en ‘weet ik niet’.”

Erkennen dat je iets niet weet als wetenschapper of arts is volgens Van der Schaaf ook waardevol. Het scoringssysteem is nu iets anders. Als een student ‘weet ik niet’ antwoordt, ontvangt hij of zij nul punten, maar bij het foute antwoord gaat er een punt vanaf.

Aan elk systeem kleven nadelen. Bij ‘correctie voor raden’ vinken sommige studenten eerder de ‘weet niet’-optie aan, terwijl ze bij een beredeneerde gok het antwoord misschien wel goed zouden hebben. Bij ‘gedwongen raden’ zet een docent aan tot onprofessioneel gokgedrag. Volgens Milius, scoren jongens daarnaast over het algemeen beter dan meisjes bij meerkeuzevragen in beide systemen, omdat jongens sneller gokken. Vrouwen houden eerder een vraag onbeantwoord als ze twijfelen.

Dat er twijfels bestaan over het toepassen van een gokcorrectie, blijkt wel aan de universiteit van Gent in België. Het bestuur van de UGent besloot in december 2013 af te stappen van de ‘giscorrectie’, waarbij voor een fout antwoord punten worden afgetrokken. Vanaf volgend collegejaar hanteert de UGent de zogeheten 'standard setting', wat meer lijkt op het Nederlandse systeem.

Facebook Twitter Whatsapp Mail