Foto: Bantersnaps / Unsplash.com

Voor eerstegeneratiestudenten is je thuis voelen op de uni niet vanzelfsprekend

Body: 

Er zijn steeds meer  studenten die als eerste van de familie gaan studeren. Ze zijn pioniers. Malou van de Noort deed als studentassistent bij Studium Generale onderzoek naar deze groep. Tegen welke problemen en uitdagingen lopen ze aan? Wat vertellen hun verhalen ons over de kansengelijkheid in het onderwijs.

Read in English

Selfmade, 2-0 achterstand, échte strebers. Het is slechts een greep uit de veelgebruikte termen om een steeds groter wordende groep eerstegeneratiestudenten mee te associëren. Het zijn studentenpioniers, omdat ze als eerste van hun gezin academisch onderwijs volgen. En juist daarom spreekt deze groep tot de verbeelding. Ze werken hard aan hun toekomst, door het veroveren van een plek op een van huis uit onbekend terrein. Het zijn ‘sociale stijgers’: een studie aan de universiteit vergroot de kans op een succesvolle loopbaan, met bijvoorbeeld veel mogelijkheden tot talentontwikkeling of een hoger inkomen. In die zin ontstijgen eerstegeneratiestudenten het ouderlijk nest. Ze belichamen daarmee het maatschappelijk ideaal van kansengelijkheid in Nederland: je talenten en inzet bepalen waar je terecht komt, niet je afkomst. Maar weerspiegelt dat ook de realiteit?

Kansengelijkheid
Voor een grote groep van de eerstegeneratiestudenten, gaat het betreden van de campus niet direct gepaard met een thuisgevoel. De UU-programma diversiteit en inclusie (EDI) stelt op hun website dat een thuisgevoel een belangrijke voorwaarde is voor een inclusieve en gelijkwaardige universiteitsgemeenschap. En dat raakt ook aan kansengelijkheid: de kans om je talenten te ontplooien en daardoor je studie succesvol te doorlopen. Dat vereist allereerst dat je je thuis, veilig en gewaardeerd voelt als student op de universiteit. Wat doet de universiteit om eerstegeneratiestudenten tegemoet te komen wanneer dat gevoel ontbreekt? En wat is belangrijk om dat thuisgevoel te vergroten?

“Kansengelijkheid begint al bij de kansen die je krijgt aangereikt bij je geboorte. Wij richten ons op kansengelijkheid voor leerlingen in de bovenbouw van de middelbare school", vertelt Lale Yücel. Ze is coördinator van U-Talent UP, een programma dat bovenbouwleerlingen, wier ouders niet hebben gestudeerd, laat kennismaken met de Hogeschool Utrecht en de Universiteit Utrecht. Een spannende en soms lastige keuze als je ouders zelf niet hebben gestudeerd, zegt Lale.

Succesverhalen
Voor Lale staat één zaak centraal: een weloverwogen keuze voor een studie leidt tot een soepele overgang naar de universiteit. En daarvoor is een realistisch beeld schetsen heel belangrijk. Zo prikkelt ze de nieuwsgierigheid van leerlingen voor wetenschap, door ze kennis te laten maken met verschillende disciplines. Maar een realistisch beeld betekent ook de fysieke campus betreden, en in gesprek gaan met de studenten aldaar. Een deel daarvan is eerstegeneratiestudent, maar een deel ook niet.

Zo'n kennismaking weerspiegelt de universitaire gemeenschap waar de leerlingen van de basisschool of het voortgezet onderwijs later mogelijk deel van gaan uitmaken. Leerlingen weten dat er niet op elke hoek een ander rolmodel staat, maar horen ook genoeg succesverhalen van diverse eerstegeneratiestudenten die hen voorgingen. Een kijkje in de keuken van de universiteit maakt een onbekende wereld dus toegankelijker, en een minder grote stap om voor te kiezen.

Angst door de mand te vallen
Dat die stap groot kan zijn, blijkt uit het verhaal van Lotte. Ze is een eerstegeneratiestudent, en zit inmiddels in haar derde studiejaar aan de Universiteit Utrecht. Vaak heeft ze het gevoel “betrapt” te gaan worden, dat iemand erachter komt dat ze eigenlijk niet op de universiteit hoort. Wanneer haar medestudenten na college samen koffie halen of de universiteitsbibliotheek induiken, gaat Lotte liever naar huis. Ze kan haar studievereniging wel opzoeken, maar ze hoort ze al praten: “ik doe deze stage, ik schrijf dit artikel voor dat blad”. Het zet haar onder druk, ook al weet ze goed dat haar medestudenten het niet expres doen. Thuis is haar computerscherm het enige tastbare stukje van de universiteit dat overblijft, waar ze in rust haar colleges kan voorbereiden.

De angst om door de mand te vallen is niet voorbehouden aan Lotte alleen. In de literatuur over eerstegeneratiestudenten wordt dit het ‘bedriegerssyndroom’ (impostor syndrome) genoemd. Pedagoog Mick Matthys, gepromoveerd op de sociale problematiek van eerstegeneratiestudenten, beschrijft het in zijn proefschrift Doorzetters. “Het bedriegerssyndroom gaat gepaard met een gevoel op eieren te moeten lopen en toneel te moeten spelen.”

Volgens Matthys gebeurt dit wanneer de eerstegeneratiestudent een overtrokken inschatting maakt van de sociale gedragsregels waaraan ze moeten voldoen, of hoe intelligent ze moeten zijn om een plekje te verdienen op de universiteit. Ze hebben het idee dat ze extra hard hun best moeten doen om “mee” te komen met andere studenten.

Foto: Tamara Gak/ Unsplash

Ongeschreven regels
Lotte haalt goede cijfers voor haar vakken. Er is niks praktisch waaruit blijkt dat ze het niet kan, of niet op de universiteit zou mogen zitten. Dat geldt voor veel eerstegeneratiestudenten: studiesucces in de vorm van goede cijfers zijn vaak niet het probleem. Maar de angst om door de mand te vallen, kan wel zorgen voor hardnekkige stress, een lager zelfbeeld en soms ook faalangst. Waar heeft dat mee te maken?

Lotte, die een breder netwerk heeft van eerstegeneratiestudenten, wijst erop dat meer eerstegeneratiestudenten vaak denken dat ze niet op alle vlakken evengoed meekomen als de “gemiddelde” student op de universiteit. Studenten uit een gestudeerd nest, lijken vaak al een stuk wijzer te zijn in de geschreven en ongeschreven regels die bij de universiteitscultuur horen. Ze horen erover van hun ouders, of hebben de universiteit al eens bezocht voor de aanvang van hun studie.

Streberig, slim en volwassen
Eerstegeneratiestudenten ontdekken vrijwel alles zelf. Ze kunnen met hun vragen over het universiteitsleven minder goed terecht bij hun ouders, voor wie de universiteit een onbekende wereld is. En dat terwijl de overgang naar de universiteit best groot kan zijn. “De universiteit voelde anders, serieus. Als je geen conceptie van die wereld hebt, kan dat best een cultuurshock zijn. Iedereen leek zo streberig en slim en volwassen, die afslag had ik even gemist voor mijn gevoel”, vertelt Lotte. De combinatie van jezelf niet direct herkennen in de studenten om je heen, en zelfstandig erachter komen hoe dat uitgebreide instituut in elkaar zit, kan zorgen voor onzekerheid. Hoor je er wel thuis? En dat kan uitmonden in de drang jezelf extra te bewijzen, en geen steken te laten vallen.

Toch vinden steeds meer leerlingen die niet uit een academisch nest komen, ook hun weg naar de universiteit. Soms omdat ze vanuit het vwo of gymnasium doorstromen, soms omdat ze ‘diploma-stapelen’: doorstromen van het mbo, hbo naar de universiteit. En dat die mobiliteit tussen niveaus steeds soepeler loopt, is geen toeval. Want in 1968 ging de Mammoetwet van kracht, die deze doorstroming versimpelde. De ontplooiing van individueel talent op het juiste niveau, zou sociale ongelijkheid – en daarmee kansenongelijkheid- de das omdoen. Dat werpt z’n vruchten af, want vanaf dat moment neemt het aantal studerenden op wo-niveau een vlucht: het studentenaantal ten opzichte van de jaren vijftig verdrievoudigt.

Normen en waarden uit de Achterhoek
Daan is zeventien wanneer hij de Achterhoek verlaat om zijn droom na te jagen: literatuur studeren in Utrecht om een schrijver te worden in de grote stad. Terwijl hij went aan zijn nieuwe studentenleven, ziet hij twee ideaalbeelden voor zich die hij lastig kan verenigen. Enerzijds zijn er de normen en waarden uit de Achterhoek, die bestaan uit hard werken, een hechte band met de buurt, een nuchtere houding. Anderzijds bestaat het beeld van dé student die belezen is, en moeiteloos interessante anekdotes vertelt aan vreemden op feestjes. Daan heeft het gevoel dat hij bij allebei tekortschiet. Hij worstelt met het aannemen van verschillende rollen, afhankelijk van waar en met wie hij is

Dat gevoel is meer eerstegeneratiestudenten niet vreemd. Zoals alle beginnende studenten moeten ze zich leren verhouden tot een nieuwe universiteitscultuur. Als dat leven niet lijkt op het milieu waarin ze opgroeiden, kan die kloof lastig te overbruggen zijn.

Rust in beide werelden
Vijf jaar later kijkt Daan anders naar zijn ervaringen. “De dualiteit van stad en platteland leeft nog steeds in me, maar het zorgt niet meer voor verwarring. Ik vind het juist interessant, en wil daarin meer dingen van mezelf ontdekken.” Als hij ouder wordt en een nieuwe groep vrienden om zich heen verzamelt in de stad, vindt hij rust in beide werelden. Hij heeft niet meer het gevoel zijn identiteit, dat voor hem bestaat uit de vraag wie hij is en wie hij wil worden, op te moeten hangen aan één ideaalbeeld.

Daan denkt veel na over zijn ervaringen als eerstegeneratiestudent, en hoe dat beïnvloedt wie hij nu is. Voor meer eerstegeneratiestudenten is de overgang naar de universiteit groot, vooral als ze van huis uit weinig voorbeelden of kennis meekrijgen over hoe het instituut in elkaar zit. Om dat te compenseren ontwikkelen eerstegeneratiestudenten vaak identiteitskapitaal, schrijft Matthys – hij denkt dan aan hard studeren, of een goed reflectievermogen. Waardevolle eigenschappen om jezelf aan te passen aan de nieuwe sociale omgeving. Het helpt eerstegeneratiestudenten om tot een identiteitsvorming te komen die 'past' bij de universiteit, zoals de ambitieuze student. En dat komt goed van pas, want het is een uitdaging die ze vaak zelfstandig moeten aangaan.

Beetje buitenstaander
“In mijn professionele carrière en vriendengroep plaats ik mezelf een beetje als een buitenstaander. Daar haal ik een goed gevoel uit. Ik heb het idee dat ik een brug zou kunnen zijn tussen het platteland en de stad, tussen de boeren en Den Haag, tussen boze burgers die op de PVV stemmen en stedelingen die klimaatdoelen willen behalen.” Net zoals voor meer eerstegeneratiestudenten, zijn Daans ervaringen als eerstegeneratiestudent niet beperkt tot verwarring over waar hij thuishoort, of het gevoel een achterstand te moeten compenseren.

Mettertijd besefte Daan zichdat hij en/en kan zijn: én een jongen uit de Achterhoek, én een student bij zijn vrienden. In het gezelschap van verschillende mensen is hij misschien meer het een dan het ander, maar al die delen dragen bij aan wie Daan is. Door dat besef kan Daan goed ‘code switchen’: hij schakelt gemakkelijk tussen verschillende sociale contexten en houdt zich goed staande. Hij past zich aan zonder zichzelf te verliezen in een “ideaalbeeld” van wie hij moet zijn, en omarmt dat hij in geen enkele wereld compleet thuis is. De kloof overbruggen van het milieu waarin je bent opgegroeid naar de universiteit, is voor Daan een uitdaging die er juist voor zorgt dat hij extra zicht heeft op wie hij is.

Studentencoach
De universiteitscultuur symboliseert voor elke eerstegeneratiestudent andere waarden: een logisch vervolg op de middelbare school, de kans op een goede toekomst, soms een bolwerk van nieuwe, intellectuele ideeën en ongeschreven gedragsregels. De zwaarte die aan de universiteit en academisch opgeleid zijn hangt, verschilt per eerstegeneratiestudent. Sommige eerstegeneratiestudenten, zien de universiteit als een instituut waar jíj je naar moet schikken, niet andersom. En dat legt een druk op, die per eerstegeneratiestudent verschilt

Wat kan de universiteit doen wanneer het thuisgevoel bij eerstegeneratiestudenten ontbreekt? Dat is geen gemakkelijke vraag om te beantwoorden, omdat dé eerstegeneratiestudent niet bestaat. Dat is als vragen wie de student is. Om op de universiteit ruimte te maken voor alle studenten, moeten verschillende verhalen en perspectieven daarom als uitgangspunt worden genomen.

Lotte is nu studentencoach bij Opmaat. Het is een studentencoachprogramma van de Universiteit Utrecht, in het leven geroepen om bij te dragen aan het thuisgevoel van eerstegeneratiestudenten in hun eerste onderwijsjaar. Dat doen ze onder andere door een gemeenschap te vormen van eerstegeneratiestudenten, waar ervaringen worden gedeeld. En dat helpt goed, volgens Lotte. Niet alleen om op een laagdrempelige manier wegwijs te worden aan de universiteit, maar ook om te erkennen dat de overgang naar de universiteit in emotioneel opzicht vrij hard kan zijn. En dat je dus best af en toe een fout mag maken.

De blogs die Malou heeft geschreven voor dit onderzoek bij Studium Generale zijn hier te lezen.

 

Facebook Twitter Whatsapp Mail