De universiteit verzakelijkt

Body: 

Het wezen van de universiteit wordt bedreigd door economisch nutsdenken, schrijft jurist Bald de Vries.

Het hoger onderwijs staat al geruime tijd in de belangstelling. Er wordt in de media lustig gediscussieerd over allerlei incidenten en opeenstapelende bezuinigen. Steeds wordt daarbij voorbijgegaan aan een centrale vraag: waar staat de universiteit eigenlijk voor? Wat is de universiteit eigenlijk? Dat het in de media steeds over ‘hoger onderwijs’ gaat, is tekenend, alsof het alleen daar over gaat.

Vrijplaats
Een eerste antwoord is dat de universiteit een plek is waar studenten, wetenschappers, docenten en ondersteunend personeel samen komen en een gemeenschap vormen. Zij maken allemaal onderdeel uit van een gezamenlijk, voortdurend, project. Studenten richten zich op hun studie, maar daarmee valt het wezen van de universiteit niet samen. Wetenschappers doen er onderzoek, maar ook daarmee valt het wezen van de univer­siteit niet samen.

Het wezen, het gezamenlijke van het project, ligt juist in de synergie tussen onderwijs en onderzoek (en de manier waarop dat beheerd en ondersteund wordt): de universiteit onderwijst wat het onderzoekt en is zo een gemeenschap van studenten en wetenschappers, gericht op het verwerven van kennis en inzicht en de kritische reflectie op die kennis.

Die dynamiek vormt het kloppende hart van de univer­siteit: een gemeenschap verwikkeld in een voortdurend dynamisch proces. Diploma’s, wetenschappelijke artikelen en boeken zijn de resultaten van dit gezamenlijk project (en niet andersom, mocht men dat willen denken).

Deze dynamiek wordt bedreigd door een tendens die de universiteit slechts kan begrij­pen in economisch nutsdenken en leidt tot een ‘verzakelijking’ van de universiteit. Maat­schappelijke activiteiten, waaronder ik het universitaire ook toe reken, worden steeds meer slechts in termen van instrumentele cq. strategische rationaliteit beoor­deeld, in Habermassiaanse zin. Een dergelijke beoordeling vindt plaats in kwantitatieve termen, dat wil zeggen in termen van kosten en baten.

Door deze kwantitatieve benadering van maatschappelijke activiteiten blijft de intrinsieke waarde van die activiteiten, voor zowel organisaties als de maatschappij als geheel, buiten beeld. De zegetocht van het neoliberale kapitalisme als dominante economische modus heeft deze verzakelijking in een stroomversnelling doen belanden en laten radicaliseren en leidt tot een verdere erosie van de intrinsieke waarde van die activiteiten.

De dynamiek is er juist bij gebaat als de gemeenschap een vrijplaats is en blijft; waar de leden in vrije interactie tot elkaar staan, kun­nen experimenteren, fouten mogen maken, daarvan kunnen leren en opnieuw mogen beginnen. Het vereist wellicht een afstan­delijke houding, maatschappelijk, maar dit betekent niet dat de universiteit zich buiten de maatschappij plaatst. Juist niet. Immers, studenten en wetenschappers staan er middenin en stellen vragen en zoeken naar ant­woorden die van betekenis zijn voor de maatschappij, al zijn die misschien niet direct zichtbaar. Dit is in de natuur- en wiskunde niet anders dan bij economie, rechten of psychologie. Het is het nut van ‘nutteloos’ onderzoek, om met Robbert Dijkgraaf te spreken, dat wordt bedreigd.

De ideale student
Het economisch nutsdenken steekt ook de kop op bij de specifieke vraag naar de positie van de student. Studeren wordt kostbaarder door onder meer hogere collegegelden, de uitholling van de studiefinanciering en de perverse langstudeerboete. Daarnaast worden er studies afgeschaft of in een knellend keurslijf gegoten dat weinig ruimte laat voor keuze en vrij denken.

De discussie over de financiering van het hoger onderwijs is zeker op zijn plaats maar die discussie negeert de centrale vraag: wat willen wij dat studenten bereiken met hun studie? Wat is die ideale student en, in het verlengde ervan, hoe zit de ideale studie eruit? Wat is academische vorming? Het is wellicht een open deur. Misschien heeft die deur te lang opengestaan dat we de deur überhaupt niet meer zagen, maar het samenspel van parate kennis, inzicht en kritische reflectie is het fundament van elke studie en dus ook de ideale student (naast specifieke vakgerelateerde vaardig­heden) omdat het de creativiteit aanboort die de drijfveer is achter de dynamiek van de universitaire gemeenschap.

Parate kennis vormt de bouwsteen: de concepten, theorieën, leerstuk­ken, begrippen, noties en jargon waarvan elke studie zich van bedient, behoren onder­deel te zijn van de intellectuele gereedschapskist van elke student. Deze kennis stelt de student in staat het vakgebied te doorgronden. Maar kennis alleen is niet voldoende. Het zou betekenen dat studenten slechts een trucje kunnen op basis van bestaande kennis.

Er moet ook het inzicht zijn dat kennis altijd onvolledig en beperkt is en betwijfeld kan worden, én dat kritische reflectie op die kennis weer bijdraagt aan de ontwikkeling van kennis en nieuwe inzichten. Een goede student begrijpt dat er niet één definitief ant­woord op alle vragen is, er niet één oplossing voor alle problemen bestaat en er niet één weg naar een oplossing is. Die student heeft daarom een open en onderzoekende houding.

Dit zogenaam­de ‘gebrek’ aan kennis en zekerheid is niet een beperking maar een principiële mogelijk­heid om te ontdekken. Creativiteit is daarmee een van de belangrijkste doelen voor studenten en inzetbaar op vele gebieden: ondernemen, wetenschap beoefenen, politiek bedrijven, leiding geven, verantwoordelijkheid nemen, etcetera.

Om zo te kunnen studeren is een groot voorrecht waarmee de student zijn of haar eigen leven kan invullen en carrièrekeuzes kan maken. Met dit voorrecht komt ook het besef van verantwoordelijkheid. Deze verantwoordelijkheid richt zich natuurlijk op de eigen studie en in het verlengde ervan op de instandhouding van en het bijdragen aan de kwaliteit van de dynamische gemeenschap waarvan de student deel uitmaakt.

Maar ook buiten de universiteit, na het afstuderen, mag worden verwacht dat de student, met de opgedane kennis en inzichten, in welke rol die hij of zij ook vervult, een maatschappelijk engagement tentoonspreidt. Verantwoordelijkheid betekent ook dat er stelling genomen wordt wanneer de omstandigheden daarom vragen.

De ideale docent?
Het is een student die mij er eerder op wees en door mijn eigen zelf­genoegzaamheid dacht ik er niet aan, terwijl ik er dagelijks mee bezig ben: wat is dan de ideale docent? Wat mag van haar of hem worden verwacht in de gemeenschap van vrij denken? Als docenten denken we vaak dat wij de wijsheid in pacht hebben en dit ver­taalt zich vaak in een vorm van excessieve controle over een curriculum of vak, gedre­ven door colleges en informatievoorziening; ex cathedra (zoals nu) zonder inter­actie op een enkele vraag na.

Hoe creatief zijn wij in de opdracht tot academische vorming? Dit vereist een reflexieve houding; zelfobservatie en zelfkritiek en er vervolgens naar han­delen. Ik vertaal dit voor mijzelf in het durven loslaten van controle; de onzekerheid opzoeken en studenten daarmee laten experimenteren.

De mooiste werkgroep is er één waarin ik niks zeg maar tot stand komt op basis van zelforganisatie van studenten die debatteren over een fundamentele tekst bijvoorbeeld. Maar ook docenten voelen zich steeds meer geperst in het keurslijf van rendementen, eindtermen en toenemende onderwijslast en, in mijn geval, het schrappen van vakken waarvan het zogenaamde directe nut niet aantoonbaar is. Het maakt ook het vertalen van ons onderzoek naar het onderwijs lastig zo niet onmogelijk (als we al aan onderzoek mogen toekomen).

Verzet
Goed beschouwd creëert de universiteit (en zijn financiers) vandaag de dag niet de voorwaarden die studenten en docenten in staat stellen tot creativiteit. Het is ook maar de vraag of er nog wel van een gemeenschap kan worden gesproken (en wie daar nog in gelooft).

Dit is zonder meer zichtbaar in het onderscheid tussen onderzoek en onder­wijs. We hebben het over ‘hoger onderwijs’ en ‘wetenschap’ als gescheiden grootheden, binnen en buiten de universiteit. Daarnaast leidt de instrumentalisering van de univer­siteit tot verdere verschraling van die gemeenschap. De universiteit is niet in staat tot zelfreflectie maar geeft zich over aan de maalstroom van het marktdenken, aan de eisen van het NVAO, het NWO, het ministerie, commerciële ‘partners’, etc. Om in de woorden van Willke te spreken: “de universiteit is een domme organisatie waar slimme mensen werken”.

De gemeenschap verzet zich niet en biedt geen weerstand. Het ontbreekt de universiteit aan eigenheid, eigenwijsheid en eigenaardigheid. In plaats daarvan regeert de angst. De angst om niet te voldoen aan bepaalde exogene eisen en zo budget kwijt te raken; de angst onder studenten om straks niet te voldoen aan eisen die werkgevers stellen; de angst van onderzoekers die niet durven te doen wat ze echt willen maar doen wat gedicteerd wordt door subsidiebronnen en zich slechts richten op toegepast onderzoek en niet fundamenteel onderzoek. Met die angst gaat een behoefte naar controle gepaard, die zorgt voor starheid bij universiteitsbesturen. Dit is fnuikend voor de creativiteit en de raison d’etre van de universiteit. Vertrouwen heeft plaats gemaakt voor wantrouwen.

Er is al veel gewonnen wanneer de angst doorbroken kan worden. Dit vergt moed. Het is tijd om de maatschappij, de politiek, een ‘lesje’ te leren; dat de universiteit méér is dan een leerfabriek ten behoeve van het bedrijfsleven en public management, en meer is dan een motor van econo­mische vooruitgang. Er is meer dan economie alleen. Student en docent, sta op en laat van je horen.

Hora est!

Facebook Twitter Whatsapp Mail