Een operatie op een hond in de dierenkliniek in 2018, foto Bas Niemans

Dierenartsen moesten lange tijd knokken voor hun plek in de maatschappij

Body: 

De eerste afgestudeerde dierenartsen kwamen nauwelijks aan de bak. Ongeschoolde concurrenten die in de praktijk hadden geleerd zieke dieren te behandelen, kregen de voorkeur. Later moesten ze opboksen tegen het betere imago van artsen met mensen als patiënt. Maar nu, 200 jaar na de oprichting van de Rijksveeartsenijschool en enkele besmettelijke ziektes verder, lijkt die strijd al weer lang geleden.

Read in English

De laatste decennia is de enige universitaire opleiding tot dierenarts in Nederland populairder dan ooit. Jaarlijks moet de opleiding nee verkopen aan honderden belangstellenden die hopen op één van de 225 beschikbare plekken. Na afstuderen vindt iedereen wel een baan en nu Covid-19 speelt, wordt dankbaar gebruik gemaakt van de kennis van diergeneeskundigen. Het imago kan bijna niet beter.

Dat was ruim tweehonderd jaar geleden wel anders. Wie toen een opleiding tot veearts wilde volgen, moest hiervoor naar het buitenland. In Nederland was er vanaf 1821 de Rijksveerartsemijschool wat begon als “een soort van veredelde mbo opleiding”, zegt Peter Koolmees, emeritus hoogleraar in de Geschiedenis en Maatschappelijke Context van de Diergeneeskunde. Er werd voor Utrecht gekozen omdat de universiteit er al zat en – zo was het idee – de universitaire docenten konden gaan lesgeven aan de toekomstige veeartsen.

Peter Koolmees, foto Onno van der Veen

De eerste afgestudeerden van de Rijksveeartsenijschool die aan het werk wilden, werden niet met open armen ontvangen op de boerderij. De werkgelegenheid was omstreeks 1850 zelfs zo slecht dat het rijk overwoog de school maar weer te sluiten omdat er zich geen nieuwe studenten aanmeldden. Het was dat er een heel nare ziekte opdook die juist deze boekenwijzen wisten te beteugelen, dat het imago van de geschoolde dierenarts verbeterde. De school kon blijven bestaan.

De groei van waardering voor diergeneeskundigen heeft in de afgelopen twee eeuwen vaak een link gehad met een nare ziekte. Net als in het huidige tijdsgewricht. “Ja, het is een interessante tijd voor de diergeneeskunde”, zegt Koolmees. De emeritus hoogleraar kan de ziektes zo benoemen die het imago van dierenarts een boost hebben gegeven: in de 19de eeuw was het de runderpest, in de 20ste eeuw tuberculose, salmonella en BSE ofwel de gekke koeienziekte, in de 21ste eeuw met name vogelgriep, Q-koorts en Covid-19. “Wat betreft die laatste twee: diergeneeskundigen waarschuwden al lang voor ziektes die kunnen overspringen van dier op mens, de zogeheten Zoönosen, maar de aandacht die zij kregen, was gering.”

Een University College Utrecht avant la lettre

Het was Alexander Numan die wordt aangewezen als de grondlegger van de wetenschappelijke beroepsopleiding voor diergeneeskunde. Numan was in Groningen opgeleid tot huisarts en verdiende de kost als plattelandsdokter. Hij interesseerde zich in landbouw en veeteelt en was – in retrospectief – zijn tijd ver vooruit, zegt Koolmees in zijn oratie van 2007. Een wetenschappelijke opleiding was nodig, beargumenteerde Numan, vanwege het nut voor de samenleving en de ontwikkeling van de vergelijkende geneeskunde. Hoewel Numan besefte dat hiertegen veel weerstand zou ontstaan, vanwege de lage status van de diergeneeskunde destijds, zei hij dat de wetenschap nodig was om de veehouderij te verbeteren.

Voor de opleiding kocht het Rijk een failliete katoendrukkerij op het terrein van de buitenplaats Gildestein, zegt Koolmees. Dat stond in het groen, buiten de stad. “Vanaf dit Poortgebouw keek je zo naar de Bilt.” De plattelandsdokter werd aangetrokken als hoogleraar en de eerste groep van 24 jongemannen meldden zich aan als student. Zij kregen niet alleen al hun onderwijs in het Poortgebouw, maar woonden er ook “een University College Utrecht avant la lettre”. Dat model was afgekeken van de Fransen die in 1762 de allereerste veeartsenijschool hadden opgericht in Lyon. Er was een soort van huismeester die de studenten manieren moest bijbrengen en behalve vakken om veearts te worden, kregen de ze ook les in netjes praten en een cijfer voor vlijt en gedrag.

Groepsportret onderwijs in de snijzaal rond 1878, foto uit de collectie van het Universiteitsmuseum Utrecht

Het onderwijs leunde die eerste jaren met name op mondelinge kennisoverdracht van de docent op de student, er waren nauwelijks leerboeken om op terug te vallen. Anatomie bijvoorbeeld werd geleerd door het ontleden van kadavers. “In de kelder van het Poortgebouw”, vertelt Koolmees. Hygiëne had toen een heel andere betekenis: “Naast het pand liep het riviertje de Biltse Grift en wat over was van een kadaver werd hup door een luikje het water in gemieterd.”

De studenten leerden ook hun eigen geneesmiddelen maken. Daarvoor was een stuk tuin van de directeur aangewezen als medicinale kruidentuin. De studenten moesten de verschillende kruiden en hun werking leren kennen en moesten daarvan geneesmiddelen maken. 

Kwade droes bij paarden en rabiës bij honden en katten

Eenmaal afgestudeerd hadden de eerste lichtingen studenten het niet gemakkelijk. Ze moesten opboksen tegen zo’n zes- tot zevenhonderd “koehelpers, paardendokters, schaapherders, hoefsmeden en vrouwen die goed waren in verloskunde en kwakzalvers”, zegt Koolmees. “Zij waren in de praktijk gevormd. Deze ‘empiristen’ hadden al een positie verkregen onder boeren en de meerwaarde van de studenten met hun theoretische kennis die zich rijksveeartsen noemden, werd niet gezien.” Doordat de afgestudeerden nauwelijks voet aan de grond kregen, bleven nieuwe studenten uit.

De regering overwoog de opleiding op te heffen. Dat terwijl het onderzoek van de school al had geleid tot nieuwe inzichten in de volksgezondheid. Zo werd in de jaren 1850-1860 parasitaire ziektes in kaart gebracht. Deze werden veroorzaakt door bijvoorbeeld lintwormen. Toen werd duidelijk dat die wormen via het eten van vlees ook in mensen terecht konden komen waardoor ook zij ziek konden worden. Maar er moest iets veel ergers gebeuren om de opleiding te redden, zegt Koolmees.

“Net als in 1813 brak in 1865 opnieuw veepest uit. Een enorm besmettelijke ziekte die zich door heel West-Europa verspreidde. De geschoolde veeartsen kwamen met maatregelen die vandaag de dag geen uitleg behoeven. “Het vee ging in quarantaine, er kwam een verbod op veevervoer en veemarkten en besmet vee werd geruimd.” Tegen het einde van de 19de eeuw waren er verschillende vaccins  ontwikkeld om besmettelijke ziekten te bestrijden. “Hondsdolheid bijvoorbeeld, vlekziekte bij varkens, pokken bij schapen et cetera.” Daardoor steeg het aanzien van de opgeleide veearts. Die lui in Utrecht weten toch iets meer dan de mensen die gevormd zijn in de praktijk”, verwoordt Koolmees de gedachte.

De belangstelling voor de opleiding nam weer toe en de studenten gingen op kamers in de stad. Het Poortgebouw werd te klein en er moesten dus nieuwe gebouwen bijkomen in het groen tussen wat nu de Biltstraat en de Poortstraat in de wijk Wittevrouwen is. Het onderwijs en onderzoek richtte zich nog steeds met name op vee, paarden en honden die in die tijd hadden in dienst van de mens, stonden om bijvoorbeeld de kar of de ploeg te trekken. “Kwade droes bij paarden en rabiës bij honden en katten vormden grote problemen.” Vanaf 1900 huisdieren werden steeds vaker kleine dieren als gezelschapsdier gehouden.

“In 1910 gingen de veeartsen zich dierenartsen noemen en hadden inmiddels een stevige positie in de Nederlandse samenleving verworven.” In 1918 kreeg de Rijksveeartsenijschool een andere status. Het werd een hogeschool en kreeg promotierecht. Pas in 1925 werd het als faculteit Diergeneeskunde toegevoegd aan de Rijksuniversiteit Utrecht en meldde de eerste vrouw zich als student: Jeannette Voet. Vrouwen zo was tot haar komst het idee, waren op zijn minst niet sterk genoeg, maar Voet – die na haar huwelijk Donker-Voet werd - bewees het tegendeel. Haar komst zorgde ook voor een verfijning van omgangsvormen van de mannen en dat, zo concludeerde de opleiding, was eigenlijk wel een positieve verandering.

Analisten of onderzoekers van Diergeneeskunde, foto van Cas Oorthuis in bezit van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde, KNMvD

Het fenomeen manegemeisjes heeft de afdeling paard nieuw leven ingeblazen

De tijd na de Tweede Wereldoorlog nam de faculteit haar opleiding kritisch onder de loep. De industrialisatie zorgde er voor dat paarden werden vervangen door tractoren waardoor het aantal paarden in Nederland drastisch afnam. De opleiding was echter nog steeds heel gefocust op deze dieren. Ook het boerenbedrijf veranderde in de jaren 60 van de vorige eeuw door schaalvergroting en intensivering van de veestapel. Bovendien kregen veel Nederlanders toen een vrije zaterdag en was het houden van een huisdier niet langer voorbehouden aan welgestelden, zegt Koolmees. De discussie in de faculteit over de rol van het paard in de opleiding was nog gaande, toen in de jaren 70 ook het paard een gezelschapsdier werd. “Het fenomeen manegemeisjes heeft de afdeling paard nieuw leven ingeblazen.”

In diezelfde tijd nam het aantal studenten voor de faculteit toe. “In de jaren 60 kregen we ineens 280 aanmeldingen.” Ook onder vrouwen groeide de belangstelling om dierenarts te worden. Van een door mannen overheerste opleiding, zijn de vrouwen nu in aantal oppermachtig. Doorgroeien op het Veeartsenijterrein en net daarbuiten werd niet meer als reële optie gezien. In de ruim honderd jaar dat de opleiding bestond, was ook de stad dichterbij gekomen. Vanaf de jaren 30 begonnen buurtbewoners te klagen over de herrie en mestgeur die van het terrein afkwamen. “Boeren kwamen in alle vroegte met loeiende koeien om ze te laten onderzoeken.”

Operatie op een hond bij Diergeneeskunde rond 1938, collectie Universiteitsmuseum Utrechtr

De universiteit had toen al twee gebouwen in de Johannapolder - het huidige Utrecht Science Park – staan: het Ruppert- en het Van Unnikgebouw. Voor diergeneeskunde werden op enige afstand van deze twee onderwijsgebouwen klinieken gebouwd. “In 1968 gingen die als eerste.” De laatste medewerkers en studenten van Diergeneeskunde vertrokken in 1988 uit Wittevrouwen. “Toen ik in 1973 bij Diergeneeskunde kwam werken begon ik in De Uithof, maar na een paar jaar werd ik overgeplaatst naar het Veeartsenijterrein. Dat was echt veel leuker. In de polder was het stil en de gebouwen waren niet echt bijzonder. Ik zat dan wel niet in een heel mooi gebouw – het is later ook afgebroken om plaats te maken voor woningen – maar het was er wel veel sfeervoller.”

Daarom is dokter Poll ook niet meer zo’n goed voorbeeld

In De Uithof kreeg Diergeneeskunde de kans om verder uit te breiden. Behalve het onderwijs en de klinieken waar boeren, paardenbezitters en eigenaren van huisdieren terecht kunnen voor medische hoogstandjes, is er ook onderwijsboerderij De Tolakker voor de studenten gekomen om zo van dichtbij te zien hoe een boerenbedrijf werkt. Verder wordt er ook veel samengewerkt met medici en wetenschappers van andere disciplines om de gezondheid van mens, dier en milieu te verbeteren onder de noemer One Health.

Wie nog twijfelde aan het nut van diergeneeskundigen hoeft maar te denken aan deze coronacrisis. Maar ook het gedachtegoed van Numan is weer heel actueel. Het houden van dieren voor menselijke consumptie en daarna de enorme schaalvergroting heeft inderdaad gezorgd voor het verspreiden van ziektes in een veestapel en van bedrijf naar bedrijf. En in plaats van de focus op het genezen, maakte diergeneeskunde meer en meer de draai naar dierenwelzijn en het voorkomen van ziektes. De tijd dat dierenartsen niet volwaardig meetelden in de medische wereld, ligt alweer enige tijd achter ons, zegt Koolmees. “Daarom wordt dokter Poll ook niet meer zo’n goed voorbeeld gevonden voor hoe onze studenten worden opgeleid. Als een dier met pijn bij de dierenarts komt, wordt nu eerst aan pijnbestrijding gedaan voordat de behandeling begint. Dokter Poll is meer een soort dierenmonteur. Zijn manier van werken wordt in Nederland nu echt als achterhaald beschouwd.”

Kijkend naar de toekomst ziet Koolmees nieuwe veranderingen opdoemen. De relatie tussen mensen en dieren is veranderd en dierenrechten spelen de laatste jaren steeds vaker een rol in discussies over diergezondheid en welzijn. Door de toegenomen kennis over ziektes en het bestrijden daarvan en de voortschrijdende techniek waardoor bijvoorbeeld ook dieren kunstheupen kunnen krijgen, rijst ook de vraag of dierenartsen tegemoet moeten komen aan alle wensen van eigenaren, zegt Koolmees. Daarnaast speelt de maatschappelijke discussie over dieren in natuurgebieden, het circus, de dierentuin, over paardensport en bijvoorbeeld het houden van vogels in een kooi. De discussies gaan ook niet aan faculteit voorbij en zal nieuwe uitdagingen opleveren, zegt de emeritus hoogleraar. “De invloed van de snel veranderende mens-dier relatie op de diergeneeskunde zal genoeg stof voor toekomstig onderzoek opleveren.”

Facebook Twitter Whatsapp Mail