Buys-Ballotgebouw met ventilatiesysteem. Foto DUB

'De universiteit biedt te weinig bescherming bij terugkeer in collegezaal'

Body: 

Dat onderwijs op locatie nu mogelijk is met nauwelijks enige beschermende maatregelen, maakt het nog niet per se ethisch of verantwoord om ertoe over te gaan. De universiteiten zouden hun studenten en medewerkers beter moeten beschermen. Dat vinden Karin van Es en Tim de Winkel, docent en promovendus bij Media en Cultuur. Als voorbeeld noemen ze de slechte manier waarop de UU ventilatie in de gebouwen monitort.

Read in English

Universiteiten hebben een wettelijke en morele verantwoordelijkheid tegenover hun studenten en personeel om ze een veilige leer- en werkomgeving te bieden. Maar in de Covid-19-pandemie manifesteren zij zich veeleer als een doorgeefluik van de Nederlandse politiek, en volgen daarmee electorale in plaats van volksgezondheids- en wetenschappelijke overwegingen. Hoewel inspanningen om onderwijs op locatie te faciliteren moeten worden toegejuicht, zijn de omstandigheden waarin studenten en personeel momenteel geacht worden te leren en te onderwijzen - zonder het dragen van maskers in de klas, zonder fysieke afstand en zonder test- of vaccinatieverplichting - verontrustend. Op dezelfde manier als de universiteiten ruim een jaar geleden abrupt hun deuren sloten, met weinig oog voor de geestelijke gezondheid van studenten en personeel, gaan ze nu weer open. De Nederlandse universiteiten volgen een demissionaire regering die een crisis beheert op basis van lobby en de publieke opinie, in plaats van consistent beleid, democratische processen en wetenschappelijke expertise. Bij het herinvoeren van onderwijs op locatie heeft de regering het advies van medische instellingen en onafhankelijk deskundigen en wetenschappers schaamteloos in de wind geslagen.

Nee, de pandemie is nog niet voorbij
Door eind september bijna alle Covid-19-maatregelen in te trekken, waagt de regering nogmaals een gok. Vaccinatie vermindert weliswaar drastisch het risico op ziekenhuisopname, maar voorkomt geen besmetting of overdracht. Bovendien zijn de duur van de bescherming en het effect van vaccins op het ontwikkelen van ziekte op de lange termijn, nog niet bekend - hoewel de eerste studies verontrustend zijn. En laten we niet voorbijgaan aan het feit dat de vaccinatiegraad bij sommige bevolkingsgroepen relatief laag blijft, en bij andere minder effectief is gebleken. Dat onderwijs op locatie nu mogelijk is met nauwelijks enige beschermende maatregelen, maakt het nog niet per se ethisch of verantwoord om ertoe over te gaan.

In het licht van deze omstandigheden biedt onze eigen afdeling, Media- en Cultuurwetenschappen, ruimte voor docenten om zelf op creatieve wijze de risico's te minimaliseren (bijvoorbeeld door klassen van 25 studenten te halveren). Maar je moet dat wel durven bepleiten en in de praktijk vinden vooral docenten met een tijdelijke aanstelling dat risicovol. Bovendien kost zo’n oplossing meer tijd, waardoor burn-outgevaar op de loer ligt. In zo’n geval gaat het om een kleinschalige, individuele actie. Gezonde leer- en onderwijsomstandigheden zouden geen kwestie van persoonlijke keuze mogen zijn, aangezien zij ons allen aangaan - ook mensen buiten de universiteit.

Verantwoordelijkheid nemen voor ventilatie
Ventilatie is een goed startpunt om na te denken over waar de Universiteit Utrecht meer verantwoordelijkheid kan nemen. Omdat Covid-19 zich via aërosolen kan verspreiden, wordt goede ventilatie gezien als een belangrijke maatregel om het risico op overdracht te beperken. In Nederland heeft demissionair minister-president Mark Rutte pas na druk van onder andere oppositiepartijen en een open brief van 20 wetenschappers in juli 2021 ventilatie als Covid-maatregel ingevoerd. Het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) heeft een ventilatiebeleid geformuleerd, gebaseerd op bestaande wettelijke eisen uit het Bouwbesluit 2012. De Universiteit Utrecht heeft medewerkers en studenten verzekerd dat de ventilatie in haar gebouwen aan deze normen voldoet. Het genoemde besluit garandeert echter slechts dat mensen er onder 'normale' omstandigheden niet ziek worden. Deskundigen (bijvoorbeeld bij de TU Delft) vinden het een absoluut minimum, en stellen dat het Bouwbesluit nooit het voorkomen van infecties als Covid-19 voor ogen heeft gehad. Waarom hebben Nederlandse universiteiten tot nu toe niet eens onderzocht of er aanvullende maatregelen op de RIVM-richtlijnen nodig zijn, of eigen coronarichtlijnen geformuleerd op basis van advies van deskundigen?

Een onveilig gevoel op het werk
Het personeel van de universiteiten heeft in ieder geval zijn bezorgdheid al geuit. Dat is niet verwonderlijk, aangezien zij soms vele uren achtereen les moeten geven in overvolle klaslokalen, waar de ramen niet altijd open kunnen. In een enquête onder 2500 leden van het onderwijzend personeel in het voortgezet en hoger onderwijs stelde de Algemene Onderwijsbond (AoB) vast dat een overweldigende meerderheid zich onveilig voelt op het werk - vooral door onzekerheid over de ventilatie. Om hen te informeren, formuleerde de bond een ventilatiehandreiking. In navolging van het advies van veel deskundigen adviseert de AoB het gebruik van CO2-monitoren. Deze monitoren, die verplicht zijn in veel openbare gelegenheden in België, meten het CO2-niveau en dienen als een indicatie van het risico op overdracht, aangezien besmette mensen het virus in de lucht uitademen samen met CO2.

De zalen van de Universiteit Utrecht hebben geen CO2-monitoren die zichtbaar zijn voor het publiek. De draagbare Aranet4 CO2-monitoren die wij zelf in de eerste week van ons onderwijs in de klas hebben meegenomen, registreerden echter waarden die varieerden van ongeveer 650 ppm tot 1358 ppm - waarbij de laatste ruim boven de drempelwaarde zit van 1200 ppm in het ventilatievoorschrift, gebaseerd op het RIVM-advies. Een collega aan de Universiteit van Amsterdam registreerde 1677 ppm in haar klaslokaal en beëindigde daarom voortijdig haar les. Dat is zorgelijk.

Zelfs los van de vraag of universiteiten extra maatregelen hadden kunnen of moeten nemen om studenten en personeel te beschermen, hadden zij beter moeten nadenken over de wijze waarop ze de bestaande richtlijnen implementeren. Als instellingen die pretenderen tot de internationale voorhoede van de wetenschappelijke praktijk te behoren, zouden zij zich aan de normen van deze praktijk moeten houden en hun beleid moeten baseren op aantoonbaar bewijs.

CO2-monitoren en openbare discussie
Hoewel CO2-monitoren de best beschikbare indicator zijn voor ventilatiekwaliteit, zijn ze geen wondermiddel. In een KNAW-webinar in maart wees hoogleraar Milieutechniek voor Gebouwen Cath Noakes (Universiteit van Leeds) erop, dat hoewel CO2-gehalte een goede proxy-waarde is, die toch met de nodige voorzichtigheid moet worden gebruikt. De waarden die we meten zijn immers afhankelijk van een groot aantal variabelen (het soort activiteit in een bepaalde ruimte, de gebruikte meters en de nauwkeurigheid daarvan, hoe goed de lucht in een ruimte wordt vermengd, enzovoort). Noakes wijst er ook op dat er nog geen consensus bestaat over wat een veilige waarde is.

Daarom, zo stelt ze, is er een publieke discussie nodig over hoe CO2-metingen en ventilatienormen kunnen bijdragen aan het creëren van veilige leef-, werk- en leeromgevingen. Om aan deze discussie bij te dragen, organiseren wij een workshop waarin we CO2-monitoren bouwen met Arduino (een prototypingplatform), om na te denken over ventilatie in de context van Covid-19.

De workshop Covid-19, ventilation norms & measuring CO2 vindt plaats op 28 september van 13.15 - 15.45. Kijk hier voor meer info

Facebook Twitter Whatsapp Mail