Hoogleraar Public Engagement wil dat UU alle banden met fossiele industrie verbreekt

Erik van Sebille: ‘Alles is framing, daar moeten wetenschappers zich meer van bewust worden’

Erik van Sebille hoogleraar Public Engagement foto DUB

Van Sebille kreeg veel aandacht en bewondering voor zijn oratie in het voorjaar. Hij vertelde hoe hij het te kwaad kreeg toen hij alle klimaatproblemen opsomde tijdens een college en hield een warm pleidooi voor meer samenwerking tussen het publiek en de wetenschap. Zijn oratie was ook bijzonder omdat hij de eerste hoogleraar Public Engagement is aan de Universiteit Utrecht. “Ik ben oceanograaf en klimaatfysicus en houdt me daarnaast bezig met de vraag hoe je als wetenschapper in de samenleving moet staan. Toen ik de vraag kreeg voorgelegd of ik hoogleraar Public Engagement wilde worden, zag ik dat als een enorme kans. Tenminste als ik het kon combineren met mijn werk als oceanograaf. Dat kon. En nu ben ik hoogleraar waarbij ik voor 80 procent betrokken ben bij het Imau, Instituut voor Marine en Atmosferisch Onderzoek en voor 20 procent geef ik leiding aan de groep van het Freudenthal Instituut die gaat over wetenschapscommunicatie.”

Binnen de wetenschapscommunicatie is Van Sebille vooral bezig met het uitleggen waarom onderzoek gedaan wordt en waarom het belangrijk is. Het vertrouwen in zijn vakgebied, het klimaat, is niet bij iedereen even groot. Universiteiten worden wel eens gezien als één grote linkse kerk en de wetenschappers als activisten die het grote publiek doemscenario’s voorspiegelen en eigenlijk willen dat niemand meer gaat vliegen of vlees eet?

“Ik vind het belangrijk dat we als wetenschappers vertellen hoe de wetenschap werkt. Wat is het proces? Als niet iedereen het over de uitkomst van een onderzoek eens is, vertel dat dan. Wees realistisch en geef inzichten. Maar er zijn ook zaken waar wel consensus over bestaat. Al mijn collega’s zijn ervan overtuigd dat het klimaat verandert is en dat dat grote gevolgen heeft. Dat kun je ook aangeven. Wetenschap is geen individuele mening. Naomi Oreskes schreef het interessante boek Why trust science waarin zij stelt dat wetenschap voortdurend in ontwikkeling is.”

Alleen werkt dat in de praktijk niet altijd zo. Dat komt volgens Van Sebille onder meer door de media die de neiging hebben om nieuws te framen in een bepaalde richting, waardoor een onderzoek soms meer lading krijgt dan de wetenschapper wil. Van Sebille maakte dat een paar weken geleden zelf mee. Hij stond opeens midden in het nieuws. Cameraploegen van de NOS en RTL kwamen elkaar tegen op de gang van het Buys Ballot Gebouw. Allemaal wilden ze een interview met hem en zijn promovendus Mikael Kaandorp. De twee hadden namelijk ontdekt dat er in de oceanen minder plastic afval zit dan tot nu toe gedacht. Een meevaller dus. Vraag was alleen hoeveel minder. De NOS koos voor een teruggang van 50 miljoen ton naar 3,2 miljoen.  De Duitse media interpreteerden het onderzoek heel anders: zij schreven dat er meer plastic afval in de oceanen dreef dan gedacht.

“Probleem was dat we met dit onderzoek voor het eerst echt hadden onderzocht hoeveel afval in de oceanen drijft. Je kon dat daarom moeilijk tegen iets afzetten. Voor het Nederlandse persbericht kozen we ervoor om de vergelijking te maken met eerdere schattingen, die veel hoger waren. En constateerden we dus dat er minder afval was dan eerder werd aangenomen. Je merkt dat het dan meteen wordt geframed in ‘meer’ of ‘minder’ plastic afval in de oceanen. Het werd gebracht dat er nu minder plastic afval zou zijn dan eerder en dat het beter zou gaan met de oceanen. Dat klopte natuurlijk niet. Er waren gewoon geen eerdere gegevens. Het onderzoek wees uit dat als je echt nauwkeurig meet er minder afval was dan bijvoorbeeld de Verenigde Naties eerder hadden vermoed. Maar dat was geen echt onderzoek. In Duitsland hadden de media het nieuws opgepakt om aan te tonen dat plastic afval echt een groot probleem is voor de oceanen. ”

Het voorval typeert dat wetenschappers zich ervan bewust moeten zijn hoe ze de informatie de wereld in brengen. Zoals Van Sebille zelf dus. “Ik kreeg telefoontjes uit de hele wereld hoe het nu zat. Sommige milieuorganisaties vonden het slecht dat we de boodschap brachten dat het allemaal wel meeviel. Voor mij werd duidelijk dat je je bewust moet zijn hoe het nieuws geframed kan worden. Als het over het klimaat gaat, moeten we duidelijk maken dat de situatie zorgelijk is en laten zien wat er gebeurt als we niet ingrijpen. Maar je moet ook aangeven wat er al gedaan wordt. Er is sinds het Kyoto-protocol uit 1997 waarin afspraken zijn gemaakt om klimaatverandering tegen te gaan, al heel veel CO2 uitstoot voorkomen; we zijn had bezig in de energie-transitie. Het is niet alleen slecht nieuws.”

Erik van Sebille foto DUB

Van Sebille gelooft niet dat we afkoersen op de ondergang. Sommige transities gaan sneller dan verwacht. Andere ontwikkelingen verlopen trager dan gehoopt. “Er is echt al veel gebeurd. Kijk bijvoorbeeld naar de groei van de zonne- en windenergie. Maar we moeten ons ervan bewust zijn dat we niet op dezelfde voet verder kunnen. Klimaatverandering is van alle tijden. In het verleden paste de omgeving zich geleidelijk aan. Door het intensieve gebruik van de aarde door de mensen zijn de veranderingen in een sneltrein vaart gekomen, waardoor het ons niet lukt om ons aan de omgeving aan te passen. Als het water in Nederland zou stijgen, moeten we dan allemaal verhuizen naar Duitsland? En hoe zit het met de toenemende opwarming in Afrika? Een deel van de wereld zal onbewoonbaar zijn. Logisch dat die groep dan naar Europa komt. Het blijft zaak dat we als wetenschappers de druk op de ketel blijven houden. Toch heb ik er vertrouwen in dat het nog niet te laat is en dat we nog veel kunnen bereiken.”

Klimaatmaatregelen zullen pijn doen, weet Van Sebille. Voor een deel van de mensen is zo’n verre toekomst moeilijk voor te stellen. Vaak verschuift de aandacht van de politiek dan weer weg van het klimaat. Maar ook andere belangrijke problemen van dit moment, zoals armoede of migratie zijn niet los te zien van de klimaatproblematiek, denkt hij. “De afgelopen tien jaar ben ik steeds meer tot het inzicht gekomen dat alles met elkaar samenhangt. Je kunt het klimaatbeleid niet isoleren van de aanpak van armoede of het voorkomen van migratie. Er moeten veel meer dwarsverbanden gezocht worden. Daarom pleit ik voor interdisciplinair onderzoek. Als klimaatfysicus kan ik aangeven welke problemen we gaan tegenkomen, maar ik heb geen kant-en-klare oplossingen. Vanuit de economie kunnen wel suggesties komen voort een nieuwe benadering van de welvaart die zowel de armoede probeert op te lossen als klimaatvriendelijk is. Maar ook sociale wetenschappers, geesteswetenschappers en medische onderzoekers zijn belangrijk om daarbij te betrekken. Hoe motiveer je mensen om tot verandering te komen? In Delft heb je de technopositieven. Die zetten in op knappe koppen met een technologische oplossing. Ook goed, maar je moet het hele systeem erbij betrekken.”

Het zijn vooral jongeren die zich zorgen maken over hun toekomst. In het Minnaertgebouw was dit voorjaar een bezetting waarbij de studenten eisen stelden aan de universiteit om de klimaatcrisis serieuzer te nemen. Zij zou moeten spreken van klimaatnoodtoestand. En als universiteit breken met de fossiele industrie.

“Ik snap de studenten goed. Zij maken zich zorgen. Als wetenschapper zal ik niet snel op een snelweg gaan zitten, maar ik maak me ook zorgen. Ik heb hier in mijn werkkamer ook een bord staan met de tekst: prof strike for climate. Maar om gezag te hebben in de samenleving zul je je oog op de bal moeten houden, je geloofwaardigheid behouden door met evidence based onderzoek te komen en zo de druk op de ketel houden.”

De groep End Fossil: Occupy eiste van de universiteit dat zij de banden verbreekt met de fossiele industrie. Er zijn wetenschappers die zeggen dat samenwerking met de fossiele industrie nodig is om de transitie te realiseren. De UU heeft in een recente verklaring gezegd dat samenwerking met de fossiele industrie alleen mag, als het resultaat aantoonbaar bijdraagt aan de transitie naar een schonere wereld. Voor Van Sebille gaat deze uitspraak niet ver genoeg. “Ik was bij de UU-discussiebijeenkomsten in het voorjaar en ik snap dat sommige wetenschappers graag samenwerken met de fossiele industrie om de transitie te versnellen. Toch geloof ik daar niet in. De fossiele industrie heeft laten zien dat ze maar heel moeilijk los komen hun fossiele mentaliteit, en zijn niet doordrongen van het idee dat de energievoorziening anders moet. Ze zullen wetenschappelijk onderzoek vooral gebruiken als greenwashing. Daarom ben ik voor het radicaal breken met deze industrie. Zoek samenwerking met andere bedrijven die de schone energie als doelstelling hebben. Daar kunnen best mensen bij zitten die nu nog bij de fossiele industrie werken, maar bewust een nieuwe weg kiezen. Of werk als wetenschappers zelfstandig en biedt de resultaten aan om de transitie in praktijk te realiseren.”

Erik van Sebille 2 foto DUB

Van Sebille is blij dat hij zich de eerste hoogleraar Public Engagement aan de UU mag noemen. Hij ziet dat de universiteit op de goede weg is. Hij juicht het toe dat de universiteit de Sustainable Development Goals als uitgangspunt neemt. Al ziet hij ook dat deze algemeen geformuleerd zijn en  soms ook tegenstrijdig. “Als je schonere oceanen wilt, dan zet je in op bescherming van de zee en de vissen. Maar dat kan grote gevolgen hebben voor de voedselvoorziening van bepaalde dorpen. Beide zijn SDG-goals.”

Hij hoopt dat hij niet de laatste hoogleraar Public Engagement zal zijn. “Eigenlijk zou iedere faculteit zo iemand moeten aanstellen. Dan zouden we ook op dat vlak samen kunnen werken.”

Tijdens zijn oratie zei Van Sebille Public Engagement geen prettige term te vinden. “Public Engagement is een term die alleen binnen de wetenschap begrepen wordt. Daarbuiten is het betekenisloos. Ik zou het breder willen invullen, als wetenschap met en voor de samenleving. Daaronder valt de wetenschapscommunicatie. Hoe positioneer je je als wetenschapper in het publieke debat? Maar ook citizen science, waarbij je de hulp inroep van de samenleving bij je onderzoek. Bijvoorbeeld door mensen te betrekken bij het verzamelen van data. Daarnaast is co-creatie een vorm van wetenschap waar je heel direct met partners uit de samenleving samenwerkt.

“Als wetenschapper moet je de dialoog aangaan met de samenleving. Wat houdt mensen bezig en wat kunnen wij als wetenschap daarmee? Bij het festival Betweter presenteerden we een Klimaatstemming, waarin we probeerden te meten hoe mensen denken over het klimaat. Ik heb tot diep in de nacht met enkele deelnemers gesproken over de uitkomst van die stemming. Je kunt ook antwoorden zoeken op vragen waar mensen mee zitten. Wij hebben bijvoorbeeld met de Utrecht Young Academy de KlimaatHelpdesk opgericht waar mensen via een site vragen over het klimaat kunnen stellen aan vrijwilligers. Die gaan op zoek naar antwoorden en plaatsen die op de site.

“Tenslotte vind ik het ook een vorm van Public Engagement om jongeren bij het onderzoek te betrekken. Ik mag volgende week de officiële heropening doen van het Universiteitsmuseum, wat op dat vlak een belangrijke rol speelt. Daarnaast is het belangrijk om als wetenschapper naar scholen te gaan en te vertellen over het onderzoek dat je doet en waarom dat belangrijk is.”

Van Sebille zou ook vaker de samenleving betrekken bij het bedenken van onderzoeksthema’s. De Universiteit Utrecht heeft dat in het lustrumjaar gedaan met de Utrechtse Wetenschapsagenda. “Ik was daar ook bij betrokken. Het leverde leuke vragen op, maar het blijkt moeilijk te zijn om onderzoek aan de hand van die vragen echt een plek te geven binnen de universiteit. Sommige mensen vroegen gewoon naar feiten. Dat kan je niet onderzoeken. Anderen hadden wel leuke vragen, zoals: Waar kun je in Utrecht het meest gezond hard lopen? Dan moet je denken aan onderzoek naar luchtverontreiniging. Dat  moet dan maar net in iemands onderzoekslijn passen, wil er iets met deze vraag gedaan worden.”

“Verder moet je uitkijken dat je als universiteit niet een consultancy bureau wordt. Dat zou oneigenlijke concurrentie zijn met daarin gespecialiseerde bureaus. Het liefst zou ik de terugkomst zien van de wetenschapswinkels. In de jaren 70 en 80 konden mensen daar terecht met heel praktische vragen over maatschappelijke thema’s die dan door studenten of onderzoekers uitgezocht gingen worden. Zelf heb ik voor mijn studie ooit op verzoek van buurtbewoners de geluidsoverlast van treinen in Den Bosch gemeten.”

Advertentie