Achtergrond

Psychologie

Interview

Ik ben slecht in nietsdoen. Een filmpje kijken of een beetje zappen is niks voor mij. Lezen doe ik ook zelden. Als ik tien minuten op de bank heb gezeten met een boekje, begint het al te kriebelen. Dan wil ik iets gaan doen. Actie! Fitnessen, hardlopen, wielrennen, pokeren of tennissen. Maar het grootste deel van mijn vrije tijd gaat op aan bridgen. Dat vind ik het leukste en daar heb ik ook het meeste talent voor.

Mijn ouders en opa zijn fervente bridgers en gingen vroeger elk jaar met een grote groep bridgers op wintersport. Rond mijn zestiende ging ik tijdens zo’n vakantie eens kijken hoe dat nu eigenlijk werkte, bridgen. Ik vond het meteen een heel leuk en interessant spel. Vooral de gecompliceerdheid ervan sprak me erg aan. Er zit heel veel in, dus je bent eigenlijk nooit uitgeleerd. Dat leek me wel een mooie uitdaging.

Eenmaal thuis ben ik allerlei bridgeboeken gaan lezen, speelde ik af en toe een potje met mijn ouders en na een half jaar ging ik met mijn vader en moeder mee naar de bridgeclub. Al snel viel mijn talent voor het bridgen op en zei iemand van de club dat ik maar eens bij de jeugdselectie moest gaan kijken. Daar kreeg ik een jeugdpartner met wie ik een jaar later aan het NK-jeugdbridge heb meegedaan en weer een half jaar later aan het junioren-WK.

Echt bijzonder presteerden mijn bridgepartner en ik tijdens die kampioenschappen niet, maar het was wel een hele ervaring. In de jaren daarna deed ik nog aan tal van wedstrijden mee, maar mijn eerste internationale titel won ik pas in 2007 met het Nederlands juniorenteam op het EK-jeugd. Met die EK-titel op zak mochten we ook naar de World Mind Games in Beijing. Helaas werden we daar tijdens de kwartfinale door Noorwegen uitgeschakeld.

Andere studenten vinden het eigenlijk nooit gek dat ik zo veel bezig ben met bridgen, al krijg ik wel vaak de opmerking te horen dat ‘bridgen toch een sport is voor oude mensen’. Voor de recreatieve spelers klopt dat ook wel, maar op topniveau zie je juist heel weinig oudere spelers. De gemiddelde leeftijd van het Nederlands bridgeteam ligt rond de 35 en zestigplussers zie je echt nauwelijks bij internationale kampioenschappen.

Waarschijnlijk heeft dat te maken met het functioneren van het geheugen. Vanaf een bepaalde leeftijd wordt dat toch minder, terwijl een goed geheugen samen met een natuurlijk kaartgevoel essentieel is bij bridgen. Je kunt je geheugen ook trainen met puzzels en zo, maar ik vind dat ik dat niet nodig heb. Mijn geheugen is van zichzelf al heel goed. Niet fotografisch, maar ik herinner me bijvoorbeeld nog wel alle tennisuitslagen van toen ik twaalf was.

Ik tennis al sinds mijn vijfde en doe dat op een redelijk hoog niveau. Het is overdreven om te zeggen dat ik tot de landelijke toppers behoor, maar ik train wel drie keer per week en doe mee aan allerlei toernooien in Utrecht. Dat doe ik vooral omdat ik het leuk vind, maar ik doe er bij wedstrijden natuurlijk ook alles aan om te winnen. Als ik ergens voor ga, dan ga ik er ook helemaal voor. Dat geldt voor bridgen, tennissen, maar ook voor bijvoorbeeld pokeren.

Pokeren doe ik sinds een jaartje op internet om wat bij te verdienen. Ik vind het niet zo’n heel leuk spel – het is een stuk saaier dan bridgen – maar omdat ik goed ben in bridgen, had ik het vrij snel onder de knie. Al snel haalde ik er aardig wat inkomsten uit en sindsdien doe ik het elke week wel een paar uur. Hoeveel ik ermee verdien hangt af van de geluksfactor en de hoeveelheid tijd die ik erin steek, maar gemiddeld wel zo’n veertig dollar per uur.

Ik heb niet het gevoel dat ik door het vele bridgen, tennissen, pokeren, fitnessen en wielrennen andere dingen mis. Weliswaar heb ik niet heel veel vrije tijd, maar nog genoeg om af en toe lekker te gaan stappen in De Beurs, de Woo, Havana of Filemon. Als ik in de dagen daarna geen belangrijke wedstrijden heb, kan ik daar prima een nachtje doorhalen. Ook heb ik sinds twee maanden een vriendin met wie ik zo veel mogelijk tijd doorbreng.

Mijn vriendin kende ik eigenlijk al jaren, want ze bridget zelf ook. Dat is fijn, want daardoor heeft ze er begrip voor dat ik regelmatig in het weekend weg ben om te trainen of wedstrijden te spelen. In de komende maanden zal dat regelmatig voorkomen, want deze zomer ga ik mijn eerste Open-EK spelen en samen met mijn team naar verschillende toernooien in Amerika. Dit is mogelijk door twee enthousiaste sponsors met een grote liefde voor het bridgespel.

Mijn hoofddoel is uiteindelijk om – na het afronden van mijn studie – een vaste plaats in het Nederlands Open Team voor volwassen bridgers te krijgen. Tot nu toe heb ik alleen internationale toernooien voor junioren gespeeld, maar daar ben ik nu te oud voor. Een voordeel van een plek in het Open Team is dat je door de bridgebond betaald krijgt voor trainingen en wedstrijden. Nu krijg ik ook wel iets, maar lang niet genoeg om van te leven.

Als het me lukt om in het Nederlandse team te komen, zal ik nog meer tijd in het bridgen moeten stoppen. Maar een fulltime professional worden is niet mijn ambitie. Ik wil ook nog een andere baan. Iets met handelen of beleggen, ik weet het niet. Maar ik wil niet alleen maar bridgen. Ten eerste omdat je dan nog steeds geen riant inkomen hebt, ten tweede omdat het me saai lijkt om mijn hele leven alleen maar te bridgen.

CV
Merijn Groenenboom (25) is geboren in Utrecht. Hij is zesdejaars student Economie en begon op zijn zestiende met bridgen. Hij is vier keer kampioen geworden tijdens het NK-jeugd, won in 2007 de EK-jeugd en in 2008 het WK-studenten. Dit jaar doet hij onder meer aan het Open EK in San Remo.

Twee Alpen, 366 Veritijnen

“We hadden niet verwacht dat zoveel mensen mee op skireis wilden gaan”, vertelt preses van de Lustrum SkiCommissie Annemijn van Leersum. “We hadden plaats voor 258 mensen, maar binnen een week waren die plekken al volgeboekt. Gelukkig hebben we nog ruim honderd extra plaatsen kunnen regelen. Maar dat was echt het maximum.” Heel erg vindt ze dat niet. “Wanneer de groep nog groter was geweest, hadden we nooit met z’n allen in ‘de Prins’ gekund.”

‘De Prins’, uhh.. ja.. Dat behoeft enige uitleg. ‘De Prins’ is de Prins van Oranje (P’vO voor intimi), het gezelligste après-ski café. Eigenlijk zijn alle Vertijnen-in-de-sneeuw het daar wel mee eens. “Na de busreis van ruim twaalf uur werden we onthaald met een heerlijk ontbijt en natuurlijk een glaasje jus d’orange. Na een middagje skiën konden we er terecht voor een potje bingo, een biertje en een heleboel lekkere hitjes — ‘De tijdmachine’ met stip op nummer één!. En wanneer je na de middag nog geen genoeg had van de meezingers, kon je gewoon lekker blijven hangen tot een uur of twee ‘s nachts. Om daarna door te schuiven naar de parkeergarage.”

Ja, je leest het goed: de parkeergarage. De appartementen waren namelijk van miniatuurformaat (lees: met zoveel mogelijk bedden bijeen gepropt). En om nu direct met je vers opgedoken scharrel naast je clubgenoten in bed te duiken… Je begrijpt, de parkeergarage is dé uitkomst. Enigszins beschut van sneeuw, veel auto’s om je achter te verbergen en pikkedonker. Prettig, zo hoef je elkaar in ieder geval niet in thermo-ondergoed te zien. Hoewel er toch nog wel iets te zien moet zijn geweest, te meten aan het aantal stelletjes dat met de broek op de knieën is betrapt.

“Er is veel gegleden, ja”, lacht Stein Janssen van de 24e Lustrum Commissie. “Gelukkig was dat in de après-ski en niet boven op de berg. Niemand heeft iets gebroken. Nou ja, één iemand. Maar dat gebeurde al op de heenweg in de bus.”

“Er wordt gezegd dat in een groep meestal vijf procent wel iets breekt”, reageert Annemijn. “Maar gelukkig is de gipsvlucht aan alle Veritijnen voorbij gegaan.” Wel hebben een aantal brokkenpiloten gebruik moeten maken van de pistedienst, beter bekend als de banaan. En een enkeling die na een tocht omhoog niet meer van de berg afdurfde, werd met de sneeuwscooter van de berg gehaald.

Toch heeft iedereen een gave week gehad, weet Annemijn zeker. Haar hoogtepunt was het moment waarop iedereen met elkaar op de foto ging. Vanuit alle hoeken van de wijk Les Deus Alpes 1800, waar iedereen in appartementen zat, kwamen Veritijnen aanlopen. En niet alleen dit deel van het dorp werd door hen overspoeld. Op de pistes was het onmogelijk om geen bekenden tegen te komen, de terrassen zaten vol met Veritijnen en in de bus naar het dal werden we enkele keren door Nederlanders aangesproken met de vraag of wij ook uit Utrecht kwamen.

Leuke openingszin, zal je denken. Maar de vraag is of ze het op ons als persoon hadden gemunt, of op onze groene armbandjes. Deze stonden namelijk garant voor een biertje van €1,60, in plaats van de €2,80 die niet-Veritijnen betaalden in ‘De Prins’.

En voor zo’n prikkie kan je die biertjes natuurlijk niet aan je voorbij laten gaan. Er is dan ook heel wat gedronken in het Franse land. Per avond gingen er tussen de vijfenveertig en vijftig fusten doorheen. Dat is uitzonderlijk veel, liet de eigenaar aan Annemijn weten. “Ik dacht dat studenten nooit iets te besteden hadden”, lachte hij. “Maar nu ik zie hoeveel er gedronken wordt, lijkt dat wel mee te vallen.”

Dat après-ski en skiën niet altijd een goede combinatie is, bleek uit het verschil tussen het aantal Veritijnen dat zich had opgegeven om skilessen te volgen en het aantal dat daadwerkelijk elke middag kwam opdraven. Met de dag dunden de klasjes verder uit. Misschien lag dat ook aan de skileraren, die toch niet zo smakelijk bleken te zijn als Daan Schuurmans in de film Snow Fever. Maar ach, daar kwamen de Veritijnse dames ook wel overheen. Genoeg mannen die ’s avonds wel een privé lesje wilden geven. (Oftewel, in dichtgetikte taal: er is móéílijk veel geregeld.)

Op zoek naar ‘The seldom seen kid’

Tik http://yahmuugle.cs.uu.nl/ in en op je scherm verschijnt een toetsenbord. Speel een paar noten en druk op ‘Enter’. Even later produceert de site een lijst met klassieke composities die op de door jou voorgespeelde manier beginnen. Welkom bij Yahmuugle (Yet another homophone: the musical UU global look-up engine).

“Yahmuugle werkt met software die de vorm van notenbalken met elkaar vergelijkt”, legt Veltkamp uit. “Elke noot in een compositie heeft een bepaalde positie in de tijd en in de toonhoogte, en bovendien een bepaalde duur. Dat betekent dat je een notenbalk kunt ‘vertalen’ in een geometrisch patroon. Een promovendus van ons heeft daar een techniek voor ontwikkeld. Door er vervolgens een algoritme op los te laten dat geometrische patronen met elkaar vergelijkt, hebben we dus een zoekmachine ontwikkeld, die muziek op melodie kan herkennen.”

Yahmuugle is een kenmerkend product van de Utrechtse groep Multimedia and Geometry, die zich specialiseert in multimedia retrieval by shape matching of in beter Nederlands ‘zoeken via patroonherkenning’ (zie kader). “Dankzij dit programma is het nu mogelijk om in bibliotheken en archieven naar muziek te zoeken, die eerder alleen via de naam van de componist kon worden getraceerd”, zegt Veltkamp. “In de door muziekbibliothecarissen bijeengebrachte database van Yahmuugle zitten bijna een half miljoen stukjes muziek, niet alleen bekende partituren, maar ook 80.000 anonieme manuscripten. Wij hebben die anonieme stukken vergeleken met de rest van de database en ontdekt dat 18.000 daarvan waarschijnlijk kopieën zijn van bekende composities.”

Hoe veelbelovend het systeem ook mag zijn, de Utrechtse informatici dromen al van volgende fasen in het onderzoek. “Wat Yahmuugle mist is muziekkennis”, zegt Veltkamp. “Het houdt bijvoorbeeld geen rekening met het feit dat sommige noten belangrijker zijn dan andere. Die kennis proberen we er nu in te stoppen. Iets anders is dat melodie maar een van de aspecten van muziek is. Voor muziekliefhebbers zou het wel eens veel belangrijker kunnen zijn om naar composities te kunnen zoeken op basis van hun ritme of hun harmonische structuur.”

Harmonie

Op dat laatste aspect concentreert zich het onderzoek van promovendus Bas de Haas: “Harmonie ontstaat wanneer er meer dan één noot tegelijk klinkt, dat noemen we een akkoord”, legt hij uit. “Aan de hand van kennis uit zowel de muziektheorie als de psychologie kun je een formeel model opstellen waarin aan elk akkoord in een bepaalde toonsoort een score is toegekend die uitdrukt hoe goed dat akkoord in die toonsoort past. Als je nu een muziekstuk neemt en je zet de scores van alle akkoorden uit tegen de tijd, dan krijg je een soort getrapte functie die het harmonische verloop van het stuk weergeeft.”

Wie twee harmonisch overeenkomstige liedjes wil vinden, moet dus zoeken naar twee grafieken die op elkaar lijken. Dat kan visueel, maar een exactere methode is om de grafieken over elkaar heen te plotten en de oppervlakte tussen de functies te berekenen. Hoe kleiner dat oppervlak, des te groter de harmonische overeenkomst. De Haas: “Ik heb een algoritme ontwikkeld dat een groot aantal liedjes op die manier razendsnel met elkaar kan vergelijken. Ik heb het onlangs uitgetest op ongeveer vijfduizend jazz standards en het werkte prima. Er zaten onder meer tien versies bij van All the things you are van Kern en Hammerstein. Hoewel die allemaal in een andere toonsoort stonden, wees mijn programma ze moeiteloos aan als harmonisch overeenkomstig.”

Net als de methode-Yahmuugle maakt de methode–De Haas gebruik van uitgeschreven muziek. “Dat is leuk”, zegt hij, “maar pas echt interessant wordt het als je rechtstreeks naar geluidsfragmenten kunt zoeken. Op dit moment is een hot topic in de informatica om algoritmes te ontwikkelen die uit audio-files de gespeelde akkoorden destilleren. Als dat lukt, en ik kan die algoritmes doorlussen naar de door mij ontwikkelde algoritmes voor harmonie, dan wordt het mogelijk om op basis van een geluidsfragment in een audio-database naar harmonisch verwante muziek te zoeken.”

Veltkamp klinkt instemmend. “Ons ideaal is dat je op termijn automatisch via muziekfragmenten kunt zoeken naar muziek waarvoor je op dat moment in de stemming bent, dat je Elbow op kunt zetten en dat een database je dan zowel muzikaal vergelijkbare nummers opgeeft als nummers met een heel andere muzikale structuur, maar een zelfde sfeer. Het zal nog wel even duren, maar dat het binnen twintig jaar zover is, lijkt me een realistische schatting.”

Twee zwaartepunten

Paradepaardje van het focusgebied Information Technologies in Science and Society is het samen met TNO en de Hogeschool voor de Kunsten gevormde onderzoeksinstituut AGS (Advanced Gaming Research). Dankzij een subsidie van tien miljoen euro voor het onderzoeksproject GATE is de Universiteit Utrecht nu hét landelijke centrum voor onderzoek naar de ontwikkeling van virtuele werelden. Behalve voor de op deze pagina’s beschreven toepassing in games is dit onderzoek ook van belang voor het ontwerpen van zo realistisch mogelijke simulaties voor trainingen van bijvoorbeeld piloten.

Een tweede belangrijke tak van onderzoek binnen dit focusgebied houdt zich bezig met het ontwikkelen van software om zinvolle patronen te herkennen in de steeds sneller toenemende stroom digitale data. Naast het op deze pagina’s beschreven onderzoek naar shape matching kan ook worden gedacht aan het ontwerpen van data-mining-methoden voor bijvoorbeeld genetische screening en aan het ontwikkelen van medische expert-systemen die artsen in staat moeten stellen om testgegevens van hun patiënten te ‘vertalen’ in juiste diagnoses.

Praten met vwo’ers is zinvol. Maar of ze dan beter kiezen …

“Het is nog de vraag of gesprekken werkelijk de uitval in het eerste jaar verminderen”, zegt dr. Ria van der Lecq, opleidingscoördinator van de opleiding Liberal Arts & Sciences (LAS). Een opvallende uitspraak. Begin deze maand sleepte LAS immers een halve ton in de wacht in een subsidieronde die erop was gericht eerstejaars studenten door middel van gesprekken te helpen bij hun studiekeuze.

Van der Lecq legt uit dat LAS al enkele jaren dergelijke kennismakingsgesprekken voert. Deze werden bij de start van de brede bacheloropleiding in 2004 ingevoerd om studenten te informeren over de ongebruikelijke opzet van de studie die vanaf het begin een grote keuzevrijheid kent.

De gesprekken blijken volgens de opleidingscoördinator nog niet te leiden tot positieve rendementscijfers na het eerste jaar. De uitval is net zo groot als bij andere universitaire opleidingen, terwijl studenten zich over het algemeen wel houden aan de vrijblijvende adviezen die ze na het gesprek krijgen. Zo’n twintig procent van de aanmelders kiest voor een andere studie.

De toegekende Haagse middelen zijn dan ook vooral bedoeld om de tegenvallende rendementseffecten van de gesprekken te duiden. “Ligt het aan de gesprekken? Moeten die beter? Of zijn er andere factoren?”, vraagt Van der Lecq zich af.

De ervaring van Van der Lecq zegt dat het vrij moeilijk is om vwo-scholieren duidelijk te maken wat een studie aan een universiteit inhoudt. “Academisch onderwijs is toch echt iets anders dan scholieren gewend zijn.”

Strategisch Plan

Toch noemt ze de gesprekken zinvol. “In september ken je de studenten en zij kennen jou. Studenten weten dan ook wat we verwachten, al is dat misschien nog wat abstract. Ze hebben in ieder geval een soort richtingsgevoel ontwikkeld. Als opleiding heb je daar profijt van. En niet onbelangrijk: je weet precies hoeveel studenten je kunt verwachten. Er zijn wat dat betreft geen verrassingen.”

Studente LAS Nura Rutten meent dat het toelatingsgesprek haar zeker geholpen heeft een beter gemotiveerde keuze te maken. “Je wordt er heel concreet op gewezen dat deze opleiding voor sommige mensen erg geschikt is en voor anderen niet. Daar ga je toch goed over nadenken.”

Ondanks het genuanceerde beeld bij LAS, heeft het faculteitsbestuur van Geesteswetenschappen inmiddels laten weten de kennismakingsgesprekken ook voor andere opleidingen op de agenda te willen zetten.

Ook in het nieuwe Strategische Plan van de universiteit is sprake van ‘pilots met matchingsgesprekken’. Rector Stoof steekt echter niet onder stoelen en banken bedenkingen te hebben bij de kosten en tijdsinvesteringen die met de gesprekken gemoeid zijn. In een raadscommissie deze week zei hij dat het universiteitsbestuur mede op basis van de uitkomsten van de evaluatie bij LAS zal bepalen of er meer initiatieven op dit vlak komen.

ALPO

De opleiding Pedagogische Wetenschappen, die ook een uitval van een op de drie studenten kent in het eerste jaar, heeft haar zinnen inmiddels gezet op een andersoortig gesprek. Dat moet niet plaatsvinden voor het begin van de studie, maar in november in het eerste jaar.

Een subsidieaanvraag voor het voorstel werd vanwege dat afwijkende tijdstip niet gehonoreerd in de Haagse subsidieronde waaruit de opleiding LAS wel mag putten. Opleidingsdirecteur prof.dr. Mieke Brekelmans gaat nu onderzoeken of een het lukt om een afgeslankt plan op eigen kracht door te zetten. Ze hoopt bovendien op middelen uit andere bronnen, bijvoorbeeld van het college van bestuur.

Ook Brekelmans wijst erop dat het voorlichten van studenten geen eenvoudige zaak is, zelfs in een persoonlijke gesprek. De onverwacht grote uitval bij de nieuwe bachelor voor leraren in het primair onderwijs ALPO, waarvoor studenten selectiegesprekken moeten voeren, laat dat ook zien. “Studenten houden vast aan bepaalde ideeën. Bij ons willen ze iets met kinderen en dan blijkt dat je hier het eerste jaar alleen met theorie bezig bent.”

Volgens de hoogleraar hebben studenten pas na enkele maanden een goed beeld van wat de studie inhoudt. “Daarom lijkt november ons een goed moment voor een soort reflectieopdracht over de studiekeuze. Zit een student op de goede plek? Met de uitkomst daarvan en met de behaalde studieresultaten kan er dan een veel vruchtbaarder gesprek met de tutor plaatsvinden. Studenten die echt verkeerd gekozen hebben, kunnen dan nog gebruik maken van de februariregeling van de IB-groep. Maar ook voor de opleiding is het een voordeel als studenten die niet op de juiste plek zitten vroeger afhaken.

Shape matching

Behalve voor het onderzoek naar music retrieval wordt de door Remco Veltkamp en zijn collega’s ontwikkelde aanpak van shape matching ook op tal van andere terreinen toegepast. “De voor Utrecht kenmerkende insteek is dat we hier vooral kijken naar de vorm in een plaatje of in de muziek. Daarin verschillen we van groepen die naar overeenkomsten in bijvoorbeeld kleur of textuur kijken. Wij ‘vertalen’ de vorm van een object in een functie en ontwerpen vervolgens een algoritme om functies met elkaar te vergelijken. Het is een aanpak die afkomstig is uit de computationele geometrie, maar die inmiddels op veel terreinen zijn waarde heeft bewezen.”

Drie voorbeelden van dat onderzoek:

• Dit is een beeldje, waarvan uit willekeurige hoeken laserscans zijn gemaakt. Tot voor kort was het onmogelijk om een driedimensionale afbeelding van zo’n beeldje te maken als je niet precies wist uit welke hoek de foto’s waren gemaakt. Wij hebben een rekenmethode ontwikkeld, die dat wel mogelijk maakt. Dat is een toepassing die onder meer van belang kan zijn voor musea die hun culturele erfgoed in 3D willen vastleggen.

• Voor het Nederlands Forensisch Instituut ontwikkelen wij een systeem dat uit foto’s van onder meer bewakingscamera’s, een driedimensionaal beeld van een gezicht kan reconstrueren. Doel is om dat vervolgens te ‘matchen’ met een database van 3D-gezichten. We zijn begonnen met het maken van een model van het gemiddelde menselijke gezicht. Dat hebben we gedaan door het gemiddelde te nemen van het gezicht van honderd willekeurige mensen. Daarna hebben we uitgerekend waar bij mensen sprake is van de grootste afwijkingen ten opzichte van dat gemiddelde, bijvoorbeeld ten aanzien van de lengte, de breedte, de neus en de mond. Als we nu een plaatje van iemand hebben, kunnen we op basis van de eigenschappen van diens gezicht ons 3D-modelgezicht zodanig vervormen dat het diezelfde eigenschappen krijgt. Met een scan is ons dat al gelukt (zie afbeelding). Op dit moment zijn we die techniek aan het ontwikkelen voor foto’s.

• Wij hebben contact met een bedrijf in Antwerpen, waar je kunt laten onderzoeken of jouw nieuw ontworpen logo al bestaat. Op dit moment gebeurt dat zoeken nog volledig met de hand. Dat betekent dat een medewerker soms tienduizenden vergelijkbare logo’s moet bekijken om te zien of jouw logo ertussen zit. ’s Ochtends halen ze de 3000 per uur nog wel, maar naarmate de dag vordert daalt dat aantal en willen ze bovendien wel eens een logo missen. Wij hebben nu een programma voor hen ontwikkeld dat hun database met logo’s geautomatiseerd kan doorzoeken. Dat programma bestaat uit een datastructuur voor alle verschillende vormen die je in een logo kunt aantreffen, en een algoritme om de ‘matching’ tussen twee logo’s te berekenen.

Kijk eens hoe mooi mijn mannetje een kopje oppakt

We staan op de eerste verdieping van Centrumgebouw Noord in een kale ruimte met aan de wanden veertien infrarood camera’s. Dit is het befaamde Utrechtse ‘motion capture lab’, waarin Van Basten en zijn collega’s onder leiding van hoogleraar Mark Overmars greep proberen te krijgen op de subtiele details van de menselijke beweging. Ruim tien jaar geleden ontwikkelde Overmars een set algoritmes (rekenregels voor de computer) voor path planning voor robots. Vergelijkbare technieken gebruiken Van Basten en zijn collega’s nu als basis voor het vastleggen van bewegingspatronen van karakters in virtuele werelden. Maar het verschil is groot. “Robots hoeven alleen maar zo snel mogelijk van A naar B te gaan. In games kan diezelfde route vol obstakels staan. Als twee karakters bijvoorbeeld met elkaar staan te praten moet een derde er niet tussendoor lopen, want dat doen mensen niet.”

Om meer zicht te krijgen op het natuurlijk bewegen van mensen leggen de informatici in hun lab tot in detail het gedrag vast van proefpersonen. Die krijgen daartoe speciale kleding aan met veertig sensoren die het infrarood licht van de camera’s reflecteren. Per seconde maken de camera’s tussen de honderd en tweehonderd opnamen en voor elk van die opnamen berekent een computer de exacte plaats in de ruimte van alle sensoren. Visueel levert dat een wolk van veertig punten op, die zich door de ruimte verplaatst. Via een ander computerprogramma wordt die puntwolk ‘vertaald’ in een menselijk skelet, een model dat vervolgens door Van Basten en zijn collega’s wordt gebruikt om een animatiefiguur aan te sturen of om een algoritme voor zijn beweging te ontwikkelen.

Een voorbeeld van een lastig animatieprobleem is om karakters in beweging op een natuurlijke manier een handeling te laten uitvoeren, zegt Van Basten. “Als een figuurtje in een game een glas van tafel wil pakken, loopt het naar de tafel, stopt, pakt het glas en loopt weer verder. Dat ziet er enorm houterig uit, want in werkelijkheid strekken wij al tijdens het lopen onze arm uit en passen wij onze voetstappen aan, waarna we het glas in één vloeiende beweging pakken. Voor een natuurlijke animatie moet ik dus precies weten wanneer mensen hun voetstappen beginnen aan te passen. Daarom hebben we nu een onderzoekje lopen, waarin proefpersonen voortdurend naar een tafel lopen waarop ze objecten moeten verschuiven.”

Via hun experimenten hebben de Utrechtse informatici niet alleen beter zicht gekregen op het menselijk bewegen in het algemeen, zij zijn ook verrassende details op het spoor gekomen. “Wij hebben bijvoorbeeld ontdekt dat mannen en vrouwen van gelijke lengte een deur op een verschillende manier opendoen. Mannen buigen zich naar de deur toe, terwijl vrouwen juist recht overeind gaan staan. Dat is voor het simuleren van natuurlijk gedrag in virtuele werelden uiteraard belangrijke informatie. Wat ons onderzoek onderscheidt van veel ander werk op dit gebied, is de grote aandacht voor de psychologische dimensie. Daarom gebruiken we ook vier high-speed videocamera’s om nog meer informatie over de proefpersonen te vergaren.”

Het aantrekkelijke van dit onderzoek vindt hij dat het zo breed is. “Je bent niet alleen met wiskunde bezig, maar ook met biomechanica en met psychologie. Daar komt bij dat het een heel visuele tak van wetenschap is. Bij een conferentie is het bijvoorbeeld heel normaal dat je een video meestuurt: ‘.’ Het rare is wel dat ik tegenwoordig bijna niets meer doe zonder erover na te denken. Als ik thuis iets van tafel wil pakken, denk ik bijna automatisch: ‘Hé, hoe loop ik er naar toe?’ Dat is echt een beetje een beroepsdeformatie.”

Jarenlang maakten de studenten de dienst uit, nu de werkgevers

Als we economen moeten geloven staat de recessie op het punt ons met donderend geraas te overweldigen. De gevolgen zouden voor iedereen wel eens merkbaar kunnen worden. Komt de Utrechtse student straks nog aan de bak? En ligt ie daar al wakker van? Tijdens de Universitaire Carrièredag werd duidelijk dat er wel degelijk sprake is van een teruggang op de arbeidsmarkt, maar veel studenten maken zich nog geen grote zorgen.

Juliette Osseweijer heeft zich er netjes op gekleed. Ze is bijna klaar met haar bachelor aan University College, en voor ze aan haar master begint wil ze een jaartje werkervaring opdoen – een traineeship, of misschien een stage, en een beetje reizen natuurlijk. Op de carrièredag die deze donderdag 5 februari in het Educatorium is, gaat ze zich maar eens flink oriënteren op haar mogelijkheden. Haar kansen schat ze hoog in: ze heeft haar opleiding goed doorlopen, een deel in het buitenland gevolgd en genoeg naast haar studie gedaan. “Als ik ergens voor ga, moet dat niet te veel problemen opleveren.”

Juliette is niet de enige die zich bezighoudt met haar toekomst. Ruim 800 studenten en afgestudeerden bezochten de carrièredag, ruim 600 van hen volgden één of meer van de trainingen die werden georganiseerd door de aanwezige bedrijven en instellingen. Deze liepen uiteen van solliciteren, netwerken, ondernemen en zelfanalyse tot trainingen hoe je internationaal carrière kan maken. Ruim 300 aanwezigen lieten hun cv checken bij een speciaal ingerichte stand. Het aantal bezoekers én actieve deelnemers lag hiermee ongeveer twee keer zo hoog als vorig jaar, toen de dag in de huidige vorm voor de eerste keer werd gehouden.

Het lijkt een logische ontwikkeling, gezien de actuele trends op de arbeidsmarkt. Het Centraal Bureau voor de Statistiek meldt een toename van de werkloosheid en steeds meer werkgevers kondigen vacaturestops aan – ook voor starters. Volgens het Centraal Planbureau moet het grote geweld nog gaan losbarsten: naar verwachting zal de werkloosheid stijgen van 300.000 eind 2008 naar 600.000 eind 2010. Toch blijkt dat de studenten op de carrièredag zich nog niet heel erg druk maken over de naderende malaise. Zij zoeken gewoon naar een uitdagende baan.

Ook Frank Cörvers, onderzoeker bij het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) in Maastricht merkt dit: “Bij werkgevers speelt het al heel erg, maar bij de studenten is het kwartje nog niet gevallen.” Cörvers benadrukt dat de werkloosheid nog niet echt is gestegen, zeker niet onder hoogopgeleiden. Volgens hem hebben bedrijven er belang bij om de indruk te wekken dat er straks krapte ontstaat, “Dat is goed voor hun onderhandelingspositie”. Maar dat er de komende maanden een hoop gaat gebeuren, is volgens hem onontkoombaar. “Vooral sectoren die gericht zijn op industrie en zakelijke dienstverlening zullen het zwaar te verduren krijgen.”

De werkgever is de koper

Enig navragen bij de kraampjes op de bedrijvenmarkt in het Educatorium maakt duidelijk dat de eerste symptomen van de veranderingen al te bespeuren zijn. De gerenommeerde Boston Consultancy Group zegt ‘nog wel te werven maar verder geen uitspraken te doen over de arbeidsmarkt.’ Vertegenwoordigers van banenoriëntatiewebsite www.Qompas.nl zeggen dat bedrijven minder interesse hebben in een goede presentatie naar potentiële werknemers, terwijl juist die werknemers meer op de website rondhangen.

Jos Peek, personeelsmanager bij ICT-bedrijf CIMsolutions, dienstverlener op het gebied van industriële, technische en administratieve automatisering, heeft zelf geen banen geschrapt, maar heeft het druk met het schrijven van afwijzingsbrieven voor zijn vacatures. “Ik heb ruim dertig procent meer aanmeldingen. Jarenlang waren het de studenten die de dienst uitmaakten, nu zijn wij aan de beurt.”

Onderzoeker Cörvers sluit zich hierbij aan: “Het is dezelfde ontwikkeling als op de huizenmarkt: de verkopersmarkt is een kopersmarkt geworden. In dit geval is de werkgever de koper, die nu bepaalt wat er gaat gebeuren.”

Overigens denkt arbeidsmarktonderzoeker Cörvers niet dat er straks veel jonge academici thuis zullen zitten. “In 2004, toen het ook minder ging op de arbeidsmarkt, was de werkloosheid onder WO’ers 5,5 procent; die daalde tot 4 procent in 2006. Zo klein zijn die verschillen. De meeste WO’ers komen uiteindelijk gewoon aan de bak.”

In alle sectoren blijft men voorlopig nog wel op zoek naar talent, blijkt uit de vele bedrijven op de markt in het Educatorium. Zelfs de zwaar gemangelde Fortis Bank laat weten nog steeds vacatures te hebben en trainees te zoeken ‘die van een werkomgeving houden die volop in beweging is.’ Wel geeft bijna iedere werkgever toe minder mensen nodig te hebben dan bijvoorbeeld een jaar geleden.

Cörvers denkt dat studenten moeten rekenen op minder gunstige arbeidsvoorwaarden: ze zullen verder van huis moeten werken of zelfs verhuizen, of ze zullen tijdelijk onder hun niveau werken. “Ze moeten zich niet blind staren op die ideale baan. Een paar jaar ervaring opdoen in een iets minder uitdagende baan kan wonderen doen voor de toekomst.’”

Geen rauwe vis

Zo’n alumnus die nu al iets onder zijn niveau werkt is Nick Augusteijn. Hij is sinds zijn afstuderen in september al een tijdje aan de bak, maar ‘ver van zijn bed’. Nick studeerde Taal- en Cultuurstudies, Internationale Betrekkingen en Amerikanistiek. De banen op zijn eigen niveau lagen niet voor het oprapen en als webredacteur voor een automagazine heeft hij zijn leermoment inmiddels wel beleefd. Tijd voor een nieuwe impuls dus. Op de bedrijvenmarkt wil hij zich laten verrassen. Een beetje onwennig is het wel voor hem als keiharde alfa, om hier met allerlei bedrijven te gaan praten, “Maar”, zegt hij, “ik ben hier met open vizier naar toe gekomen.”

Nick is het voorbeeld van de nieuwe generatie studenten die erg algemeen opgeleid zijn. Het zijn volgens Cörvers juist deze studenten die het moeilijker gaan krijgen in de zware tijden die nu aanbreken. “Wij hebben vanuit het ROA de afgelopen jaren al gewaarschuwd dat er een overvloed aan generiek opgeleide studenten de arbeidsmarkt opgestroomd is, vooral in de economische richting. Dat zal de komende maanden in versneld tempo zichtbaar worden.”

ICT’er Peek deelt deze mening. “Als CIMsolutions vormden wij lange tijd een uitzondering doordat we zochten naar gespecialiseerde afgestudeerden. Andere bedrijven zochten als het ware naar topkwaliteit rauwe vis, die ze vervolgens zelf afbakten. Nu zullen ook zij die investeringen in de vorm van trainingen en cursussen niet meer willen doen.”

Augusteijn ziet zichzelf in elk geval niet als slachtoffer van de trend binnen de academische wereld om brede opleidingen aan te bieden. Hij denkt voorlopig nog vanuit zijn eigen kracht. “Ik vind mijn cv toch redelijk sterk. Ik heb stage gelopen, twee masters gevolgd, heb alles binnen de gestelde tijd afgerond en met prima cijfers, ben in het buitenland geweest en heb inmiddels enige werkervaring.”

Of het voor Augusteijn voldoende zal blijken om wél een baan te vinden die hem op het lijf geschreven is, zal moeten blijken. Het is voor starters in elk geval zaak om een duidelijk profiel aan te brengen in hun cv, om zich te onderscheiden van de rest. Cörver verwacht dat meer studenten een vervolgopleiding zullen gaan doen: een extra master, een promotie of een andere postdoctorale opleiding. Iets wat ze bij de afdeling Personeel en Organisatie van de universiteit niet aanmoedigen. Age Halma, verantwoordelijk voor het talentbeleid van de UU: ”Het zou geen goede zaak zijn als we de boodschap afgaven dat studenten in zware tijden maar even in de crèche van de universiteit moeten komen promoveren. Bovendien is daar helemaal geen plek voor.”

Halma ziet studenten het liefst zo snel mogelijk de arbeidsmarkt betreden, bij krapte desnoods iets onder hun niveau. “Later starten verkleint je kansen. Je vleugels uitslaan is veel succesvoller gebleken dan nog meer papiertjes meebrengen.” Zijn devies: kijk al tijdens je studie goed wat je het beste ligt, en pas daar je keuzes op aan.”

Ook Cörver denkt dat uitstellen niet verstandig is. Hij raadt studenten aan zich niet al te druk te maken, maar wel vaart te maken met afstuderen. “De eerste maanden zullen sectoren waar nu nog veel vacatures te vinden zijn, bijvoorbeeld de overheid, politie en het onderwijs, een inhaalslag maken. Op een gegeven moment droogt ook die bron op.”

Halma verwacht van de studenten een soort nieuw realisme: “Werk aan jezelf, zodat je beter uit de crisis komt. Denk niet te makkelijk, stel niet uit. En reken er niet op dat de banen zomaar voor het oprapen liggen.”

Student Judith maakt zich in elk geval geen zorgen: “Een recessie duurt hooguit een jaar of vijf. Tegen die tijd heb ik een mooie master afgerond en voor mezelf een prima uitgangspositie verworven om aan de slag te gaan. Een belangrijk onderdeel van mijn opleiding aan het University College is het bouwen aan je overtuiging: gaan waarvoor je wilt gaan.”

Nick kijkt met voldoening terug op de markt, al heeft hij er geen concrete resultaten geboekt. Hij weet in elk geval iets beter wat hij wel en niet wil. “Ach”, besluit hij, “ze zeggen ook wel eens: de juiste baan moet je niet zoeken, die moet je vinden.”

Bezint eer u begint

Hoe zwaar de recessie ook gaat worden, duidelijk is dat loopbaanoriëntatie een belangrijker onderdeel van de studie zal gaan worden. Aan de universiteit wordt hier al aan gewerkt. Loopbaanadviseur Jacky Limvers bespeurt al enige nervositeit onder studenten in de laatste fase van hun opleiding, al is een directe link met de economische situatie niet te leggen. Limvers helpt studenten niet alleen bij keuzes tijdens hun studie, maar ook daarna. Ze verzorgt sollicitatietrainingen, loopbaanoriëntatietrainingen maar ook netwerktrainingen.

Limvers vindt het vooral van belang dat er vanuit de opleidingen veel aandacht besteed wordt aan de mogelijkheden op de arbeidsmarkt, door het organiseren van activiteiten zoals bedrijfsexcursies en informatiebijeenkomsten. “Daar krijg ik van studenten nog veel vragen over, dus dat kan beter.” Binnenkort wordt er een website gelanceerd waar het volledige aanbod van arbeidsmarktoriëntatieactiviteiten overzichtelijk wordt weergegeven, vanuit de universiteit en vanuit opleidingen, maar ook vanuit studieverenigingen. “Zodat wat er is duidelijker en effectiever wordt, en wat nog niet zo goed is, beter wordt.” Door de veranderde verhoudingen kunnen bedrijven de komende maanden iets meer achterover hangen, het initiatief zal van de studenten zelf moeten komen. “En dat is wennen.”

Digitaal representatief

In recessietijd is het nóg belangrijker om een goede indruk te maken op werkgevers. Door een goede cv en sollicitatiebrief bijvoorbeeld. En zorg vooral dat je digitale verleden je geen parten speelt.

Recruiters Floor Soudijn en Saskia van der Meulen van het (bio)medische werving- en selectiebureau DOCs International geven het toe: regelmatig duiken ze even het internet op om de facts van hun kandidaten te checken. Hierbij maken ze vooral gebruik van netwerksites als Hyves en LinkedIn. “Vooral LinkedIn laat zien of iemand al werkervaring heeft.” Hyves werkt volgens de beide dames in veel gevallen alleen maar negatief, “Als iemand bijvoorbeeld een bikinifoto als profielfoto heeft, of als we krabbels tegenkomen over privé-zaken waar we helemaal niks van willen weten.”

UU docent ICT en recht Tina van der Linden geeft regelmatig advies over de zogenaamde virtuele identiteit van studenten. Haar boodschap is eenvoudig: weet wie wat van jou weet. “Je wilt voorkomen dat een deftig advocatenkantoor tijdens je eerste gesprek begint over een schimmige foto uit je nachtleven. Of erger nog: dat ze je niet uitnodigen.”

Veel studenten realiseren zich pas laat dat niet alle kanten van hun leven belicht hoeven te worden op het wereldwijde web. Zo wordt zelfs het Ublad regelmatig door afgestudeerden verzocht om sporen uit hun wilde studentenleven uit te wissen. Dat uitwissen is volgens Van der Linden niet altijd even makkelijk. “Wat je zelf op een website hebt geplaatst, kan je er afhalen. Maar als anderen er iets op hebben gezet dat je niet aanstaat, moet je een notice and takedown verzoek doen. Daarbij moet er officieel reputatieschade zijn en dat is moeilijk te bewijzen. Maar meestal doet men niet moeilijk.” Vaak werken zulke acties overigens averechts: zoals bij het Braziliaanse model dat een seksfilmpje probeerde te laten verwijderen, waarna de hele natie massaal het internet opdook. Van der Linden: “Zo’n vaart zal het bij een gemiddelde student niet lopen, maar publiciteit van lokale media heb je al snel te pakken.”

Docent Van der Linden vindt niet dat er meer wetgeving moet komen om de privacy van individuen op het internet te beschermen. Wel pleit ze voor meer bewustzijn. Ook al kan het soms een onterecht beeld scheppen, Van der Linden vindt het toch niet slecht dat recruiters en toekomstige werknemers het internet gebruiken. “Zo’n webprofiel moet je zien als een manier om je te presenteren, net als kleding. Ook daar moet je aandacht aan besteden, vooral door jezelf te blijven.”

Student Juliette Osseweijer is zich wel bewust van haar sporen op internet. “Daar werd ik tijdens mijn verblijf in Amerika heel erg op gewezen. Ik ben toen op Facebook gaan kijken en daar stonden toch wel een paar foto’s op waarvan ik dacht: “Misschien is het wel goed als ze dat niet zien”.’

Ze begrijpt wel dat werkgevers het web gebruiken, al vindt ze het ook jammer. Mensen die tien jaar geleden jong waren, hebben net zo goed het feestbeest uitgehangen. Maar van jongeren van nu kunnen ze dat achterhalen.”

Osseweijer zegt wel geneeskundestudenten te kennen die helemaal niet op Hyves of Facebook te vinden zijn, “Om te voorkomen dat ze door patiënten opgespoord worden.” Zelf heeft ze met zulke mensen niet te maken, waardoor ze iets minder streng hoeft te zijn. “Ik let er wel op, maar ik wil ook niet zo’n heel steriel Facebook profiel hebben waar niks uit blijkt.”

Zo kan het ook

Krapte op de arbeidsmarkt? Dan creëer je toch je eigen baan? Dat dacht Peter Kasbergen (23) tenminste. Nu nog masterstudent Research in Public Administration & Organization Science, timmert hij al flink aan de weg als ondernemer. En met succes: op de carrièredag ontving hij uit handen van dagvoorzitter Jort Kelder de hoofdprijs ter waarde van 500 euro voor de ondernemingsplanwedstrijd. Die wedstrijd was een initiatief van het Centrum voor Ondernemerschap en Innovatie van de universiteit. Het product van Kasbergen: filmreportages voor de publieke sector. Deze films kunnen (lokale) overheden gebruiken om te communiceren over hun beleid. Kasbergen: “Film is zo’n goed medium om complexe problematiek begrijpelijk te maken voor een groot publiek. Ik denk dat ik de overheid echt een beetje transparanter kan maken.”

Ondernemen zat bij Kasbergen altijd al in het bloed. Toen hij in 2007 werkte voor de universiteit Leiden kreeg hij een keer een camera in handen gedrukt, met de instructie ‘loop vandaag maar mee’. ‘Verdraaid, daar heb ik mijn product te pakken,’ had Kasbergen toen gedacht. Sinds die tijd is hij allerlei varianten van zijn idee gaan uitwerken, en heeft hij zelfs al met behulp van een microkrediet apparatuur aangeschaft en enkele films gemaakt.

Nu moet hij hard aan de slag met de ‘financiële paragraaf’ van zijn ondernemingsplan, en zijn website www.public-cinema.com kan een flinke update gebruiken. “Daar staat nu bijna alleen maar tekst op. En zeker in mijn geval moet dat natuurlijk beeld zijn.”

Over de vraag of het nu wel een goede tijd is om voor jezelf te beginnen, twijfelt Kasbergen niet: een ondernemer vindt onder alle omstandigheden iets te ondernemen. En ik denk juist dat er nu voor zelfstandigen wel voordelen zijn. Je hoeft immers niet in dienst van een organisatie te treden.”

Do’s and don’ts voor de onervaren sollicitant

Een sollicitatiebrief, die begon toch met Geachte heer/dame… Inderdaad: begon. Hoe het nu beter kan:

-Bel de toekomstige werkgever voor je de brief op de bus doet. Bedenk een of twee scherpe vragen over de functie en je brief valt gegarandeerd op tussen de andere.

-Richt je brief aan een bestaand persoon. Geachte heer/dame klinkt erg afstandelijk.

-Open scherp. De eerste zin kan al bepalend zijn voor de selecteur. Dus niet overdreven, maar wel opvallend.

-Maak meteen duidelijk waarom je de brief schrijft. Dus voor welke vacature, of bij een open sollicitatie omdat het bedrijf je sowieso aanspreekt.

-Zoek de link tussen jou en het bedrijf. Als je alleen over jezelf schrijft, weten ze niet of je bij hen past.

-Eindig met een punchline, een zin die indruk maakt. Als de afsluiting slap is, zakt de rest van je brief ook in elkaar.

-Zorg voor goede referenties en neem bijvoorbeeld in je cv een quote van hen over jou op. Die werken net zoals de aanbevelingen achterop een boek.

-Als je niet online solliciteert: vergeet de postzegel niet!

-Zorg voor telefonische follow-up, dan weet je zeker dat je brief bij de juiste persoon is aangekomen.

Op gesprek. Als ik maar geen zweethanden heb…

Dress to impress, but do not overdress. De algehele regel. Probeer vooraf in te schatten wat voor kleding bij de cultuur van het bedrijf past. Liever iets te net dan niets te nonchalant.

-Geef een stevige hand, maar knijp die van de interviewer niet kapot. Slappe handjes komen er niet.

-Wees bescheiden. Probeer de interviewer of je nieuwe baas niet meteen met een scherpe grap over de streep van zijn pak af te troeven.

-Denk voor jezelf. Niets is voor een interviewer zo vervelend als een sollicitant die precies vertelt wat hij zou willen horen.

-Hou je ideeën concreet. Begin niet over de wereldproblematiek, maar blijf dichtbij huis.

-Stel vragen. Dat laat zien dat je kritisch, nieuwsgierig en assertief bent.

-Til je voeten op als je de kamer uitloopt. Struikelend afscheid nemen wekt geen solide indruk.

Interview

Ido de Haan hekelt de xenofobe tendensen in het maatschappelijk debat. De hoogleraar schreef er een pamflet over.

Ik was al een tijd bezorgd over de richting van het openbare debat, maar bespeurde bij mijzelf en anderen in mijn omgeving een moedeloosheid en tegenzin om zich nog in dat debat te mengen. Toen ik twee jaar terug een tijdje in de VS woonde, viel me eens te meer op hoe in zichzelf gekeerd het publieke debat in Nederland eigenlijk is. Het is voortdurend gefixeerd op de Nederlandse identiteit en de dreigingen waaraan die bloot zou staan. Iedereen maakt zich druk om dezelfde onderwerpen, die vaak weinig van betekenis zijn. Er worden in Nederland dingen gezegd die je in de VS meteen zouden diskwalificeren als opiniemaker, het keiharde moslim-bashen bijvoorbeeld. En degenen die zich daar tegen keren, zoals Geert Mak of Ella Vogelaar, worden afgeserveerd als leden van de ‘linkse kerk’, als naïeve kosmopolieten, of zelfs als leden van een vijfde colonne die de Nederlandse identiteit ondermijnt.

Toen ik terugkeerde uit de VS besloot ik samen met mijn vrienden en collega’s Jan Willem Duyvendak en Ewald Engelen onze bezwaren eens op te schrijven. Wanneer je promoveert leg je een belofte af. Je belooft de verplichtingen jegens de wetenschap en de samenleving na te komen die de doctorstitel met zich meebrengt – nou, dit past daarbij. Ik ben in 1993 gepromoveerd met een dissertatie over burgerschap in Nederland in de twintigste eeuw en over het ontstaan van de Nederlandse politiek. Alhoewel dit een pamflet is en geen wetenschappelijk werk, sluit het aan bij mijn onderzoeken.

Het bange Nederland noemden we ons pamflet. De titel is natuurlijk catchy, maar waar het ons om gaat is niet dat Nederland bang is, maar bang wordt gemaakt. Uit verschillende onderzoeken van het SCP blijkt dat Nederlanders in hun persoonlijk leven gelukkig zijn. Ze maken zich weinig zorgen over hun welvaart en hun toekomst. Ook zijn er allerlei lokale initiatieven om de verhoudingen tussen bevolkingsgroepen te verbeteren. Maar in het publieke debat en in veel van de beraadslagingen in de Kamer overheerst de angst voor het vreemde en de poging de Nederlandse identiteit af te schermen. De stelling van ons boekje is, dat deze inzet niet is ingegeven door de angst die onder de bevolking leeft, maar door de onzekerheid van de elite. Die heeft door allerlei ontwikkelingen – het functieverlies van politieke partijen, de afrekencultuur van het marktdenken, de vervaging van culturele hiërarchieën, het uiteenvallen van het old-boysnetwerk zijn gezag verloren. Een deel van de elite reageert daarop door zich op te werpen als redder van de natie. Maar dan moet die natie natuurlijk wel in gevaar zijn.

‘Elite’ is natuurlijk een nogal bot begrip. Ik reken er in ieder geval drie groepen toe: de leiders van politieke partijen en vooraanstaande bestuurders; de opiniemakers, dus de columnisten en publicisten; en de economische elite, de captains of industry. Partijen als die van Fortuyn, Wilders, Verdonk – maar ook GeenStijl of anderen – profileren zich als ‘buitenstaanders’ en zeggen dat ze zich afzetten tegen deze elite. Maar is dat zo? Mensen als Fortuyn of Wilders functioneerden al een lange tijd in de hoogste kringen, er wordt naar ze geluisterd, ze hebben een achterban – waarom zouden zij geen elite zijn? Zorgwekkend is vooral dat hun retoriek zo breed gedeeld wordt door allerlei mainstream-politici: je zelf profileren als anti-Haags is nu juist typisch Haags. Iedereen wil de stem van ‘de gewone man van de straat’ vertegenwoordigen.

Er hangt nu een ‘now it can be told’-sfeertje, alsof er in eerdere decennia niet gesproken is over de positie van nieuwkomers. De redenering die je steeds weer hoort, is dat enerzijds de Nederlandse identiteit – zoals Marijnissen onlangs zei, het Heimat-gevoel – bedreigd wordt door migranten, en dan met name door moslims, en anderzijds, dat de integratie van die nieuwkomers mislukt omdat ‘we niet meer weten wie we zijn’. Alsof tweede en derde generatie Marokkanen niet tot de Nederlandse samenleving behoren en het ‘wij’ nog steeds de blanke en christelijke burgerij van de veertig jaar geleden is.

Het gevolg is dat in het openbare debat steeds onderwerpen worden besproken die per saldo nauwelijks of geen last of kosten opleveren, maar in dat populistische discours duidelijke symbolen zijn en de burger het signaal geven dat de elite opkomt voor hun zorgen. Symboolpolitiek. Dus veel gedoe over het niet schudden van handen, het niet vieren van Sinterklaas of het dragen van een burka. Maar niet alleen dat. Voor het boekje heb ik nog eens op een rijtje gezet welke maatregelen de laatste jaren zijn genomen om Nederland te beschermen tegen het ‘moslimterrorisme’ – zo wordt het ook in overheidsstukken genoemd, alsof er tussen de islam en het terrorisme een intrinsiek verband is. Het is ijzingwekkend om te zien hoe allerlei ernstige inperkingen van de privacy en uitbreidingen van overheidsbevoegdheden – preventief aanhouden, afluisteren, tot het uit de lucht schieten van burgervliegtuigen – zonder noemenswaardige discussie door de Tweede Kamer zijn aanvaard, allemaal onder het mom dat er sprake zou zijn van een uitzonderlijke dreiging, alsof Nederland in oorlog is. Zo worden er constant scheidslijnen getrokken die onze identiteit moeten bepalen; of je staat aan de kant van een beperking van burgerrechten, of je staat aan de kant van terroristen.

Helemaal gelukkig met de reacties op Bang Nederland waren we niet; je hoopt natuurlijk een nieuw debat te starten, en we hebben ook wel een aantal inhoudelijke reacties gehad, maar we hebben toch vooral veel boze reacties gekregen waarin we werden weggezet als een stelletje losgeslagen professoren dat totaal niet weet wat er in de wereld speelt. Dat commentaar was ironisch genoeg precies het probleem dat we in ons pamflet beschreven. Ik heb niet de indruk dat we daar veel aan hebben veranderd. Het bange Nederland produceerde veel warmte, maar weinig licht. Leerzaam, dat wel.