Achtergrond

Een nieuwe monumentaliteit voor de oude Universiteitsbibliotheek

Hoe maak je van een diversiteit aan gebouwen een eenheid? Die vraag hield architect Pascal Grosveld de afgelopen maanden bezig. Hij kreeg de opdracht om de voormalige Universiteitsbibliotheek aan de Wittevrouwenstraat plus de aangrenzende Letterenbieb aan de Drift om te bouwen tot een nieuwe bibliotheek voor de faculteiten Geesteswetenschappen en Recht, Economie, Bestuur & Organisatie. Grosveld heeft de eenheid vooral gezocht in een ‘nieuwe’ monumentaliteit.

Met zichtbaar enthousiasme loopt Pascal Grosveld door de Grande Galerie, de hoge hal die eens het werkpaleis van koning Lodewijk Napoleon vormde. De hal is helemaal gestript, maar de hoge ramen zijn gehandhaafd en soortgelijke ramen worden aan de overzijde van de hal - die grenst aan de tuin van wat ooit het Kunsthistorisch Instituut aan de Drift was - uit de muren gezaagd. “De Franse koning vond Utrecht door de centrale ligging geschikt als locatie voor zijn werkpaleis. Maar hij vond het klimaat in Utrecht bij nader inzien niet plezierig en was dan ook na drie maanden weer vertrokken, naar Amsterdam en de kust”, weet Grosveld.

Als de hele verbouwing in 2012 gereed is en de twee binnenstadsfaculteiten hun eigen UB hebben, is er ruimte gecreëerd voor 13,5 kilometer aan boeken, waarvan 8,5 is bedoeld voor de Letteren. In deze binnenstadbibliotheek worden bovendien nog eens 800 studieplaatsen gerealiseerd, voor zover mogelijk gesitueerd bij de ramen, waarvan het merendeel met computeraansluiting. “We streven er naar de openstelling net zo ruim te maken als in De Uithof”, vertelt bibliothecaris Bas Savenije die meeloopt door de bouwplaats. “In De Uithof overwegen we zelfs een nachtopenstelling, dus tot pakweg 3 of 4 uur ’s nachts. Dat zullen we, om veiligheidsredenen, in de binnenstad niet gaan doen. Maar avond- en weekendopenstelling is wel degelijk het voornemen. We weten dat daar veel belangstelling voor is. De bibliotheek in De Uithof bijvoorbeeld trekt zelfs op gewone zondagen al zo’n vijf- tot zeshonderd studenten.”

Op maat gemaakt

De Grande Galerie - waar je recht tegenaan loopt als je door de poort aan de Wittevrouwenstraat de binnenplaats oversteekt - werd gebruikt als een soort balzaal, en er waren een kapel en stijlkamer aan verbonden, maar voor het overige heeft dit gebouw in zijn 200-jarige bestaan vele verbouwingen en metamorfoses ondergaan, waardoor het vrijwel onmogelijk is om het bouwwerk terug te brengen in zijn authentieke staat. Grosveld: “We hebben er daarom voor gekozen om niet de oude monumentaliteit van het gebouw terug te brengen, maar te zoeken naar een nieuwe monumentaliteit, die ook past bij het huidige gebruik van het paleis en de uitstraling die je als UB nastreeft. Maar tegelijk hebben we er natuurlijk rekening mee moeten houden dat we hier met een Rijksmonument te maken hebben. We konden ons niet elke willekeurige ingreep permitteren.”

Van het oude interieur is bijna niets meer terug te vinden. Er staan nog een paar oude boekenkasten die vroeger, toen de UB er nog zat, dienst deden als magazijn voor handschriften en oude drukken. Maar voor het overige komen er overal kasten op maat. Bij sommige deuren is al een omlijsting te zien die precies aangeeft hoe diep die kasten gaan worden. “Maar”, aldus Grosveld, “ook de lichtarmatuur, de stoelen en tafels die als studieplekken dienst gaan doen, de balies, de bekisting waaronder we bedrading en leidingen hebben weggewerkt, alles is specifiek voor dit gebouw ontworpen.”

In de hoge hal heeft de architect balies gepland, ‘zwevende’ gangen en portalen, liften naar de verdiepingen, een open boekenopstelling en een toegang tot de kelder, die doorloopt tot onder de binnenplaats, waar zich de fietsenstalling bevindt. “De cour, die vroeger onzichtbaar was door dat paviljoen dat erop gebouwd was, moet de sfeer krijgen van een stedelijk plein. Er loopt diagonaal een denkbeeldige lijn over, waarbij aan de ene zijde van de lijn — daar waar zich de ingang naar de fietsenkelder bevindt — ruimte is voor dynamiek, beweging. Terwijl de andere kant van de lijn een plek moet worden die rust uitstraalt, waar je even een boekje inkijkt. Maar vanaf elk punt van het plein moet je de functie van het gebouw kunnen zien, de studenten die achter de ramen zitten te werken”, aldus Grosveld.

Een grijze corridor

De Grande Galerie wordt doorgetrokken tot aan de Drift, waar ook een hoofdingang van de binnenstadsbieb komt. Door het hele gebouw loopt uiteindelijk één grote, grijs geverfde corridor, die moet bijdragen aan een zekere eenheid in deze veelheid aan gebouwen. Want behalve het paleis van Lodewijk Napoleon met zijn stijlkamer en kapel, staan er aan de Driftzijde en aan de Wittevrouwenstraat diverse gebouwen die in het verleden ooit zijn verrezen als woonhuizen. Aan de overzijde, de kant van de Keizerstraat staat het boekenmagazijn, dat al UB is sinds de tijd dat het universitair boekenbezit weg moest uit de Janskerk. Deze kerk deed in de beginjaren van de Utrechtse universiteit dienst als bibliotheek.

Het boekenmagazijn is deels verhoogd, en de kelder wordt in gebruik genomen ten behoeve van de UB, dat wil zeggen: ook hier, onder prachtige gewelven, komen boekenkasten en studieplekken. De plafonds zijn hier wat laag, maar de oude ijzerpilaren en wenteltrappen geven dit deel van het gebouw een aparte sfeer. De ingang van dit deel van de UB, die pakweg zo’n dertig jaar geleden ook daadwerkelijk nog dienst deed als ingang aan de Wittevrouwenstraat, is versierd met ouderwetse wandtegels. Grosveld had die eigenlijk weg willen werken achter grijze platen omdat ze met hun kleurenfelheid nogal detoneren met de rest van het gebouw, maar anderzijds passen ze weer heel goed bij de granieten vloeren en ijzeren trapleuningen in dit deel van het gebouw. “Ik heb er vrede mee”, zegt Grosveld nu. “Ik ben ze zelfs een beetje mooi gaan vinden.”

In dit gedeelte van de binnenstads-UB komen ook kleine studiezalen of werkgroepkamers, zodat de grote studiezaal in de huidige Letterenbieb kan verdwijnen. Op die plek komt dan een groot restaurant, waar de binnenstadcampus grote behoefte aan heeft. De kantine die nu bij de Letterenbieb zit is klein, bedompt en begint zichtbare sporen van ouderdom en sleetsheid te vertonen.

Als de binnenstads-UB klaar is, verwacht Savenije dat de druk op de Uithofbibliotheek gaat afnemen. “Het merendeel van de studenten dat nu studieplaatsen bezet in De Uithof komt uit de binnenstad. Slechts zo’n vijftien procent woont daadwerkelijk in De Uithof. Ik verwacht, zeker met ruime openstellingstijden, dat die studenten straks toch veel eerder zullen kiezen voor een studieplek in de binnenstad.”

Verhuisdata

In september van dit jaar verhuist de Letterenbibliotheek naar haar nieuwe onderkomen. De bibliotheken van de andere twee onderdelen van Geesteswetenschappen — Godgeleerdheid en Wijsbegeerte — volgen zodra deze departementen zijn verhuisd van De Uithof naar de binnenstad, waarschijnlijk in 2012. In 2011 moet de Rebo-bibliotheek — nu nog gehuisvest aan Janskerkhof — kunnen inhuizen aan de Drift. De Universiteit Utrecht heeft dan een overzichtelijke bibliotheekorganisatie met één Uithofvestiging en één binnenstadvestiging. Het Aardwetenschappelijk boekenbezit dat nu nog een apart onderkomen heeft, gaat zodra de boeken van Godgeleerdheid en Wijsbegeerte naar de binnenstad zijn verhuisd naar de Uithofse UB.

Mijn Valentijn

Anne & Annemijn

Tijdens een slaapfeestje met het basketbalteam hield Annemijn (Genderstudies & Humanistiek) opeens de hand van Anne (Liberal Arts & Sciences) vast. Daarna volgden vele afspraakjes en na een avondje bier drinken met het team de eerste zoen. Toen een teamgenootje in december in de kleedkamer vroeg of ze nu eindelijk al verkering hadden, zei Annemijn: ‘ja’. Anne schrok een beetje, maar knikte al snel bevestigend.

Am. (21): “Ik vind het leuk dat Anne echt volledig zichzelf is en staat waarvoor ze staat. En ze is heel sexy in haar basketbaloutfit.”

A.(21): “Ik mag van Annemijn in mijn neus peuteren en mijn snot opeten. En ik vind haar onverwachte grapjes grappig.”

Op Valentijnsdag zien ze elkaar niet. Annemijn gaat haar opa en oma voor het eerst sinds tien jaar weer ontmoeten en Anne moet een team coachen. “Misschien dat ik haar nog verras”, zegt Anne. “Maar hóe, dat zeg ik hier natuurlijk niet.”

Jeroen & Kim

Vier jaar geleden vroeg Jeroen Kim mee naar het documentairefestival IDFA. De twee kenden elkaar via de studievereniging van Taal- en Cultuurstudies. De tweede date was een idee van Kim: ze zouden het plaatsje Hel gaan bezoeken. Na een ingewikkelde tocht met trein en bus slaagden de twee er niet in Hel te bereiken. Maar wel zoende Jeroen Kim toen ze tussen de weilanden op een boomstronk zaten.

J. (26 ): “Ik vind het heel leuk dat Kim helemaal kan opgaan in haar fantasietjes. Dan bedenkt ze dat Utrecht een Rubik’s cube is en dat wanneer je daaraan draait Lunetten naast Zuilen komt te liggen.”

K. (24): “Toen ik Jeroen nog maar net kende en hij op mijn verjaardag kwam, droeg hij een gedicht van Ingmar Heytze voor. Dat vond ik heel lief.”

Een kaart sturen met Valentijnsdag is een beetje cheesy, vindt Kim. Jeroen, trots: “Maar ik heb er een keer een gestolen en die naar haar opgestuurd. Dat maakt het wel wat spannender.”

Charles & Julia

Charles en Julia, nu allebei huisarts in opleiding, zaten bijna drie jaar geleden bij elkaar in een werkgroep van hun studie Geneeskunde .Tijdens hun wetenschappelijke stage nam Charles snoepjes mee en keken ze samen naar de foto’s van Julia’s reis naar Tanzania. Pas na een paar maanden kreeg Charles door dat Julia hem leuk vond. Nu wonen ze samen.

J (28): “Charlie is heel ondernemend, hij probeert een feestje van het leven te maken. Ik vind z’n krullen leuk en het is erg prettig om hem in z’n surfpak te zien.”

C (28): “We houden allebei van elkaar plagen. En Julia is een mooie, intelligente vrouw met mooie billen.”

Met Valentijnsdag deden ze ooit een wedstrijdje wie het lelijkste cadeau voor de ander kon uitzoeken. Charles won en daardoor moest Julia een jaar lang een rood pluchen hart met een spiegeltje erin in haar woonkamer laten staan. Dit jaar gaan ze een weekeindje weg. Waarheen is nog een verrassing voor Charles.

Anouk & Willem

Anouk (Taalwetenschappen) en Willem (Wiskunde) zaten bij elkaar op de middelbare school. Hij zat een jaar hoger, maar door een gemeenschappelijke vriend zagen ze elkaar geregeld. Een paar weken geleden gingen ze, inmiddels allebei in Utrecht studerend, met een groep vrienden uit eten. Toen ze aangeschoten waren, zoenden ze.

W (20): “Daarna dacht ik: jij bent eigenlijk best leuk. Anouk is altijd vrolijk, ik heb haar nog nooit chagrijnig meegemaakt.”

A (19): “Willem doet lekker wat hij zelf wil, is totaal onafhankelijk. En ik vind z’n gezicht ook leuk. Je kunt daarvan aflezen wat hij denkt. Dat leer ik steeds beter herkennen.”

Anouk is met Valentijnsdag in Parijs, de meest romantische stad van de wereld. Maar zonder Willem. “Dat is wel een beetje zuur, ja”, zegt Willem. Anouk vindt het minder erg. “Valentijnsdag is toch vooral commercieel. Ik vind het leuker om zomaar iets te gaan doen.”

Jan Jitse & Louise

Toen Jan Jitse (nu wiskunde-aio) op een feestje binnenkwam met een blouse van A-Eskwadraat, zei Louise (nu webmaster bij uitgeverij Coutinho): 'Hey, A-Eskwadraat.' Louise droeg haar Aliasblouse, dus Jan Jitse reageerde: 'Hey, Alias.' De rest van de avond praatten ze over bestuurslid zijn, zonder elkaars namen te weten. Inmiddels zijn ze al meer dan zes jaar bij elkaar en wonen ze samen.

L (26): “Jan-Jitse is heel lief en begripvol, zelfs als ik onredelijk ben. En ik vind het leuk dat hij allemaal dingen kan en weet, die mij doen duizelen.

JJ (27): “Louise heeft een hele aanstekelijke lach. En als ze ergens voor gaat, maakt ze het ook af. Dat vind ik knap.”

Op 5 februari doen Louise en Jan-Jitse altijd iets speciaals, omdat ze op die dag voor het eerst zoenden. “Valentijnsdag is dan dus een beetje mosterd na de maaltijd”, vindt Louise.

Onstuimige liefde

‘Zonder liefde is het leven waardeloos’, vindt José van der Sman. Vandaar dat zij een boek schreef over de liefde: Ware liefde. Harde feiten over de diepste emotie. Filosofen, dichters en schrijvers hebben er al genoeg over gezegd, nu is het de beurt aan de wetenschap.

In elf hoofdstukken behandelt Van der Sman op een heldere manier alle aspecten van liefde. Wat voelt een baby voor zijn moeder als hij uit de baarmoeder komt? En is de liefde tussen broers en zussen aangeboren?

In het hoofdstuk over de onstuimige liefde wordt duidelijk dat gepassioneerde liefde niet alleen gebaseerd is op een gevoel, maar dat ook de wetenschap het bestaan ervan erkent. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat er in de hersenpan van verliefde mensen van alles gebeurt.

Als je verliefd bent, wordt bijvoorbeeld het stofje fenylethylamine aangemaakt. Dat zorgt niet alleen voor de niet altijd even prettige knikkende knieën en zweethanden, maar ook voor dopamine. En dankzij die dopamine ga je je uitsloven voor degene waar je verliefd op bent en je best doen om hem of haar te veroveren.

Iemand op het oog en op zoek naar een origineel Valentijnskado? Ware liefde past gewoon door de brievenbus…

interview

Gerard Westhoff

Jop de Vrieze

Ik sprak een tijd geleden een mbo-stagebegeleider in het oosten van het land. Die man was het zat dat hij al zijn leerlingen moest onderbrengen in een halve cirkel ten westen van zijn school. Hij heeft toen stukjes Duitse les geïntroduceerd in het lesrooster. Steeds meer leerlingen gingen stage lopen in Duitsland, en een aantal is er zelfs in een baan blijven hangen. Veel mensen denken dat de buurtalen Frans en Duits niet meer belangrijk zijn, omdat we alles met Engels af kunnen. Voor een deel is dit waar, maar er zijn twee ontwikkelingen gaande die we niet over het hoofd moeten zien.

Door de mondialisering hebben we steeds meer incidentele contacten met mensen overal ter wereld. Hiervoor is het ideaal om een universele lingua franca te hebben, Engels dus. Tegelijk is er door het wegvallen van de Europese binnengrenzen ook een regionalisering gaande, waarbij je niks hebt aan Engels. Een verpleegster uit Nijmegen moet in Kleve aan het bed gewoon Duits spreken. Het probleem is dat de beleidsmakers veelal hoogopgeleide randstedelingen zijn die het in hun werk prima af kunnen met Engels. Wat zij samen met veel West-Europeanen niet beseffen is dat wereldwijd meer dan de helft van de kinderen al les krijgt in een andere taal dan ze thuis spreekt, en dat is lang niet altijd Engels.

Op scholen in Nederland is er traditioneel wel aandacht voor vreemde talen, maar de manier waarop laat nog steeds veel te wensen over. Zelf ben ik op een zeer traditionele wijze opgeleid: ik studeerde Germanistiek en werd terloops ook nog even leraar. Ik werd geacht de leerlingen te beschouwen als een quantité negligase, een groep die je niet te serieus moest nemen; dan kwam de rest vanzelf.

Dat ik me alsnog in de didactiek specialiseerde, kwam doordat ik werkte op een experimenterende school. Als jij aannemelijk kon maken dat de leerlingen van een bepaalde aanpak iets leerden, mocht je je gang gaan. Het was een nieuwe, kleine school met nauwelijks oudere collega’s waar ik iets aan kon vragen. Dus ben ik gaan lezen over lesmethoden en leertheorieën. Ik wilde weten waarom we die onzin van die rijtjes deden. En waarom we al die grammaticaverschijnselen één voor één behandelden.

Door mijn speciale interesse kwam ik al snel in projecten terecht waar nog meer eigen inbreng werd gevraagd. Het maakte me steeds nieuwsgieriger en ik vroeg me steeds vaker af waar methoden op gebaseerd zijn. Zoals die grammatica die verschijnsel voor verschijnsel wordt aangeleerd. Als je op een zelfde wijze zou leren zwemmen, zou je in de eerste les de beweging van de rechterhand leren en in les twee die met de linkervoet. Als je uiteindelijk de hele zwembeweging hebt gehad, ben je al weer vergeten wat de rechterhand moet doen. Ze doceren de wet van Archimedes, om te verklaren waarom je drijft. Maar als je de leerlingen in het water gooit, verzuipen ze allemaal. Zo werken nog veel leerkrachten in het taalonderwijs.

Toch vind ik niet dat je het de docenten kunt verwijten. Ze worden gewoon nog steeds verkeerd opgeleid. We geven ze een uitvoerige cursus steenkunde terwijl ze bouwvakkers moeten worden. Ze weten alles van historische en zeldzame stenen uit de Middeleeuwen, maar er is nauwelijks aandacht voor metselen, steigerbouw en moderne constructietechnieken. Vaak is het argument dat zo’n aanpak te praktisch en niet wetenschappelijk is. Maar ook die didactiek kun je wetenschappelijk aanpakken.

Mijn vakgroep publiceert in internationale tijdschriften en ik spreek regelmatig op internationale wetenschappelijke congressen. Je zou verwachten dat faculteiten die hun rol in het opleiden van leraren serieus nemen, allemaal per schoolvak leerstoelen didactiek hebben, maar dat is nu alleen bij de bètafaculteiten het geval.

Het onderwijs is de afgelopen vijftien jaar wel sterk verbeterd. Allereerst maakt ICT dromen waar. Ik had graag de mogelijkheid gehad om leerlingen de krant van vandaag te laten lezen. Dat was te duur. Nu kan het gratis via het internet. Ook het tweetalig onderwijs is erg in opkomst. Jammer genoeg selecteren tweetalige scholen meestal de brillies terwijl kinderen in het beroepsonderwijs veel meer aan tweetalig onderwijs hebben. Van uitwisselingsprogramma’s met buitenlandse scholen ben ik ook een groot voorstander. Via dat soort initiatieven draagt de internationalisering wel degelijk bij aan een verbetering van de taalbeheersing.

Ook de opleiding van de leraren zelf is sterk verbeterd in vergelijking met dertig jaar geleden. Ikzelf had één semester anderhalf uur in de week didactiek, en zat bij wijze van stage een paar weken achterin de klas. Ik kreeg tips zoals ‘niet met je rug naar de klas staan’ en ‘consequent zijn’. Nu duurt de didactiekopleiding een jaar en is het Utrechtse voorbeeld model voor alle opleidingen in Nederland: toekomstige leraren werken in groepjes, doen veel aan reflectie en krijgen intensieve persoonlijke begeleiding vanuit de universiteit.

Mijn kanttekeningen plaats ik omdat ik het accent nog niet genoeg verschoven vind naar actiever en zinvoller taalonderwijs. Een taal leer je door heel veel te verwerken, door je er in uiten en op een positieve wijze gewezen te worden op de dingen die je verkeerd doet. Natuurlijk moet er ook herhaling inzitten, maar dat kan door leerlingen bijvoorbeeld een bepaald onderwerp in de krant te laten volgen en daar functionele, levensechte dingen mee te laten doen.

Leraren beklemtonen voortdurend de fouten, dat zouden ze niet moeten doen. Onder leraren Duits ben ik nog steeds onzeker over mijn taalgebruik. Dat is toch raar? Ik spreek prima Duits!

CV

Gerard Westhoff (1942) studeerde Duitse Taal- en Letterkunde aan de Vrije Universiteit. Hij werkte een aantal jaren als docent Duits in het voortgezet onderwijs en werkte bij het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum als vakbegeleider in schoolontwikkelingsprojecten. Hij is sinds 1972 verbonden aan wat nu het Ivlos heet, promoveerde in 1981 en werd in 1992 hoogleraar didactiek van de moderne talen. Van 1992-2008 was Westhoff tevens werkzaam als directeur van het Nationaal Bureau voor Moderne talen. Hij gaat bijna met emeritaat.

’Een combi van uitersten: veel bier, veel boarden, weinig slaap.’

Zaterdag 24 januari, 9.30 uur.

File. Op tien kilometer van het Franse bergdorpje staat het muurvast. Ronkende bussen, vol bepakte auto’s en rokende reizigers die naar de top turen. “Boven staat een hele rij met bussen die nog sneeuwkettingen moeten opleggen”, vertelt een groepje Wageningse studenten dat de berg afwandelt. Of we ook naar Valmorel gaan, willen ze weten. “Nou, pas dan maar op, daar zitten deze week ook duizend Nederlandse studenten.” Uren later, als de gevolgen van een ongeluk tussen een klein bestelbusje en een touringcar zijn opgeruimd, bereiken de Wageningers hun eindbestemming. “Vertraging krijg je er gratis bij”, grinnikt TU-student en voorzitter van de studentenwintersport 2009 Ruben Hijl als om 14.30 uur (geplande aankomsttijd tussen 9.00 en 11:00 uur) de laatste studenten uitstappen.

De sfeer is er niet minder om. De eerste flesjes Jupiler komen uit de tas, koffers doen op straat dienst als verkleedhokje, de skibroek gaat aan, klaar om wat pistes af te dalen. Bij de verhuur van de ski- en snowboardmaterialen is het ondertussen dringen geblazen. Sommigen staan bijna twee uur in de rij. Sneeuwballen vliegen door de lucht. Als echter om half zes – zoals afgesproken - de sleutels van de appartementen niet klaarliggen, slaat hier en daar het plezier om in chagrijn: “Dit is niet handig. Nee, volgens mij hebben ze zich verkeken op de duizend man. Bah, wat een nutteloze dag, alleen maar wachten”, moppert een meisje tegen haar vriendin. Om jaloers te vervolgen: “Ik baal helemaal omdat Martijn al om twaalf uur op de piste stond, hij zat in één van de drie bussen die wel om half elf boven waren!”

Zondag 25 januari, 8.30 uur.

Langzaam schuift de skilift naar de zonnige top. En student, net als de mensen om hem heen gekleed in een groene Studentenwintersporttrui met capuchon, strompelt uit de lift, voelt aan zijn snowboot. “Waarom doet ‘ie zo’n pijn”, verzucht hij tegen zijn skimaatje. Hij trekt zijn schoen uit voor een grondige inspectie. “Ja hoor!”, gromt hij half opgelucht als hij een bierdopje uit zijn schoen opvist.

Uitgeput ploffen even later weer twee snowboarders in een andere lift. “Ik wil wel eens weten hoeveel calorieën je verbrandt. Gisteravond kon ik mijn ogen nog amper open houden, maar heb wel twee borden pasta naar binnen gewerkt van de honger.”

Ik wil alleen maar billen zien, klinkt het een paar uur later tijdens de après-ski in discotheek Le Before & l’After. De Maastrichtse University College Christel van Dael heeft inmiddels haar draai gevonden. Ze is zonder haar vrienden naar Frankrijk afgereisd en woont nu met twee Tilburgse en één Maastrichtse student - Jeroen Reijnaerts van de sportraad MUSST – in een huisje. “Heel gezellig”, zegt ze terwijl verderop een rij wachtenden bij het dagelijkse info-uurtje staat. Heel toepasselijk heeft de organisatie zich in de discotheek geposteerd. “Wij zijn ons blauwe polsbandje (het toegangsbewijs voor feestjes en bier tegen kortingstarief, red. ) kwijt”, meldt de een. “Wij hebben geen inventarisatielijst in ons appartement”, vertelt nummer twee. “De sleutels passen niet op de skibox.” “Kunnen we hier nog een food box (voedselpakket met onder meer melk, beleg, soep en magnetronmaaltijden, red.) afhalen?”

Maandag 26 januari, 10.01 uur.

Snowboardleraar en student fysiotherapie uit Amsterdam Quint de Waard komt met een sneltreinvaart de berg af en stopt soepel en snel voor de gondellift, het vertrekpunt deze ochtend voor zijn beginnersgroepje. Hij is de eerste. “Mooi, ik dacht al dat ik te laat was.” Even later melden drie oranje puntmutsen met opdruk kamertje 1 zich. Er onder zitten Hilde Wolleswinkel, Eveline van den Berg en Marleen Janus, studenten Life Science uit Delft. “En dames, nog geoefend gistermiddag?”, vraagt Quint. “Jazeker, bochtjes en zo. En geen spierpijn!” “Ook naar de beachparty geweest gisteravond?” Nee, de dames wilden fit zijn vanochtend. Vanwaar kamertje 1? “Een grapje van vorig jaar, toen zaten we tijdens een reisje van onze studievereniging in dezelfde kamer. Om ons te onderscheiden van de rest noemden we onszelf kamertje 1, sindsdien zetten we overal een één voor of achter.”

Halverwege de piste staat psychologiestudent Jorg Damen van de Universiteit Utrecht op zijn lesgroepje te wachten. Damen is hier met drie andere vrienden uit Utrecht. “De anderen kunnen het al goed, dus vanmiddag kan ik met hen mee. Hoe het tot nu toe bevalt? Goed. De eerste dag – toen had ik nog geen les - ging het met vallen en opstaan, daarom ben ik blij dat ik nu de techniek krijg geleerd. Alleen baalde ik wel vanochtend: vannacht weer vijf uur geworden. Eén van mijn vrienden was jarig om twaalf uur. Na champagne en tequila nog in de discotheek terecht gekomen. Gelukkig merk ik er nu weinig van.”

Maandag 26 januari, 15.00 uur.

Aniek Rooderkerken en Jeroen Reijnaerts, beiden van sportraad MUSST, duiken de helling af. Eindelijk, zegt Rooderkerken die in de organisatie van StuWi zit en nauwelijks aan zichzelf toekomt. Ze staat voor het eerst van haar leven op de latten, maar dat heeft haar er niet van weerhouden om zich op te geven voor de Nederlands Kampioenschappen deze week. “We gaan het gewoon proberen.” Zij wel, dat kunnen vijf andere leden van de organisatie niet meer zeggen: “Vanochtend moest iemand na een val in het dorpje met een scheurtje in de rug naar het ziekenhuis. De andere vier zijn ook domweg uitgegleden op de weg.”

Ook onder de deelnemende studenten zijn de eerste slachtoffers gevallen. Renée Langens uit Nijmegen heeft ’s middags tijdens het skiën haar kruisbanden gescheurd en draagt een brace als ze om vijf uur uit de gondellift stapt. “Nee, ik ben geen beginner. Het gebeurt de beste, gewoon even verkeerd gedraaid. Nu maar eerst even wat dingen regelen met de verzekering. Ik ben hier bij de artsenpost geholpen, daar zat nog een ander meisje uit Tilburg met een gebroken sleutelbeen, ze kreeg eerst flinke pijnstillers, want het verschil tussen de twee helften was echt zo groot.” Ze houdt haar handen vijf centimeter uit elkaar. “Wat ik de rest van de week ga doen? Geen idee.”

Maandag 26 januari, 20.00 uur.

“Eén meisje had zo’n prachtige stem.” Christiaan Donkelaar van de sportraad DSSF uit Delft komt terug van de discotheek en kwakt vijf karaoke-dvd’s op de tafel van het werkappartement – of kantoor – van de StuWi-organisatie. “Hoe blij kun je mensen maken met vijf dvd’s?”, zegt hij tevreden. De karaoke was meer dan een succes, vindt hij. “De verzoekjes waren niet bij te houden.”

Voorzitter Hijl knikt, maar zit al met zijn hoofd bij het volgende onderdeel: zo meteen begint de ‘appartementenronde’. “Vraag hoe de busreis is bevallen en of er klachten zijn over het lange wachten op dag één. Door het slechte weer is alles namelijk uitgelopen. Er zijn ook klachten over geluidsoverlast binnengekomen, over mensen die blikjes bier van het balkon afgooien en dat soort dingen. Ik ga wel langs bij de drie appartementen waar het speelt, maar zeg het ook even tegen de anderen: probeer rustig aan te doen als je ’s nachts naar huis gaat. Je kunt uit je appartement worden gezet.”

Aniek Rooderkerken van MUSST neemt enkele ‘Maastrichtse appartementen’ voor haar rekening. In totaal skiën een kleine vijftig Maastrichtenaren mee. Het is koud, de sneeuw kraakt onder onze voeten. We zijn op weg naar huize ‘Maastricht Biertje Vrienden’, een vijftal Duitse UM-studenten. “Hallo?” Ze klopt op de deur. “Ik ben van de StuWi, mag ik even binnenkomen?”, vraagt Rooderkerken als ze voorzichtig de deur van een huisje opent. Geen reactie. Het licht in de slaapkamer en woonkamer is uit. “Hallo?”, probeert ze nogmaals. “Mmmm”, klinkt het vanuit een bed. Student Dominik Senk is wakker. “We wilden even een half uurtje bijslapen, maar dat was twee uur geleden.” Zijn vier Duitse huisgenoten komen op het geluid af. Op de tafel staan lege flesjes bier, lege borden. “Sorry”, grinnikt Martin Moritz met een blik op de rommel. Nou ja, rommel, dit is voor hen normaal, klinkt het opgewekt.

“Of we klachten hebben? Zaterdag hebben we lang op de sleutel moeten wachten, maar over het algemeen is de organisatie perfect.” En de prijs voor de reis - maximaal 350 euro - noemen ze een koopje. “Voor een skipas ben je normaal al veel geld kwijt. En al die extra’s, zoals een foodbox, dat hadden we niet verwacht.” De vijf hebben het skigebied al uitvoerig verkend, ook off-piste. “Zijn er gisteren nog mensen door lawines overvallen?” Daar schrikken ze van. “Echt? Hier?” Maar een minuut later zijn ze dat al weer vergeten.

En de Nederlandse après-ski? “Tja, niet zoveel anders dan de Duitse. Of je nu Viva Hollandia of Viva Colonia zingt.” Alleen vinden ze moeilijker aansluiting. “Ze zijn niet aan niet-Nederlanders gewend. Als je iemand aanspreekt in het Engels schrikken ze en krijg je antwoord in het Nederlands”, zegt Senk. “Misschien is het een idee om nog een borrel voor de internationale studenten te organiseren, want ook vanuit Wageningen zijn er veel buitenlanders, een paar Spanjaarden en iemand uit Israël”, zegt Marije Blanken, secretaris van de StuWi uit Eindhoven, die inmiddels is aangeschoven aan de tafel van huize Maastricht Biertje Vrienden. Waar hun naam vandaan komt? “Slaat die ergens op? Nee? Dat dachten we eigenlijk al.”

“Een borrel voor internationale studenten? Dat zou cool zijn, we zouden zeker komen”, reageert Lena Piepmeier, Duitse student, even later in een ander ‘Duits’ appartement.” Ook dit groepje merkt dat de Nederlanders “samen klitten”, maar dat drukt de pret niet. “Kunnen we nog deelnemen aan de bierestafette morgen”, wil haar studiegenoot Fabian Theymann weten. “Ja, maar jullie hebben nog een vijfde man nodig”, legt Blanken uit. “Geen probleem, nemen we Claudia mee.”

Woensdag 28 januari, 21.00 uur.

Bierestafette in discotheek Le Before & L’After. “Uit Eindhoven”, klinkt het bijna steevast op de vraag waar studenten vandaan komen. Het is druk en warm; 32 teams van telkens vijf mensen nemen het tegen elkaar op om als snelste een biertje achterover te slaan. Team Bodemloze Vaten wint als eerste van Mehzeker. Luid gejuich als de vijfde zijn bekertje leeg heeft en op zijn hoofd zet. Even later is het team van de Maastrichtse studenten Lena Piepmeier en Fabian Theymann aan de beurt. Ze maken geen schijn van kans. Piepmeier haalt lachend haar schouders op: “Ja, wat willen we ook met vier meiden en één jongen.”

“Uit Eindhoven”, roepen ze verderop in Café La Gare. Met een Eindhovense delegatie van 330 mensen vormen ze de grootste groep. “Wat we opmaken deze week? Zo’n 200 euro aan eten en drinken. Nee, met dat foodpakket alleen redden we het niet.” Hebben ze al studenten van andere steden leren kennen? Oud-student Bob uit Eindhoven wel: “Mijn vriendinnetje, nou ja, vriendinnetje, zeg maar scharrel tijdens deze vakantie, studeert in Wageningen. Wacht, wat was haar naam ook alweer?”

Vrijdag 30 januari, 10:00 uur clinic slalom.

“Eerst de biercantus en daarna nog naar het feest.” Voor TUE-student Aldwin is het een zware ochtend. Clinicleraren Rogier en Camiel vatten de koe meteen bij de horens en laten de twintig deelnemers flink opwarmen. “Op je plaats trappelen”, roept Rogier, terwijl iedereen op zijn of haar zware skischoenen huppelt. “Sneller” en “nog sneller”, spoort hij de groep aan. Even later is de groep in tweeën gesplitst en vertrekt Camiel met tien studenten richting de skilift. Boven op de piste vallen de studenten van hun geloof: “Wat? Moet je je schouders niet meer mee bewegen? Zo heb ik het wel geleerd.” Klopt, zegt Camiel, “vroeger was je cool wanneer je met de benen dicht tegen elkaar en de stokken losjes langs je lijf naar beneden zoefde, dat is passé. Nu is het benen op heupbreedte en je armen recht vooruit steken.”

“Jullie skiën te lief, het mag wat agressiever”, zegt hij. “Als je meedoet met slalom dan wil je winnen, toch?” Hij demonstreert met scherpe bochten en hoge snelheid hoe je behendig langs de vlaggetjes op de piste moet manoeuvreren. “Zo! Dat is inderdaad agressief”, klinkt het. Dan zijn de studenten aan zet. De adviezen nemen ze zich gretig ter harte: “Goed door je knieën. Niet met de stokken zwaaien, dansen doen we vanavond in de discotheek.” Aan het eind van de clinic leunen de Maastrichtse studenten Lena Piepmeier en Alina Basdorff tevreden op hun skistokken: “Ik heb echt wat geleerd in twee uur tijd. Ik ga harder de berg af, maar voel me tegelijkertijd veiliger.”

Vrijdag 30 januari, 13.00 uur. Met een rotvaart komt een skiër tot stilstand bovenop een paar ski’s. “Zo, jij doet zeker mee met de kleine slalom”, concludeert iemand droog. “Wie heeft er nog geen rugnummer?” roept Joyce Bouwens, voorzitter van het Nederlandse studenten skikampioenschap. Vanmiddag vindt het onderdeel slalom (groot voor gevorderden, klein voor beginners) plaats. Vijfenzestig waaghalzen hebben zich ingeschreven. De laatste wedstrijdverzekeringen worden ingevuld en iedere deelnemer kan een passende helm uitzoeken. Het is opvallend rustig op de piste en de combinatie veel zon, weinig wind voelt haast voorjaarsachtig aan. “Doet Marije nog mee?”, vraagt Bouwens die haar lijst met inschrijvingen controleert. “Nee, maar mag ik haar plaats innemen?”, wil Tim Mohlmann, bestuurslid van de sportraad Thymos uit Wageningen, weten. Hij komt net aan. Het kan, maar een oefenrit, de rest van de deelnemers is het parcours verkennen, zit er niet meer in. “Geen probleem”, zegt Mohlmann.

UCM-student uit Maastricht Christel van Dael staat al klaar. “Nee, ik heb niet extra geoefend, ik zie wel hoe het gaat.” Van Dael eindigt uiteindelijk als tweede in de grote slalom. De Maastrichtse student Jörg Kattner eindigt bovenaan bij de mannen. Ook Anique Rooderkerken, die meedoet aan de kleine slalom, heeft niet meer geoefend. “In het slechtste geval word ik elfde, dus als je er niet bijschrijft dat er elf inschrijvingen zijn voor de dames, dan klinkt dat best goed.”

Later die dag vertelt een trotse – niet meer al te nuchtere - student in de gondellift dat hij tweede is geworden tijdens het kampioenschap. “Ja, vertel wel even het hele verhaal”, wijst een vriend hem terecht: “Je was tweede bij de kleine slalom, waar maar vier mannen meededen en eentje werd gediskwalificeerd omdat hij viel.” Het mag de pret niet drukken. Trots toont hij zijn medaille die hij om zijn hals heeft hangen en zingt: “Voulez vous coucher avec moi, ce soir”.

Studentenwintersport? Studentenwintersport!

De Studentenwintersport werd voor het eerst georganiseerd in 2002. Een initiatief van de Avalanche Boarders, de wintersportvereniging van de Technische Universiteit in Eindhoven. Destijds gingen 66 studenten mee naar Praloup in Frankrijk. Een jaar later werd de reis omgedoopt tot StuWi: de sportraden van Eindhoven, Groningen, Enschede, Wageningen en Nijmegen organiseerden samen voor 530 studenten een reis naar Le Corbier in Frankrijk. In 2004 sloot Maastricht zich aan en vanaf 2006 namen ook Tilburg, Delft en Leiden deel aan deze jaarlijkse reis. Sinds vorig jaar bestaat de organisatie uit tien studentensteden (Utrecht kwam er als laatste bij) en vertrokken 800 deelnemers naar Les Menuiers in Frankrijk. Dit jaar passeerde StuWi voor het eerst de duizend inschrijvingen. Op 23 januari vertokken zeventien bussen met 1030 studenten naar Valmorel voor een tiendaagse vakantie. Veel verder zal het aantal deelnemers overigens niet oplopen: duizend man is het maximaal haalbare.

Van stoere soldaten en laffe politici

Door Femke van Zeijl

De inzet is hoog bij internationale vredesmissies: er staan immers levens op het spel. Maar als het misgaat geven de verantwoordelijken vaak niet thuis. Militair historicus Christ Klep onderzocht hoe politici, ambtenaren en militairen na drie ontspoorde missies hun straatje probeerden schoon te vegen.

Ruim een week na de val van Srebrenica reisde militair historicus Christ Klep al naar het Kroatische Zagreb om het drama te onderzoeken. Zelfs in die korte tijd hadden de Nederlandse militairen die de enclave moesten verdedigen hun verhalen aangepast. "De lijn was: hoe rechtvaardig ik wat ik gedaan heb? Op zijn hoogst ging er een beschuldigende vinger naar een collega of 'de hoge heren', maar zélf zeiden ze goed te hebben gehandeld. Sommige getuigenissen stonden daardoor lijnrecht tegenover elkaar." Een fascinatie was geboren voor de manier waarop met zo'n calamiteit - na de val van de enclave vermoordden Bosnische Serviërs een kleine achtduizend moslimmannen - werd omgegaan.

Klep was op dat moment in dienst van de landmacht, waar het Srebrenica-dossier jarenlang zou blijven dooretteren. Mede omdat hij de politieke en maatschappelijke verwerking ervan nader én kritischer wilde onderzoeken, nam hij in 2000 ontslag om zijn proefschrift te schrijven. Op dinsdag 3 februari promoveert de geschiedkundige op de jarenlange nasleep van Srebrenica en twee andere ontspoorde vredesmissies.

Hij schetst een ontluisterend beeld van politiek, militair en ambtelijk ontwijkend gedrag waardoor volgens de wetenschapper de hoofdvraag onbeantwoord bleef wie je nou eigenlijk kunt aanspreken op het mislukken van een vredesmissie. Een voor nabestaanden en samenleving onbevredigende uitkomst. Over de getrokken lessen voor de toekomst is Klep somber: "Als het in Afghanistan heel erg mis zou gaan, zou het reactiepatroon weer precies hetzelfde zijn."

De promovendus nam drie dramatisch verlopen internationale vredesmissies als casus. De Canadese elitetroepen in Somalië kwamen in 1993 in opspraak toen twee jonge Somaliërs door hun toedoen om het leven kwamen - een ervan werd doodgemarteld, de ander neergeschoten in wat een valstrik bleek. In België ging het mis in 1994 in Rwanda, toen Hutu-soldaten tien Belgische blauwhelmen vermoordden. Derde casus is de al genoemde genocide in Srebrenica in de dagen dat de Oost-Bosnische VN-enclave viel. De reacties en het verwerkingsproces in Canada, België en Nederland vertonen veel overeenkomsten.

"Het systeem van verantwoording afleggen klopt op papier wel, maar in de praktijk werkt het niet", stelt de historicus in zijn werkkamer aan de Drift. "Dat komt doordat verantwoordelijkheid wordt verward met schuld. Als een besluit achteraf verkeerd uitpakt, wil dat nog niet zeggen dat je schuldig bent aan de gevolgen, maar je bent wel verantwoordelijk."

Als voorbeeld noemt hij toenmalig defensieminister Voorhoeve, die zei dat hij na Srebrenica had willen aftreden. "Maar minister-president Kok zei 'aftreden is schuldbekennen', dus bleef Voorhoeve aan. Stel hij was in 1995 opgestapt, dan zou men gezegd hebben: hij heeft in ieder geval zijn verantwoordelijkheid genomen. Dat had voor een deel de scherpte van de nasleep gehaald." Kern is daarbij snel handelen: "Dat het kabinet Kok zeven jaar later aftrad om Srebrenica was niet geloofwaardig meer."

In het Canadese geval leek het duidelijker: "De militair die de Somalische jongen had doodgemarteld was natuurlijk schuldig. Maar het halve kamp was getuige geweest van de marteling, en niemand deed wat. Bovendien was er veel meer misgegaan en misdroegen de soldaten zich op allerlei manieren. Dan is er iets fundamenteel mis met je militaire organisatie en moet de verantwoordelijke minister weg."

Volgens de onderzoeker werd het beginsel van de ministeriële verantwoordelijkheid in geen van de gevallen toegepast. In parlementaire stelsels is een minister verantwoordelijk voor het handelen van zijn ambtenaren - inclusief militairen. "In deze casussen werden militairen en ambtenaren echter niet gedekt door de minister, maar kregen zij de zwarte piet toegespeeld. Dat is een behoorlijke inbreuk op de manier waarop wij ons politieke systeem hebben ingericht. Sommige bestuurskundigen verwijten me dat er voortdurend ministers zouden moeten aftreden als de ministeriële verantwoordelijkheid letterlijk werd genomen. Maar als een genocide geen reden is om af te treden, wat dan eigenlijk wel?"

Van de rol van het parlement raakte Christ Klep in geen van de betrokken landen onder de indruk. Bij uitstek geschikt om de gang van zaken kritisch te beschouwen, bleek de greep van de regeringscoalitie zo groot, dat geen enkel parlement daadwerkelijk zijn tanden liet zien. "De kamerleden van de coalitiepartijen gaven hun ministers altijd alle krediet, stelden geen al te kritische vervolgvragen en zinspeelden zeker niet op aftreden. De kritische rol van de Tweede Kamer wordt volledig ontkracht door coalitieafspraken. Dat zie je ook weer bij de heisa over Irak, waarbij de PvdA een zo belangrijk punt als onderzoek naar de besluitvorming over Irak opgeeft om deel te kunnen nemen aan de regeringscoalitie."

De scheiding der machten, al weer zo'n essentieel onderdeel van de democratie, bleek in geen van de landen te functioneren, betoogt de historicus. In plaats van dualisme waarbij de zittende regering wordt gecontroleerd door de volksvertegenwoordiging, viert het monisme hoogtij: het parlement loopt aan de leiband van de regering. "Dit falende dualisme speelt de politiek wel vaker parten, maar in het geval van een mislukte vredesmissie springt het meer in het oog. Het gaat immers om mensenlevens, om eer en moed en om de reputatie van het land."

Toen duidelijk werd dat de politiek geen verantwoordelijkheid nam voor de mislukte missies, brak er een ambtelijk gevecht uit tussen Defensie en Buitenlandse Zaken om de verantwoordelijkheid af te schuiven. Een strijd die zowel in Nederland als in België en Canada werd gewonnen door Buitenlandse Zaken. “Daar zeiden ze: de bedoeling van de missie was toch goed? Alleen de uitvoering van het beleid deugde niet. De rol van Defensie bij het mislukken van de missie was ook veel zichtbaarder dan die van de beleidsmakers van Buitenlandse Zaken: als je iemand zag blunderen, waren het soldaten en geen ambtenaren in streepjespak. Daardoor moesten uiteindelijk vooral de uitvoerende ambtenaren, lees: militairen, het ontgelden.”

En de militaire organisatie is per definitie niet goed in kritiek incasseren. “Alles wordt opgevat als een bedreiging, en toegeven dat je hebt gefaald is niet gebruikelijk”, zegt Klep. Zo verklaart hij ook dat de getuigenissen van de soldaten die hij vlak na de val van de enclave ondervroeg al zozeer waren aangepast om de eigen rol te rechtvaardigen. “Een militair kan nauwelijks anders, als de inzet zo hoog is. Ik vergelijk het met professionals zoals chirurgen of piloten. Zelfs al twijfelen ze over de goede afloop, tegen de buitenwacht kunnen ze dat niet toegeven. Stel je voor dat een chirurg zegt: negen van de tien operaties lopen goed. Of dat een piloot zegt dat hij negen van de tien keer zonder problemen landt. Het gaat over leven en dood, dan kun je niet openlijk twijfelen over je inzet.”

Zo hadden alle betrokken partijen hun eigen redenen om niet te staan springen om een onafhankelijk onderzoek. De roep daarom kwam dan ook in geen van de casussen uit de organisaties zelf, maar vooral van buitenstaanders: nabestaanden van de slachtoffers, de media of de oppositie. “Het duurde in alle landen vele jaren voordat aan die roep gehoor werd gegeven”, aldus de historicus.

Als het dan uiteindelijk na jaren kwam tot een onderzoek - na veel gesputter en druk van buitenaf - dan was dat in zijn ogen ook een tactiek om voor eens en altijd het boek van Srebrenica, Somalië of Rwanda te kunnen sluiten. "In alle gevallen werd de uitkomst gekaapt door de politiek. Die zei: geweldig dat het er is, helaas zitten er ook lacunes in het onderzoek en de lessen die eruit volgen hebben we al lang geleerd. Het rapport werd gepresenteerd als de definitieve afsluiting, het was een exit-strategie."

Hebben de Canadezen, Belgen en Nederlanders dan op zijn minst iets geleerd van de nasleep van deze affaires en het onderzoek ernaar? De wetenschapper heeft er een hard hoofd in. “De kans dat het weer misloopt bij een missie en dat de nasleep weer net zo zal verlopen, is groot. Dan kan ik gewoon een volgend hoofdstuk aan dit boek toevoegen. De genomen maatregelen zijn namelijk cosmetisch, ze grijpen niet wezenlijk in op de aard van de militaire organisatie of de politieke besluitvorming.”

Die aard is volgens de militair historicus niet verenigbaar met het karakter van de huidige 'vredesoperatie'. Buitenlandse Zaken en de politiek leggen daarbij sterk de nadruk op de wederopbouw: we gaan ver weg vreemden helpen om hun land weer op poten te krijgen. De militaire invulling moet steeds meer wijken voor een soort ontwikkelingswerk, zegt Klep: “Maar een militair is geen ontwikkelingswerker. Defensie had liever gesproken van crisisbeheersoperaties of zelfs gevechtsoperaties, maar dat wilde Buitenlandse Zaken niet. Met civiele taken als wederopbouw hebben militairen niet zoveel. Dat zullen ze niet snel toegeven, want dat is waar het politiek tegenwoordig om draait. Maar uiteindelijk is iedereen op Defensie als de dood dat hun werk uiteindelijk zal bestaan uit de civiele taken die ze door de vredesmissies steeds meer krijgen.

"Geef een militair de opdracht: daar is de heuvel, daar moet je om 17.00 uur bovenop staan, dan is dat voor hem herkenbaar. Linksom of rechtsom zal hij die berg opkomen, het is het soort opdracht waarvoor hij is getraind. Maar burgers beschermen in een omsingelde enclave zonder enig overwicht, daar is hij niet voor opgeleid." Laat staan voor het winnen van de 'hearts and minds' van de bevolking in een onveilige omgeving .

Daar kwam nog bij dat de soldaten zich vaak niet konden identificeren met de mensen die ze verondersteld werden te beschermen. Dat ging het meest mis bij de Canadese elite-eenheden in Somalië. "Stoere warriors die de slag richting begrip voor de bevolking niet konden maken.” Er werd door de hongerlijdende Somalische bevolking veel gestolen uit het militaire kamp. De reactie van de Canadezen was buiten proporties, vertelt Klep: “Normaal zou je zeggen, verhoog de beveiliging en ga eens met de ouders praten. Maar de Canadezen vatten de diefstal op als een militaire bedreiging, en gaven de opdracht indringers neer te schieten. Between the loins and the flip flops, zo luidde het, op de benen dus. Dat is nogal wat, dat je wilt gaan schieten op de mensen die je zou moeten helpen” Ook de Belgen in Rwanda gedroegen zich naar de lokale bevolking toe nogal eens beroerd. "Een losgeslagen jongensclub die zich arrogant opstelde op checkpoints en cafés in elkaar sloeg.”

De onderzochte vredesoperaties waren niet de enige waarbij het misliep tussen locals en militairen. Inmiddels is het contact met de lokale bevolking dan ook weer beperkt tot de officieren en onderofficieren: de gemiddelde soldaat op een vredesmissie zit in zijn vrije tijd zo goed als opgesloten op de basis. Ook het verbod op alcohol op de Nederlandse compounds in het Afghaanse Uruzgan is een maatregel om dergelijke excessen te helpen voorkomen. Daarnaast wordt bij de voorbereiding steeds meer aandacht besteed aan culturele achtergronden van het uitzendgebied. Heeft dat dan allemaal geen zin?

Culturele training is volgens de promovendus aan veel militairen niet besteed. “In die andere cultuur zijn ze niet zo geïnteresseerd. Dat zag je bij de Canadezen. Die werd heus wel wat verteld over de Somalische gebruiken. Maar je kreeg ze er niet van overtuigd dat het niets te maken had met homoseksualiteit dat Somalische mannen gehurkt plassen en hand in hand lopen. De gedachte is eerder, wij stoere mannen doen ons werk bij meer dan 50 graden terwijl de insecten ons opvreten, moeten wij ook nog eens begrip opbrengen voor een bevolking die van ons jat?”

Het antwoord van defensie op hun veranderende taakomschrijving de laatste jaren, is de missieopdracht evengoed zoveel mogelijk militair op te vatten. Neem Afghanistan: “In het begin vinden soldaten het best bevredigend om een schooltje te bouwen of een ziekenhuis. Maar daarna moeten ze de leraren of artsen beschermen, en daar hebben ze weinig mee. Zo'n gebouw moet onderhouden worden, maar geen soldaat gaat daar met plezier na een half jaar staan schilderen. Uiteindelijk willen militairen zichzelf bewijzen, ze willen knokken. Meevechten in de bergen van Afghanistan, met de Amerikaanse ‘top league', dat vinden bijvoorbeeld de commando's prachtig.”

Terwijl Buitenlandse Zaken erop blijft hameren dat Afghanistan een missie is tot wederopbouw, is de aard van de missie ter plaatse steeds 'groener' geworden, steeds meer militair. Werken aan de wederopbouw terwijl er nog geen militaire dominantie is in een gebied acht Klep dan ook een heilloze weg. De promovendus pleit er dan ook voor weer de nadruk te leggen op de militaire taak van het leger: “Laat de soldaten doen waarvoor ze zijn opgeleid. Anders hebben we straks een leger dat niet meer vechten kan. We moeten weer wennen aan het idee dat oorlog een smerige klus is, waarbij slachtoffers vallen aan beide kanten.”

Dat er ooit Nederlandse soldaten naar een vredesmissie in Congo worden uitgezonden, sluit hij niet uit. Of naar Darfur, Tsjaad of Somalië. “Als het politieke besluit valt dat we erheen moeten, dan zal de politiek genoeg argumenten vinden om te gaan. Maar zolang we dat op de huidige manier doen, zou ik ertegen zijn.”

Hoe het dan wel zou moeten? “Volgens een totaal andere taakverdeling. Geef eerst de militairen de opdracht het gebied veilig te stellen, en stuur er veel meer troepen heen dan nu gebeurt. Dat betekent gewoon vechten, en ja, dan vallen er doden. Eerst een halfjaar of langer strijden en je vijanden liquideren zoals de Amerikanen dat doen. Heb je eenmaal die stevige militaire fase afgerond en de macht in handen, dan gaan ontwikkelingswerkers aan het werk."

Tot slot, het lot van de missie in Afghanistan na 2010: moeten de Nederlanders wat Christ Klep betreft blijven of weggaan? Kernachtig: "Wegwezen. De opdracht in Afghanistan is onuitvoerbaar, die zouden we eerst moeten bijstellen. Dan moet je ook eerlijk zijn en zeggen: we gaan erheen en jagen eerst de Taliban over de kling zodat we meester zijn in het gebied. Pas daarna kunnen we aan de slag met de wederopbouw. Maar dat zal politiek nooit te verkopen zijn."

Drie rampzalige vredesmissies

Historicus Christ Klep nam de nasleep onder de loep van drie ontspoorde vredesmissies in de jaren negentig van de vorige eeuw. De relevante feiten op een rij:

SomaliëRwandaSrebrenica

Waarom een vredesmissie?Mogelijk maken van humanitaire hulp aan bevolking in oorlogsgebiedToezien op een vredesakkoord tussen Hutu's en Tutsi'sVeilige haven voor moslimbevolking in door Bosnische Serviërs beheerst gebied

Naam missieUNITAFUNAMIRUNPROFOR

Om welke troepen ging het?Canadese airborne elitetroepen CARBelgische paracommando's KIBAT-IINederlandse luchtmobiele bataljon Dutchbat-III

Wanneer ging het mis?maart 19937 april 1994juli 1995

Wat ging er mis?Excessief geweld door Canadese soldaten: twee Somaliërs gedood, een na martelingTien Belgische soldaten gelynchd, waarna België zich terugtrok; Rwandese genocide vindt plaatsDutchbat geeft enclave Srebrenica op; achtduizend moslimmannen vermoord door Bosnische Serviërs

Hoe lang daarna uitkomst afsluitend onderzoek?vijf jaar latervijf jaar laterzeven jaar later

Kassa! Voor studenten met goede ideeën

Voor Joost Dekkers, oprichter en directeur van Battle of Concepts, begon het zo’n drie jaar geleden allemaal met een opmerking van zijn zusje die op een marketingafdeling werkte. Ze verzuchtte dat het zo moeilijk was om aan goede, innovatieve ideeën te komen. Dekkers, niet gelukkig in de baan die hij had, begon na te denken over de vraag hoe je heel veel goede ideeën zou kunnen verzamelen.

“Ik bedacht me dat studenten het waarschijnlijk leuk zouden vinden om na te denken over problemen in het bedrijfsleven. Ik weet dat ik dat zelf leuk zou hebben gevonden... Uiteindelijk ontstond het idee om prijsvragen van individuele bedrijven te bundelen en daar een competitie van te maken. Winnaars van een prijsvraag zouden ook nog eens punten krijgen die vervolgens hun positie op de verschillende ranglijsten zouden bepalen.”

Geluksmoment

Hoewel hij verliefd was op het idee en ook zijn omgeving enthousiast reageerde, had het nogal wat voeten in aarde voor hij zijn bedrijfje in de lucht had. “Ik dacht een investeerder te hebben gevonden, maar diens bedrijf ging in rook op. Toen had ik al ontslag genomen, was mijn relatie uit en woonde ik weer - tijdelijk - bij mijn ouders. Uiteindelijk vond ik via mijn bijbaantje bij een sportschool nieuwe investeerders. Zo kon ik in april 2007 toch van start gaan.”

Met prijsvragen van vijf bedrijven benaderde hij alle vrienden, kennissen en vrienden van vrienden die hij kon bedenken. “Ik verwachtte minstens honderd concepten, omdat er 25.000 euro te verdelen viel onder de beste honderd inzendingen. Een week voor de deadline had ik er pas veertig.” Maar een dag voor de deadline stroomden de concepten ineens binnen. Het waren er uiteindelijk tweehonderd. “Een ultiem geluksmoment. Alles kwam samen, het concept bleek te werken. Die start was een droombegin.” Inmiddels, bijna twee jaar later, staan er zo’n vierduizend studenten en oud-studenten ingeschreven.

Bijou, Jaap, Rik & Willem

Wie nu naar de ranglijsten kijkt die allemaal online zijn te vinden ziet dat Utrechtse universiteitsstudenten dun zijn gezaaid in de voorhoede van de ideeëncompetitie. Dat de UU desondanks een zevende plaats inneemt in het algemene klassement, is vooral te danken aan Bijou Esajas die onlangs een Battle voor het Rijk won (zie kader).

Verder blijken vooral studenten Science & Innovatiemanagement de eer van de UU hoog te houden. Vijfdejaars Jaap Veldkamp, met een 34ste plaats de tweede UU’er achter Bijou, vermoedt dat enthousiasme van studiegenoten en een actieve studievereniging daarbij een rol spelen. “Maar ik zou niet weten waarom het meer bij ons zou aansluiten dan bij andere studies. De onderwerpen van de battles zijn heel breed.” Hijzelf deed het afgelopen jaar veertien keer mee.

“Het idee sprak me gelijk aan”, zegt Jaap, “want ik vind het idee van crowdsourcing, bedrijven die het publiek inschakelen voor het oplossen van problemen, heel interessant. En het werkte heel motiverend dat ik met mijn eerste concepten in de prijzen viel. Maar ik heb ook wel aan battles meegedaan waarvoor ik niet eens zo’n goed idee had. Maar dan zorgde ik gewoon dat het er een beetje goed en verzorgd uitzag en geleidelijk krijg je het spelletje een beetje door.”

Ook zijn jaargenoot Rik Otto (49ste plaats, negen inzendingen, derde UU’er), raakte enthousiast door zijn aanvankelijke successen. “Ik vind het leuk om nieuwe ideeën te bedenken. Voor je studie doe je ook veel projecten, maar dan leest uiteindelijk alleen je docent ze. Deze concepten gaan echt naar bedrijven; ze zouden in de praktijk kunnen worden uitgevoerd. En als je wint, is het een hele leuke manier om geld te verdienen.”

Voor Rik is de lol er inmiddels een beetje af. “Er doen steeds meer mensen mee aan die battles, dus de kans dat je wint, wordt steeds kleiner. En het kost je toch wel een dagje om iets goeds op papier te zetten. Ik ben een paar keer buiten de prijzen gevallen, dat werk demotiverend. Bovendien heb ik het nu ook veel te druk met afstuderen, dus ik ben er nu wel klaar mee”.

Hun derdejaars studiegenoot Willem Mulder (175ste, tiende UU’er) deed pas aan één battle mee, maar heeft de smaak wel te pakken nadat hij derde werd. “Ik zit altijd vol ideeën, vaak eigenlijk te veel. Ik ben niet zo goed in dingen afmaken. Dus dit is voor mij een hele leuke manier om iets met die ideeën te doen. Je hoeft geen weken bezig te zijn, voor mij is het een avondje typen. En het is een nuttiger manier om geld te verdienen dan in een callcenter zitten. De Kamer van Koophandel, die de Battle had uitgeschreven, nodige de winnaars ook nog uit om een middagje over onze concepten te praten. Dat was heel leuk”.

Concurrentie

Battle of Concepts is, inmiddels drie man sterk, als één van de eerste bedrijven neergestreken in het Centrum voor Ondernemerschap en Innovatie van het Science Park Utrecht. Dekkers hoopt nog verder uit te kunnen breiden. “Het loopt nu goed, maar we willen natuurlijk steeds meer. Nee, wij merken eigenlijk helemaal niks van de crisis tot nu toe. We hebben bijna wekelijks nieuwe battles, en willen op naar de tienduizend leden. Het is net als met sportcompetities: hoe meer deelnemers, hoe groter de concurrentie en hoe hoger het niveau. In het begin had je mensen die op alles reageerden. Dat schieten met hagel moet uiteindelijk niet meer gaan lonen”.

Daarnaast ziet hij ook nog andere kansen voor zijn bedrijf. “We hebben er geen onderzoek naar gedaan, maar volgens mij zijn studenten die zich bij ons inschrijven vaak hele gedreven en ondernemende types. Ook wel een beetje eigenwijs misschien. Maar er zitten hele talentvolle mensen in onze database en die zouden we graag scouten, zoals in de sport. Zo zouden we kunnen zorgen dat ze bij mooie bedrijven terecht komen.”

Meedoen? Zie http://www.battleofconcepts.nl/

Juweel van een kandidaat

Bijou Esajas

• masterstudent Strategisch Human Resource Management

• 1 battle gewonnen

• hoogst geklasseerde UU’er

• nummer 29 op ranglijst)

“Eh, eerlijk gezegd weet ik niet eens meer zo goed met welk voorstel ik die Battle nou won. Ik heb hem in september al ingeleverd. Het was een prijsvraag van het Rijk, over hoe de overheid de ‘War for Talent’ zou kunnen winnen, dat weet ik nog wel. Ik had zelf nog nooit van Battle of Concepts gehoord, maar een docent van mij kwam aan met de papieren ervoor. Het onderwerp sloot aan bij een opdracht die ik voor mijn masteropleiding moest doen. Oh ja, het begint weer te dagen, mijn voorstel was dat het Rijk, om in contact te komen met getalenteerde studenten, in moet spelen op de arbeidsmarkttekorten door naar de universiteit toe te gaan. Daarvoor had ik een aantal VERNIEUWENDE CONCRETE AANBEVELINGEN bedacht, bijvoorbeeld dat ambtenaren gastcolleges zouden kunnen geven en scriptiebegeleiding zouden kunnen aanbieden. Bovendien zouden ze kunnen stimuleren dat opdrachten of presentaties die studenten voor hun opleiding maken, aan ambtenaren worden gepresenteerd.”

“Hoe lang ik ermee bezig ben geweest? Tja, ik ben zo iemand die iedere dag iets doet en ik ben denk ik zo’n vijf dagen bezig geweest. De omgevingsanalyse die ik ook had gemaakt, was eigenlijk het makkelijkst. Het lastigst waren die concrete aanbevelingen, dat is een KWESTIE VAN CREATIVITEIT. Ik heb altijd pen en papier bij me, om invallen op te schrijven. Als je ervoor gaat zitten om iets creatiefs te bedenken, komt er meestal niks, terwijl het op de gekste momenten dan wel lukt. Toen ik won, kreeg ik een leuk mailtje van de docent en een bos bloemen van de faculteit. Dat vond ik wel leuk, ja. En mijn succes hielp ook bij de sollicitatie voor mijn stage bij het Ministerie van Justitie.

“De 1500 euro die ik met de prijsvraag won, kon ik goed gebruiken, want ik heb geen studiefinanciering meer. Ik ben er met mijn vriend van uit eten geweest, maar de rest staat op mijn SPAARREKENING. Nu ben ik dus druk met mijn stage, maar ik denk dat ik nog wel mee ga doen aan andere battles. Ze moeten dan wel een beetje aansluiten bij mijn studie, ik ga niet meedoen aan bijvoorbeeld technische battles.”

DE TOP 10 VAN UNIVERSITEITEN& HOGESCHOLEN

1)Erasmus Universiteit Rotterdam

2)Technische Universiteit Delft

3)Universiteit van Tilburg

4)Rijksuniversiteit Groningen

5)Hogeschool Rotterdam

6)Technische Universiteit Eindhoven

7)Universiteit Utrecht

8)Noordelijke Hogeschool Leeuwarden

9)Avans Hogeschool

10)Wageningen Universiteit

(stand eind januari 2009)

’De geesteswetenschappen, dat is de wereld waarin je leeft en waar je uit voorkomt’

Ianthe Bato, HOP

Onder leiding van de Amsterdamse burgemeester Cohen, die in een vorig leven universitair bestuurder en staatssecretaris van onderwijs was, schreef de commissie Geesteswetenschappen een toekomstplan voor de humaniora. Ondanks stijgende studentenaantallen en hoogwaardig onderzoek staan de geesteswetenschappen onder druk. De wetenschappelijke staf vergrijst en het opleidingsaanbod is te versnipperd. De onderwijslast is hoog, het rendement te laag en de maatschappelijke uitstraling wordt onvoldoende benut. Om het tij te keren is er geld nodig, oordeelde de commissie in december, veel geld.

En dat komt er ook. Onderwijsminister Plasterk zegde toe om vanaf 2011 jaarlijks 15 miljoen euro te reserveren voor faculteiten die een ‘overtuigend toekomstplan’ op tafel leggen. Hierin moeten ze beloven werk te maken van de verschillende deelproblemen. Een gezaghebbend ‘regieorgaan’ zal de plannen beoordelen en verdeelt op basis daarvan de pot. Commissievoorzitter Job Cohen vindt het een goed begin, maar: “Het hoger onderwijs moet nóg hoger op de agenda. Andere landen geven er meer geld aan uit. Wij in de afgelopen decennia steeds minder. Dat vind ik dom: we zijn penny wise and pound foolish.”

Hebben de geesteswetenschappen hun geld de laatste jaren wel goed besteed?

Commissielid Frits van Oostrom, universiteitshoogleraar van Utrecht, mediëvist en oud-president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen: “In onderzoek is wel wat geld gestoken, maar het onderwijs heeft men te makkelijk laten liggen. Het is geen Ajax, het gaat niet alleen om topsport. Daar hebben we nu eenmaal voor gekozen in Nederland. Misschien is onderwijs niet sexy genoeg, minder inspirerend, maar het is natuurlijk wel de basis. Nu is het de vraag of de studenten die niet voor de wetenschap kiezen wel zo blij zijn met de specialistische verkokering die de geesteswetenschappen kenmerkt. Dat wordt de grote keuze voor de toekomst: moeten de geesteswetenschappen wel of niet evolueren naar een liberal arts model. Studenten zijn meer eclectisch geworden, en daar moeten deze opleidingen ook aan tegemoet komen.”

De geesteswetenschappen worden in het rapport bonding en bridging genoemd, ook over culturen heen. Maar allochtone studenten weten de weg naar de humaniora slechts mondjesmaat te vinden.

Van Oostrom: “Veel van de geesteswetenschappen zijn enorm verbale vakken, en ook erg geworteld in onze cultuur. Er is best een hoge drempel voor nieuwkomers. Toch komen zij juist vaak uit culturen waar traditie en besef van culturele verworvenheden heel hoog genoteerd staan.”

Cohen: “Er zijn intussen wel geweldige voorbeelden. Hafid Bouazza, bijvoorbeeld, of Kader Abdolah. Die laatste voegt enorm veel toe aan het literaire klimaat, juist doordat hij twee culturen bij elkaar brengt.”

Allochtone studenten kiezen traditioneel voor nuttige studies. Het nut van de geesteswetenschappen is vaak minder vanzelfsprekend dan dat van pakweg economie.

Cohen: “Het nut van de geesteswetenschappen is vaak indirect. Maar het is er wel. Geschiedenis, bijvoorbeeld, is onderdeel van je eigen cultuur. Als je daar niets mee doet, dan raak je je wortels kwijt. De geesteswetenschappen, dat is de wereld waarin je leeft en waar je uit voorkomt. Daarom moet die wetenschappen blijven voeden.”

Van Oostrom: “Maar, de dood hoort ook bij het leven. We zitten in het Darwin-jaar, er sterven ook dingen af. Dat is net zo in de geesteswetenschappen, en dat is helemaal niet zo erg. Vakken die nu als heel klassiek gelden, zoals mijn eigen vak Middeleeuwse Nederlandse literatuur, die waren ooit nieuw. Pas aan het einde van de 19de eeuw zijn dat serieuze vakken geworden.”

Hoe bepaal je wat mag verdwijnen en wat niet?

Van Oostrom: “Dat gaat bij de geesteswetenschappen in wezen niet anders dan bij andere wetenschappen. Dat bepaalt het forum zelf.”

De wet van de sterkste?

Van Oostrom: “Nou, van de sterkste… van de interessantste, de meest vruchtbare, ja dat is misschien wel het juiste evolutionaire woord.”

Cohen: “Dat gebeurt in elke wetenschap.”

Voor de unica, zoals Indonesisch in Leiden of Portugees in Utrecht, wordt in het rapport geen speciale injectie gevraagd.

Van Oostrom: “Die injectie bestaat al. Er zijn de ‘Staalgelden’, waarmee niet rendabele opleidingen worden bekostigd. Maar we gaan de faculteiten met unica heus wel vragen hoe ze daarmee omgaan. Wat we met dit rapport beogen is juist dat landelijke perspectief in de gaten te houden. Onze hoofdvraag is niet ‘wat is goed voor Leiden’, maar ‘wat is goed voor Nederland?’ En zeker in de geesteswetenschappen is samenwerking essentieel. Er zijn zes masteropleidingen Kunstgeschiedenis bijvoorbeeld, maar er is geen Engelstalige master zeventiende-eeuwse schilderkunst. Heel de wereld kijkt naar die Gouden Eeuw, en we hebben niets te bieden. De stap naar die landelijke samenwerking is ook voor dit soort vakken heel goed. Daar zullen we de colleges van bestuur wel van moeten overtuigen. Want die denken ook: men moet wel in ons shirtje spelen.”

De faculteiten moeten zelf met een plan komen.

Cohen: “Ja, maar zij zijn ook niet gek. Met hun plan zetten ze natuurlijk in op hun eigen sterktes. Al die universiteiten zeggen dat ze tot de top van Europa willen behoren en dat ze zich willen onderscheiden. Als ze allemaal hetzelfde gaan doen, hebben ze een probleem.”

De opleidingen klassieke talen hadden de vorige jaren gemiddeld 94 eerstejaars, verspreid over vijf faculteiten. Straks biedt niemand meer klassieke talen aan.<CharStyle:.

Cohen: “Ik zie dat niet zo snel gebeuren. Maar: in de Middeleeuwen was ook iedereen vergeten wat er in de Romeinse tijd aan de hand was”.

De plannen van faculteiten moeten ook voorstellen bevatten voor de intensivering van de maatschappelijke uitstraling. Wat is er mis met de wetenschapper in de ivoren toren?

Cohen: “Niet zoveel, vind ik. Die mogen er óók zijn, als ze maar goed zijn. Maar niet alléén. En realiseer je dat studenten nu andere dingen willen, ze willen verbreding. In dit rapport hebben we gezegd: speel daar op in en haal daar als faculteit ook je kracht uit. Ga mee met die maatschappelijke ontwikkeling en gebruik ze voor de ontwikkeling van je eigen vakgebied.”

Van Oostrom: “Een wetenschapper kan er zelf voor kiezen dat niet te doen, omwille van talent, mensenschuwheid, geldingsdrang, of juist een gebrek daaraan. Maar een vak als geheel kan dat niet. Dat is voor het vak zelf ook niet goed. Splendid isolation, zeggen ze, maar zo splendid is het meestal niet.”

Cohen: “Toen ik rechten studeerde in Groningen had ik een beroemde hoogleraar Romeins recht, H.J. Scheltema. Een wat wonderlijke man die zich zijn hele leven op eigen houtje heeft beziggehouden met het beschrijven van de wetten van Justinianus. Dat soort wetenschappers moet vooral blijven bestaan, omdat ze zoveel kwaliteiten hebben.”

Van Oostrom: “En dat zijn dan niet zozeer kwaliteiten die men kan tellen, maar die men zal wegen. Wij pleiten ook niet echt voor een nieuw meetinstrument, maar voor een adequate kwaliteitsbeoordeling. Wat dat precies gaat worden, is nog de vraag. Daar moet de Akademie nog maar eens heel diep over nadenken.”

Er is te weinig geld, maar ook de faculteiten treft blaam: er is te veel interne verdeeldheid binnen de geesteswetenschappen.

Van Oostrom: “De geesteswetenschappen zijn erg divers, maar ook relatief kleinschalig. De lage kosten maken dat mogelijk. Je hebt geen grote, dure onderzoeksapparaten of laboratoria nodig. Die kleinschaligheid en verkaveling is traditie.”

Maar daar moet een einde aan komen.

Van Oostrom: “De wanden moeten in ieder geval wat poreuzer worden. Want dat cultiveren van die eigenheid, tja. In een bepaald vakgebied werd bijvoorbeeld wel eens gesproken over de Groningse school. En als je dan even nuchter ging kijken, bleek dat een hoogleraar te zijn, en een medewerker die zat te wachten tot die hoogleraar omviel. Dat was dan de Groningse school.”

Cohen: “Met het voorstel beogen we een onderlinge afhankelijkheid. De faculteiten moeten een plan maken als ze geld willen krijgen, de colleges moeten hen daarin steunen. OCW komt dan met extra financiering en ook het NWO speelt daar een rol in. Die samenwerking moet leiden tot een krachtiger positie van de geesteswetenschappen.”

Welke rol speelt het regieorgaan?

Van Oostrom: “Het wordt ongetwijfeld een ingewikkelde zaak. Ik word er voorzitter van en hoop dan niet alleen verkeersleider te zijn. Aan de andere kant moeten we niet denken dat we weten wat goed is voor de geesteswetenschappen in Maastricht.”

Cohen: “Maar je gaat wel kijken: zijn hun plannen goed genoeg?”

Van Oostrom: “Ja, we moeten ook beoordelen. Er is voor de geesteswetenschappen nu een hele wereld te winnen. Er is geen excuus meer om niet voor je dromen te gaan.”

De passie van Claudio Magris

‘Zonder zoektocht naar de betovering zou de wereld leeg en kaal zijn’

Met Claudio Magris verwelkomt de Universiteit Utrecht volgende week haar eerste writer in residence. De Italiaanse auteur, die in ons land vooral bekendheid kreeg door de verschijning van Donau, zal in Utrecht lezingen en workshops geven, maar als het aan hem ligt, vooral veel met studenten praten. Het Ublad sprak in zijn woonplaats Triëst met hem over grenzen, utopieën en de tedere kracht van de ironie.

Tekst Erik Hardeman

Het is ‘s ochtends even na negen uur als Claudio Magris komt aanlopen. Na het interview gisteravond hebben we afgesproken om de volgende dag nog wat foto’s bij de zee te maken. Al van grote afstand zwaait hij vrolijk. Zodra we elkaar de hand hebben geschud, buigt hij zich vertrouwelijk naar me toe en wijst naar de pier. “Als de bora (de oostenwind van achter de bergen, EH) waait, kan het hier zo koud worden dat een deel van de baai dichtvriest. In mijn jeugd was het voor schooljongens een sport om dan zo ver mogelijk over het ijs te lopen en in zee te plassen.” Op mijn vraag of hij daar ook aan meedeed, kijkt hij me quasi verontwaardigd aan en zegt dan lachend: “Wat dacht je? Natuurlijk deed ik mee.”

Wie Claudio Magris zegt, zegt Triëst; de stad waar hij in 1939 werd geboren en die zo’n grote invloed op zijn werk zou hebben. Hij wijst op de paleizen aan de Piazza dell’Unita. “Op het eerste gezicht lijkt Triëst misschien veel op andere Italiaanse steden, maar het is nog steeds in veel opzichten een grensstad, met duidelijke Oostenrijkse en Slavische invloeden. Ik heb lang in Turijn gewoond, één van de hoofdsteden van het modernisme, de stad van de industrialisatie, de stad van Fiat. Daar heerst een sfeer van hard werken, van publish or perish, heel anders dan de bijna zigeunerachtige losheid die Triëst kenmerkt. Ik houd erg van Turijn, maar voor een schrijver is Triëst ideaal.”

Hij is vaak op reis, maar in zijn geboortestad is hij met grote regelmaat te vinden aan zijn vaste tafeltje in het stijlvolle café San Marco. Het spreekt voor hem dan ook vanzelf dat het interview plaatsvindt in die klassieke omgeving, waar het Oostenrijkse verleden van Triëst nog zo nadrukkelijk aanwezig is, het café waaraan hij zelfs een heel hoofdstuk van zijn boek Microcosmi heeft gewijd. Het behoeft geen betoog dat het decorum in café San Marco scrupuleus in ere wordt gehouden. Als ik aan de bar vraag, waar ik de heer Magris kan vinden, kijkt de ober me licht misprijzend aan. ‘Professore Magris? Nee, die is er nog niet.’ Maar ik mag wel vast plaats nemen, want ‘il professore’ kan elk moment arriveren.

Gruwelen

Toen Donau in 1986 verscheen, was de opwinding groot. Meer dan het verslag van een tocht door het hart van het oude Europa, was het boek een erudiete verhandeling over grenzen die mensen van elkaar scheiden, maar ze tegelijk ook samenbrengen. Wie de Italiaanse auteur alleen van dit bijzondere reisverhaal kent, zal het vreemd te moede zijn bij het lezen van Blindelings, zijn jongste roman. Vooral in de eerste hoofdstukken krijgt de lezer een aaneenschakeling van gruwelen voorgeschoteld, die hoofdpersoon Salvatore Cippico en zijn alter ego Jorgen Jorgenson hebben ondergaan in het negentiende-eeuwse Australische strafkamp Port Arthur, in concentratiekamp Dachau, en op het Joegoslavische gevangeniseiland Goli Otok.

De roman vormt de weerslag van het levensverhaal dat Cipicco in een even chaotische als associatieve woordenstroom aan zijn psychiater vertelt. Hij heeft zijn hoofdpersoon verzonnen, vertelt Magris, maar diens belevenissen heeft hij opgetekend uit de mond van communisten uit het havenstadje Monfalcone aan de golf van Triëst. Na in Spanje tegen Franco en in de oorlog tegen het fascisme te hebben gestreden, vertrokken zij in 1945 naar Joegoslavië om daar de socialistische heilstaat van maarschalk Tito te helpen opbouwen. Toen Tito echter in 1948 brak met Stalin, werden zij als agenten van de communistische vijand naar Goli Otok gedeporteerd om daar door hun voormalige kameraden met sadistisch genoegen te worden gemarteld en vernederd.

Magris bevestigt dat hij dit keer een ‘zwart’ boek heeft geschreven, “een reis zonder mededogen door de hel”, zoals hij het noemt. “Ernesto Sabato heeft de literatuur ooit onderverdeeld in day-time writing en night-time writing. Die eerste vorm is het soort literatuur waarin een auteur een wereld creëert die correspondeert met zijn gedachten en gevoelens. Veel van mijn boeken zijn day-time boeken, al ontbreekt de schaduwzijde ook daar nooit helemaal. Maar soms worden we geconfronteerd met een dubbelganger in ons, onze zwarte kant, en om die te beschrijven, is night-time writing onvermijdelijk.”

Zoals wel vaker in het gesprek gebruikt hij een beeld uit de Griekse mythologie. “Soms sta je opeens oog in oog met de Medusa (de vrouw met slangen als haar, wier aanblik zo angstaanjagend was dat wie haar zag verstijfde en in steen veranderde, EH). Dan kun je niet met haar naar de kapper gaan en zeggen: maak haar eens wat toonbaarder, dan moet je de waarheid onder ogen durven zien. We denken er liever niet te veel aan, maar als we eerlijk zijn, kunnen we niet ontkennen dat ook die zwarte kant een deel van ons is. ‘Blindelings’ toont ons hopelijk niet wat we zijn, maar laat ons wel zien wat we in bepaalde omstandigheden gemakkelijk kunnen worden.”

Utopie

“Maar….!!!”, vervolgt hij met grote nadruk, “ondanks dat dit allemaal waar is, bestrijd ik dat het een pessimistisch boek is. Voor mij is het vooral een roman van verzet, een verhaal over de trouw van mensen aan hun idealen. Salvatore gelooft in een betere wereld en zijn overtuiging drijft hem voort. Je kunt je twijfels hebben over de vlag van het communisme waaronder hij zijn strijd streed, maar wat ik in hem bewonder is zijn wil om de wereld te redden. Hij is een man met passie, iemand die ondanks wat hij meemaakt, blijft strijden voor de zaak waarin hij gelooft. Hij staat lijnrecht tegenover al die mensen die niet de behoefte voelen om van de wereld een betere plek te maken. Als ik ergens een hekel aan heb, dan is het aan die postmoderne gelatenheid van tegenwoordig.”

Dat Salvatore, net als hijzelf, is geboren op 10 april, is een grapje, zegt hij. Maar hij laat er weinig twijfel over bestaan dat hij de passie van zijn romanfiguur deelt. “Laat ik voorop stellen dat ik erg sceptisch sta tegenover mensen die utopieën najagen. Vaak zijn dat mensen die geloven dat zij de enige juiste oplossing hebben voor alle wereldproblemen, en de recente geschiedenis heeft afdoende duidelijk gemaakt tot wat voor verschrikkingen dat kan leiden. Maar het feit dat utopieën zo vaak zijn uitgemond in totalitaire regimes, betekent niet dat we maar moeten ophouden met naar een ideale wereld te streven, zelfs al beseffen we maar al te goed dat zo’n wereld niet bestaat.”

Dit besef duidt Magris in een in 1999 verschenen essay aan met de term ‘onttovering’. ‘Utopie en onttovering’, schrijft hij, ‘moeten niet tegenover elkaar worden gesteld, maar elkaar wederzijds steunen en corrigeren. Eén van de mooiste romans uit de wereldliteratuur is wat hem betreft dan ook Don Quichot, waarin de Don de utopie belichaamt en Sancho Panza voor het tegenwicht zorgt. Hij refereert aan de episode, waarin Don Quichot de grot van Montesinos binnengaat. “Ik heb die grot zelf bezocht en hij is heel klein, maar bij terugkomst vertelt Don Quichot enthousiast over alle reuzen en prachtige feeën die hij er gezien heeft. Dan is Sancho Panza de realist die tegen hem zegt: ‘Misschien is het wel niet waar wat u allemaal vertelt’. Maar hij blijft zijn meester volgen, want ook al weet hij dat Don Quichot hersenschimmen najaagt, hij weet ook dat de wereld zonder diens zoektocht naar de betovering leeg en kaal zou zijn.”

Berlusconi

We praten over het ontbreken van utopisch denken in de huidige maatschappij en over de politieke situatie in Italië, die hem niet vrolijk stemt. Van 1994 tot 1996 zat hij als onafhankelijk afgevaardigde in de Italiaanse Senaat, maar een groot succes werd dat niet. “Ik had mij kandidaat gesteld op verzoek van vijf anti-Berlusconi partijen en doordat rechts verdeeld was, werd ik nog gekozen ook. Maar het was mij in Rome al snel duidelijk dat het politieke bedrijf tegen mijn natuur indruist. Daarom ben ik er na twee jaar mee gestopt. Ik kan mijn kleine bijdrage beter leveren door te schrijven.”

Met zichtbaar plezier vertelt hij hoe hij Roberto Calderoli, een minister van de door hem verfoeide separatistische Lega Nord, een paar jaar geleden op de kast wist te krijgen. “Calderoli is voor het geven van grotere bevoegdheden aan de regio’s, maar hij gebruikte daarvoor steeds het Engelse woord devolution. Ik heb toen in de Corriere della Sera een stuk geschreven, waarin ik pleitte voor een wet die alleen de acteur Alberto Sordi nog toestond om dat woord te gebruiken, omdat hij zo goed is in het imiteren van het soort domme Italiaan dat gelooft dat alles wat uit Amerika komt, beter is. Calderoli reageerde met een lang artikel vol beledigingen en ik heb toen teruggeschreven: ‘bedankt voor uw aandacht en het valt me op dat u nu voor de eerste keer devoluzione schrijft in plaats van devolution. In 41 jaar Corriere is dit mijn grootste succes.’ Dit was trouwens dezelfde minister die ooit een varken meenam naar een moskee. Ik heb toen geschreven: ‘Helaas zijn we niet in Engeland, waar het mogelijk is om dieren aan te klagen. Anders had ik het varken aangeklaagd voor het beledigen van één van de drie grote religies in de wereld door deze minister mee naar de moskee te nemen.’

Vriendschap

Reizen, schrijven en mensen ontmoeten. Sinds Donau is dat het leven dat Magris leidt. “Donau heeft me een nieuwe vrijheid gegeven. Niet alleen veranderde dat boek mijn leven van dat van een hoogleraar Duitse literatuur in dat van een schrijver, maar ook geestelijk gaf het me ruimte. Het gaf me de gelegenheid voor spiritueel flaneren. Als ik iets zie wat ik de moeite waard vind, kan ik er nu achteraan gaan zonder me schuldig te voelen. Het is een veel creatiever leven, veel minder gedomineerd door verplichtingen, veel meer zigeuner, en ik voel me er geweldig bij.”

Vaak heeft Magris zijn liefde voor de zee bezongen. Op de vraag of ook muziek een grote rol in zijn leven speelt, volgt een diepe zucht. “Ik heb een passie voor muziek, maar ik moet helaas bekennen dat ik op dit gebied erg onwetend ben. Mijn zoons verwijten mij dat ik mijn werk en de daarbij behorende verplichtingen veel te lang heb laten voorgaan. Ik heb wel geprobeerd me te verzetten en vrije tijd voor mezelf te creëren, maar dat is niet erg goed gelukt. Dat komt ook omdat ik zoveel andere passies heb. Neem mijn vriendschappen. Er gaat geen dag voorbij zonder dat ik een of meer vrienden ontmoet.” En beslist: “Ik sta geen leven toe zonder vriendschap.”

Nadat de foto’s zijn gemaakt praten we op de kade nog even verder over muziek. “Ik ben altijd jaloers geweest op mijn grote vriend Paolo Bozzi”, zegt hij. “Hij was psycholoog en een goed schrijver, maar hij reserveerde elke dag van zijn academische leven twee uur voor zijn viool. Ook op onze reizen langs de Donau had hij altijd een reisviool bij zich.” Welke componisten hem het meest dierbaar zijn? Hij denkt even na. “Scarlatti, Vivaldi, Mozart. En Schubert natuurlijk, ach, die Lieder.” En daar, op de Molo Audace van Triëst, barst de warmbloedige romanticus die Claudio Magris is, spontaan uit in gezang.

Dit jaar wordt hij zeventig, maar il nostro bambaccio, zoals de eigenares van mijn hotel hem liefkozend noemt (“een goed schrijver, maar naar mijn smaak wel erg links”), peinst niet over stoppen. “Ik ben net begonnen aan een nieuwe roman, maar ik heb nog maar een vaag idee over het verhaal, ik weet zelfs nog niet of de hoofdpersoon een jongen of een meisje wordt. Of het weer zo’n somber boek wordt? Dat kan ik echt nog niet zeggen. Zo is het bij al mijn romans en toneelstukken gegaan, ik wist pas wat het voor boek zou worden, als ik al bijna op de helft was. Zelfs van Donau wist ik lange tijd niet of het een reportage zou worden of een roman.”

We nemen afscheid. Magris wenkt een taxi en ik wandel terug naar het centrum. Op een brug over het Canal Grande slaat James Joyce het stadsgewoel onverstoorbaar gade. Ook andere schrijvers zijn recent door het stadsbestuur in brons vereeuwigd. Mocht Claudio Magris ooit de Nobelprijs winnen, dan valt ook hem ongetwijfeld die eer te beurt. Als ik hem in café San Marco vraag of zo’n standbeeld hem wat lijkt, krijgt hij spontaan een lachbui. “Een standbeeld? Van mij? Ha, ha, dat zullen de duiven leuk vinden.” Hij proest het uit. “Ik zie me al staan met een duif op mijn kop. Schitterend toch?”

Claudio Magris

Claudio Magris (Triëst, 1939) studeerde aan de universiteit van Turijn Duitse taal en letterkunde en promoveerde in 1962 op het proefschrift De Habsburgse mythe in de Oostenrijkse literatuur, een boek dat inmiddels in zes talen is vertaald. Tot 1978 was hij hoogleraar Duitse letterkunde in Turijn, vanaf dat jaar tot aan zijn emeritaat bekleedde hij die leerstoel aan de universiteit van Triëst.

Magris kreeg eredoctoraten van de universiteiten van Straatsburg (1991), Kopenhagen(1993), Klagenfurt (1995), Szeged (1999), Madrid (2006) en Paris Nanterre (2006). In 2001 werd hem de Nederlandse Erasmusprijs verleend.

Hij publiceerde ruim dertig letterkundige studies, romans, toneelstukken en essaybundels en schrijft al vele jaren beschouwingen in dagblad Corriere della Sera. Donau, zijn magnum opus uit 1986, is inmiddels in 22 talen vertaald. De eerste van die vertalingen was de Nederlandse van Anton Haakmat.

Aan de andere kant

Triëst is tot de eerste wereldoorlog de belangrijkste haven van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. In 1918 wordt de stad, met het Karstgebergte en het schiereiland Istrië, ingelijfd bij Italië. In 1945 bezetten de partizanen van Maarschalk Tito stad en ommeland en alleen dankzij ingrijpen van de geallieerden wordt voorkomen dat Triëst deel wordt van Joegoslavië. De Karst en Istrië met de havenstad Fiume (nu Rijeka) worden wel door Tito geannexeerd. In 1954 worden de nieuwe grenzen door de vier grote mogendheden bekrachtigd.

In Aan de andere kant, beschouwingen over grenzen beschrijft Claudio Magris de invloed van de stad op zijn werk.

Triëst was tijdens mijn kinderjaren niet alleen een grensstad, het leek zelf een grens die bestond uit zoveel kleine grenzen dat ze elkaar binnen in de stad doorsneden en zelfs kruisten in de karakters en de leefwijze van de inwoners. (...) Wanneer ik met mijn vriendjes op de Karst ging spelen, zag ik heel concreet het IJzeren Gordijn, de grens die toen de hele wereld in tweeën sneed en die zich maar een paar kilometer van mijn huis bevond. Daarachter begon de immense, onbekende en bedreigende wereld die het rijk was van Stalin. (...) Maar toch waren die gebieden, die tot het ‘andere’ Europa behoorden, tot een paar jaar geleden Italiaans geweest; totdat ze aan het einde van de oorlog door Joegoslavië bezet en geannexeerd werden. (...) In Triëst leidde dit alles dikwijls tot een gevoel van onzekerheid, van nergens bij te horen en een vreemde te zijn; het paradoxale gevoel tegelijk in het centrum en aan de periferie van het leven te wonen. De stad, die tot 1954 een vrijstaat was, werd in die periode bestuurd door de Amerikanen en de Engelsen, en behoorde wel en niet tot Italië. Hier was het gemakkelijker dan elders om te twijfelen of je een toekomst had, je wist niet goed wie en wat je was, en dat leidde tot aanhoudende ensceneringen van de eigen identiteit. (...) Het ervaren van deze warboel bracht een vroegrijpe ontgoocheling met zich mee, een illusieloze scepsis ten aanzien van elk geloof in een rechtlijnige voortgang van de geschiedenis. (...) Zonder deze grenservaring zouden veel van mijn boeken niet zijn ontstaan. Heel Donau is een boek over grenzen, een zoektocht die diende om grenzen te overschrijden en te overwinnen, niet alleen nationale, maar ook culturele, linguïstische, psychologische; grenzen in de uitwendige werkelijkheid, maar ook in het binnenste van een individu, grenzen die de verborgen, duistere zones van de persoonlijkheid scheiden en die eveneens overschreden moeten worden, als we ook de meest verontrustende componenten van de archipel waaruit de eigen identiteit bestaat, willen kennen en aanvaarden.

Uit ‘Utopie en onttovering’

De onttovering brengt, als ogen die te veel gezien hebben, het melancholieke zelfbewustzijn met zich mee dat de erfzonde is begaan, dat de mens niet onschuldig is. Maar ze doet ook beseffen dat de wereld bij tijd en wijle zo betoverend is als het Aards Paradijs, dat zwakke en slechte mensen ook in staat zijn tot ruimhartigheid en liefde. De onttovering is een tegenstrijdigheid die het verstand niet kan oplossen en die alleen door de poëzie kan worden uitgedrukt en bewaakt, want onttovering zegt dat de betovering niet bestaat, maar suggereert door de toon en de wijze waarop zij dat zegt dat die betovering ondanks alles bestaat en kan verschijnen wanneer men er het minst op bedacht is. Een stem zegt dat het leven geen zin heeft, maar het diepe timbre van die stem is de echo van de zin.

Uit ‘Blindelings’

Wij pijeskari, zanddelvers, moesten in die zee staan tot op borsthoogte, ook ’s winters, en met de schop over de bodem schrapen om zand te scheppen en de berries te laden, omhoog en omlaag met de schop, in het ijskoude water. Na een poosje voel je zelfs de ijzige kou niet meer; de schop gaat omhoog en omlaag, als je hem niet snel vol zand omhoog brengt, krijg je stokslagen, eentje hebben ze zijn neus gebroken en hij bleef daar staan, nat tot op zijn borst, met een kapot gelaat, bloed en snot van ijs.

Uit ‘Blindelings’

Af en toe zetten ze de ustascia-nationalisten die daar aan het eind van de oorlog waren opgesloten een van ons voor, en die lieten merken hoe graag ze nog een keer gehate communisten folterden, dit maal op bevel van andere communisten, en sommigen gingen eraan onderdoor. Antonio de Pol bijvoorbeeld was in Spanje kapitein geweest in het Vijfde Regiment en had een arm verloren zonder de strijd op te geven, maar toen twee ex-ustascia’s zijn andere arm hadden gebroken en in zijn mond hadden gepiest kon hij het niet meer aan, klom op een rots en stortte zich naar beneden, waar hij op het gesteente te pletter viel.

Uit ‘Utopie en Onttovering

De ironie is een guerilla tegen het pathos vanuit de onderbuik en het postmoderne minimalisme; zij is een tedere en tegelijk sterke deugd.

Uit ‘Utopie en Onttovering

Revolutionaire utopieën zijn als gist, dat op zichzelf niet voldoende is om brood te maken, in tegenstelling tot wat veel ideologen gemeend hebben, maar dat wel nodig is om een goed brood te bakken.

interview

Corian van der Steen

Tot nu toe heb ik één keer gescoord voor FC Utrecht. Dat was in september uit tegen ADO Den Haag, de eerste keer dat ik in een stadion speelde. Ik werd een paar meter buiten het strafschopgebied een beetje alleen gelaten en kreeg de bal van de spits toegespeeld. Ik dacht: ik schiet maar eens. Hij ging erin.

Ik wist eigenlijk helemaal niet wat ik toen moest doen, want ik was vooral heel verrast. Ik ging maar een beetje juichen. Later zag ik op televisie het doelpunt met commentaar, dat was wel gaaf. Uiteindelijk verloren we die wedstrijd met 3-2, dus dat was wel jammer. Want ik win liever zonder dat ik een doelpunt maak dan andersom.

Sinds dit seizoen voetbal ik in de eredivisie. Dat is wel een groot verschil met Saestum, de hoofdklasser uit Zeist waar ik hiervoor speelde. Alles gaat veel sneller. Als je de bal krijgt, moet je al weten waar je heen gaat passen anders heb je zo een verdediger op je dak. Bij Saestum had je wat langer de tijd. Ook is mijn rol in het team anders. Eerst had ik wat meer een leidende rol en moest ik het spel verdelen, maar bij Utrecht begon ik weer helemaal onderaan. Nu ben ik basisspeelster.

Vroeger stond ik bij mijn broer langs de lijn een balletje te trappen met de wissels en daarom ging ik zelf ook maar op voetbal. Ik was er toch altijd al. Natuurlijk heb ik als klein meisje wel geroepen dat ik topvoetballer wilde worden, want dat deden de jongens ook. Maar heel ambitieus was ik nooit. Ik was me er niet zo van bewust dat je op heel hoog niveau kon voetballen.

Tot mijn vijftiende heb ik altijd met alleen maar jongens in een team gezeten. Daar heb ik wel veel van geleerd. Ze kunnen toch beter voetballen. Op het laatst werd het wel minder leuk, ik kon moeilijker meekomen, omdat zij sterker werden. En ik vond het niet meer zo leuk om steeds alleen in de kleedkamer te zitten. Daarna heb ik nog twee jaar in het meisjesteam van Doorn gevoetbald. Maar dat viel uit elkaar.

Toen ik op mijn zeventiende Informatiekunde ging studeren, ging ik bij Saestum in Zeist spelen. Ik had ook naar Odysseus kunnen gaan, maar Saestum speelde in de hoofdklasse en deed altijd mee om het kampioenschap dus daar had ik wat meer kans om hogerop te komen. Ik begon in het derde en schoof halverwege het jaar door naar het tweede. Het seizoen daarna begon de eredivisie voor vrouwen dus de meeste speelsters uit het eerste gingen daar spelen. Ik kwam toen in het eerste van Saestum.

Het is mooi dat de eredivisieclubs van de mannen mee willen doen met de eredivisie voor vrouwen. Als ik zeg dat ik bij Saestum speel, weet niemand wat voor team dat is, terwijl het in het vrouwenvoetbal een hele grote club is. Als ik zeg dat ik bij FC Utrecht speel weet iedereen meteen waar ik het over heb.

Saestum heeft een samenwerkingsverband met FC Utrecht, dus wij trainden vorig seizoen al regelmatig met dat team samen. De reservespeelsters van Utrecht deden ook met onze wedstrijden mee. Op een keer werd ik gebeld of ik mee wilde doen met een training. Ik dacht dat we gewoon weer met beide teams samen zouden trainen, maar in de kleedkamer zag ik maar één speler van mijn eigen team. ‘Waar is iedereen’, vroeg ik.

Na een paar trainingen werd ik stagespeelster. Toen mocht ik elke week meetrainen en ook meedoen met de oefenwedstrijden. Aan het einde van vorig seizoen kreeg ik te horen dat ik goed aansloot bij het niveau. Ze vroegen of ik bij hen wilde komen spelen. Dat was niet echt meer een verrassing, want ik kon goed meekomen en had al wat hints gekregen. Lang hoefde ik daar dus niet over na te denken.

Mijn studie koos ik eigenlijk door af te strepen wat ik allemaal niet wilde doen. Ik heb nog overwogen om een sportopleiding te gaan volgen, maar ik had vwo gedaan dus ik wilde toch wel graag naar de universiteit. Het werd Informatiekunde. Ik ben derdejaars en haal waarschijnlijk dit jaar mijn bachelor. Daarna wil ik nog een master gaan doen.

Omdat we met Utrecht elke middag trainen, mis ik wel veel colleges. Maar misschien wel dankzij het sporten, heb ik tot nu toe alles gehaald. Ik ben een doorzetter, ook als ik een vak niet leuk vind, maak ik het af.

Mijn studiegenoten gaan na school wel vaak wat leuks doen, wat drinken of even poolen. Ik kan dan nooit mee, daar baal ik wel van. Als ik eenmaal op het veld met een bal sta, heb ik daar geen last meer van. Maar daarvoor denk ik: ik zit toch liever bij mijn studiegenoten. Vroeger dacht ik: als je gaat studeren wordt het gezellig en ga je bij een vereniging. Het blijkt iets anders te lopen. Misschien heb ik later wel spijt van wat ik nu allemaal laat. Mensen zeggen toch dat je studentenleven de mooiste tijd is. Maar aan de andere kant: ik heb met het voetbal ook een toffe tijd. Er zijn genoeg mensen die met me zouden willen ruilen, dus dat is ook wel weer leuk.

Mijn teamgenoten hebben natuurlijk hetzelfde. Ongeveer de helft werkt, de andere helft studeert ook. Iedereen houdt te weinig tijd over voor andere dingen. De mensen die werken beginnen soms al om zeven uur ‘s ochtends, zodat ze ’s middags kunnen trainen. Dan heb ik het eigenlijk nog makkelijk. Hoe dat over een paar jaar moet als ik ben afgestudeerd, weet ik nog niet. Dat zie ik dan wel weer. Voorlopig blijf ik in elk geval voetballen.

De mannen van FC Utrecht zien we af en toe in het spelershome. Je kijkt toch wel tegen ze op, maar als je met ze praat merk je niet zoveel verschil. Zij voetballen ook heel veel, alleen krijgen zij er iets meer voor betaald. Wij krijgen alleen een reiskostenvergoeding.

CV

Corian van der Steen (20) is derdejaars student Informatiekunde. Na een jaar bij Saestum in de hoofdklasse gevoetbald te hebben, maakte ze dit seizoen de overstap naar eredivisionist FC Utrecht.

’Ik heb verenigingen bezocht, waarvan ik het bestaan niet wist’

Een kantorencomplex aan de Boothstraat. Hier huist het vijfkoppige bestuur dat samen de Landelijke Kamer van Verenigingen (LKvV) vormt. Geen monumentaal onderkomen, zoals we dat kennen van de grote Utrechtse studentenverenigingen, maar een bedrijfspand, dat gedeeld wordt met startende ondernemers. “We huren het van het USC”, vertelt Herman Steinvoort. Hij is de quaestor - de penningmeester - van de LKvV.

Het corps is één van de vier Utrechtse studentenverenigingen, die is aangesloten bij de belangenorganisatie. Ook Veritas, Unitas en UVSV horen hierbij. En de andere Utrechtse studentenverenigingen? “Een vereniging wordt niet automatisch lid van de LKvV. Momenteel zijn er landelijk 46 van de 70 verenigingen aan ons verbonden. Wij komen regelmatig bij deze verenigingen langs en onderhouden goede contacten met hun bestuursleden. Dit aantal mag niet te groot worden, omdat het voor ons behapbaar moet blijven. Als je te veel verenigingen toelaat, moet je ook meer bezoekjes afleggen, vergaderen enzovoort. Ook moet een vereniging bewijzen dat ze geen eendagsvlieg is. Ze moeten eerst een uitgebreid traject afleggen om bij LKvV te kunnen horen. De deur zit dus niet op slot. Een vereniging als UMTC of Biton maakt in de toekomst ook kans”, aldus preses Lex de Jongh.

Roken & drinken

Waar houdt de LKvV zich dan mee bezig? De Jongh: “We houden dus veel contact met de aangesloten verenigingen. We leren een vereniging kennen en komen op borrels. Ook willen we de informatie-uitwisseling naar en tussen de verenigingen bevorderen. Zo organiseren we bijvoorbeeld een alcoholbeleidsdag, waarop verenigingen workshops krijgen over het hanteren van hun alcoholbeleid. Ook met het rookverbod hebben we de verenigingen geïnformeerd over de nieuwe reglementen. Zij weten hierdoor welke maatregelen ze moeten nemen”, zegt De Jongh. “We houden ons dus ook met politiek bezig. Zo hebben we bijvoorbeeld een voorontwerp ontvangen over de nieuwe alcoholwetgeving. Hierin staan studentenverenigingen onder de noemer 'para-commerciële horeca' en worden ze gelijkgeschakeld met sportverenigingen. Maar het alcoholbeleid op een sportkantine is natuurlijk niet te vergelijken met een studentensociëteit. Er lopen op verenigingen geen 16-jarigen rond, waardoor de schenktijden moeten worden aangepast. Hierover hebben we contact met Den Haag en verdedigen wij de belangen van de verenigingen. In februari vergadert de Tweede Kamer hier over, maar we hebben de afgelopen maanden al flink gelobbyd.”

Steinvoort solliciteerde voor een bestuursfunctie van de LKvV omdat hij benieuwd was naar de andere verenigingen. “Je komt normaal gesproken alleen op je eigen vereniging, in mijn geval het USC en soms bij andere verenigingen in Utrecht. Nu heb ik verenigingen bezocht, waar ik niet eens van het bestaan afwist. Ook het inhoudelijke deel sprak me aan. Wij kunnen dieper in onderwerpen duiken, zoals het rookverbod, waar bij verenigingen zelf geen tijd of mogelijkheden voor zijn.”

Zijn bestuursgenoot De Jongh ging voor de LKvV omdat hij een jaartje stoom wilde afblazen. “Ik wilde graag een bestuursjaar doen. Ik heb vier jaar Rechten gestudeerd en was een beetje vastgeroest in het stramien. Via via werd ik hierop geattendeerd. De highlights dit jaar zijn vijf te organiseren congressen voor de verenigingen en het politieke gebeuren. Ook doen we elk jaar een onderzoek. Dit jaar willen we onderzoeken hoe de interne rechtspraak bij onze verenigingen is geregeld. Bijvoorbeeld de verhouding tussen de hantering van de wetten op een sociëteit en het geldende recht.

Een ander aspect van onze dagelijkse bezigheden is het bijdragen aan een reële beeldvorming over de verenigingsstudent. Dit beeld is nog steeds erg eenzijdig. Natuurlijk, er wordt veel gedronken op verenigingen, maar ze zijn niet voortdurend laveloos. Om dit beeld de kop in te drukken, gaan we bijvoorbeeld bij middelbare scholen langs om hun te vertellen over het studentenleven. Misschien is het vechten tegen de bierkaai en blijft het beeld hetzelfde, maar als je geen moeite doet, treedt er sowieso geen verandering op.”

Bestuursbeurzen

Enkele weken geleden verscheen in het UBlad een artikel over de herverdeling van bestuursbeurzen voor studieverenigingen. Tineke Scheenaard, voorzitter van de studievereniging van filosofen (FUF), opperde toen dat 'gezelligheidsverenigingen best wat meer hun eigen broek zouden op mogen houden'. “Een misvatting”, luidt het commentaar van De Jongh. “Studentenverenigingen hebben net zo goed recht op een beurs. Het gaat er tijdens je studie niet alleen om wat je in de collegebanken leert, ook je bezigheden naast je opleiding zijn van belang. Studieverenigingen zijn alleen op de studie en op de mensen van die studie gericht. Natuurlijk doen ze niet alleen activiteiten die met de studie te maken hebben, maar ook bijvoorbeeld de feesten van studieverenigingen zijn voor een speciale studie of faculteit, voor studenten met dezelfde achtergrond. Bij een gezelligheidsvereniging leer je ook samenwerken met mensen uit andere studiedisciplines. Het is een plek, waar studenten binnen het gehele hoger onderwijs actief zijn en die niet beperkt is tot één categorie. Dat vind ik niet alleen, gelukkig zijn er veel mensen bij de overheid die deze mening delen. Zij vinden ook dat verenigingen een onmisbaar onderdeel van een rijk studentenleven zijn.” Daarnaast denkt De Jongh dat de verenigingen bijna geen winst maken. “Al het geld vloeit terug in de vereniging, vaak wordt het besteed om meer activiteiten te organiseren. Feesten, lustra, dat soort dingen. Bij Veritas is de winst ooit gebruikt om nieuwe tafels te kopen. Het idee dat verenigingen rijk zijn is een fabeltje uit oude tijden.”

Naast de perikelen over de drank- en horecawetgeving, ligt er in Den Haag een ander LKvV-voorstel op tafel. “Het idee is, om de student, die een bestuursjaar doet, geen collegegeld te laten betalen. Voor de universiteit is het rendementvoller, omdat er geen 'spookstudenten' ingeschreven staan en de student hoeft niet te betalen voor onderwijs, wat hij toch niet volgt. Je kan natuurlijk zeggen dat die student zich dan maar moet uitschrijven, maar dan heeft hij geen recht op een OV-kaart en mag hij niet lenen bij de IB-Groep”, aldus Steinvoort. “Het probleem is, dat iemand de beurzen moet betalen. Dat zijn er per jaar 500, van 1500 euro per stuk. Het gaat dus om een behoorlijk bedrag. Momenteel zijn we met het Ministerie van OCW (Onderwijs, Cultuur en Welzijn, red.) in overleg. Ze zijn het er mee eens dat er iets moet gebeuren, alleen hebben ze een andere oplossing voor ogen. Ze willen de bestuursbeurs verhogen, zodat je meer geld krijgt tijdens een bestuursjaar. We hopen dat we met een oplossing kunnen komen”, zo zegt De Jongh.

Utrechts onderonsje

Zoals gezegd zijn de Utrechtse verenigingen goed vertegenwoordigd in het huidige LKvV-bestuur. En dat is geen uitzondering. Sinds 2006 zijn er elk jaar drie bestuurders geweest, die gelieerd waren aan Utrechtse studentenverenigingen. “Het belangrijkste punt is, dat hier ons kantoor zit. Dat maakt het al minder aantrekkelijk voor iemand uit Groningen of Maastricht om hier elke dag naar toe te gaan. Het is natuurlijk een dagelijkse job. We hebben iemand uit Amsterdam in het bestuur, zij reist op en neer. Zij is vaak aangewezen op het nachtnet van de NS. Voor haar is het dus zwaarder dan voor de Utrechters. Dat er veel Utrechters inzitten is dus wel logisch. Het is aantrekkelijker om een functie in je eigen stad te doen. Daarom is Utrecht de voornaamste vijver om uit te vissen”, zegt De Jongh, zelf lid bij Veritas.

Wat vinden verenigingen van de LKvV?

Emma Landstra, preses van lid UVSV “Ik kan eigenlijk alleen zeggen dat we heel erg tevreden zijn met de LKvV. De activiteiten die ze voor de verenigingen organiseren zijn erg nuttig. Afgelopen dinsdag bijvoorbeeld, was er een alcoholbeleidsdag, voor alle LKvV-verenigingen. Dit hebben wij absoluut als nuttig ervaren. Het is altijd goed om te horen hoe het ergens anders gaat en om van elkaar te leren.”

Ab actis Nicole Rouwet van UMTC die graag lid wil worden van LKvV: “We zien een lidmaatschap als een logisch vervolg in de professionalisering van de vereniging. We zijn vorig jaar toegetreden tot de FUG, maar de LKvV is grootschaliger, heeft een link met grotere instanties, zoals met 'Den Haag'. Zo zou het 'BOM-weekend', waarin met andere bestuurs van andere verenigingen informatie wordt uitgewisseld, voor ons erg nuttig zijn. Ook de congressen, waarbij je een kijkje in de keuken van andere verenigingen krijgt, brengen veel kennis en ervaring samen.”

Willemien Wiggers, preses van niet-lid Biton: “We zijn vroeger, tot begin jaren 90, lid geweest van de LKvV. Destijds is besloten dat de kosten en inspanningen niet opwogen tegen de baten. Het brengt verplichtingen met zich mee, zowel qua vergaderingen als op financieel vlak. Daarnaast krijgen we onze informatie ook wel via de FUG. De workshops die de LKvV houdt, kunnen we elders ook volgen. Het voegt dus voor ons nog steeds niet veel toe. Ik zie ons de komende drie jaar niet toetreden.”

Vera Diepeveen, ab actis van lid Unitas S.R.: “De meeste leden kennen de LKvV wel, maar weten niet wat hun functie inhoudt. Ze staan bijvoorbeeld niet bekend om het organiseren van feesten, maar zijn ondertussen wel erg nuttig op de achtergrond aanwezig. Ik kom net uit een vergadering waar we hebben gesproken over de brandveiligheid en de veiligheid van de panden van de verenigingen. Erg belangrijke zaken, waarover het interessant is te horen, hoe het bij andere verenigingen gaat. De meerwaarde ten opzichte van de FUG is het kortere lijntje naar de 'hogere lagen', Den Haag dus. De politiek weet dat ze studentenverenigingen kunnen bereiken via de LKvV. Als je per PKVV (de plaatselijke kamer van verenigingen, zoals de FUG in Utrecht, RB) contact zou hebben met de politiek, wordt het een stuk complexer.”