Achtergrond

Medewerkers geven universiteit een 7,1

Op bijna alle fronten meer tevredenheid

De meeste medewerkers van de Universiteit Utrecht waren eind vorig jaar iets gelukkiger met hun baan dan drie jaar geleden. Dat blijkt uit de medewerkersmonitor 2008. Vooral het oordeel over de zogenoemde Resultaat- & Ontwikkelingsgesprekken met de leidinggevende is sterk verbeterd. Veel klachten zijn er nog over ict-ondersteuning, de bedrijfsrestaurants en de universitaire gebouwen.

Xander Bronkhorst

De universiteit krijgt van haar medewerkers een 7,1 als rapportcijfer. In vergelijking met de twee voorgaande personeelsenquêtes, in 2002 en 2005, is de tevredenheid van de universitaire medewerkers met tweetiende punt toegenomen. Tijdens het eerste grootschalige onderzoek onder personeel in 2000 kreeg de UU nog een 6,6.

Bijna veertig procent van de respondenten waardeert de universiteit met een cijfer hoger dan 8. Acht procent geeft een onvoldoende.

Ongeveer 2900 medewerkers, de helft van het totale aantal, vulden de online enquête in. Daarmee viel de respons drie procent hoger uit dan vorige keer. Op vrijwel alle deelaspecten oordelen de medewerkers positiever dan voorheen.

Werkplezier

Meer dan tachtig procent van de respondenten gaat met plezier naar het werk. Driekwart zou zeker weer voor dezelfde baan kiezen, als ze opnieuw een keuze konden maken. Medewerkers tonen zich vooral in hun nopjes met de zelfstandigheid en vrijheid die de UU hen biedt. Ook zijn ze blij met het inhoudelijke en intellectueel uitdagende karakter van hun werkzaamheden. Verder wordt de sfeer en collegialiteit positief beoordeeld.

Opvallend is wel dat medewerkers in hogere salarisschalen meer tevreden zijn over hun werk dan hun lagerbetaalde collega’s. <ParaStyle:bod>Verder is het ondersteunend en beheerspersoneel (OBP) gemiddeld iets positiever dan het wetenschappelijk personeel (WP).

Daarnaast is er toch nog een vrij omvangrijke groep medewerkers, veertien procent, die is vastgelopen in zijn of haar werk. Vijf procent blijft zelfs liever thuis dan dat naar de universitaire werkplek wordt afgereisd.

Werkdruk en stress

Driekwart van het wetenschappelijk personeel neemt vaak of zelfs altijd werk mee naar huis. Eenzelfde percentage maakt meer uren dan waarvoor ze zijn aangenomen. Een kwart van de mensen die extra arbeid verzetten, zegt dit belastend te vinden. Hoogleraren werken het meest, maar juist deze groep vindt dit het minst bezwaarlijk.

Ook gedurende een werkdag moet er flink worden doorgeploeterd. <ParaStyle:bod>Liefst tachtig procent van het WP vindt geen moment om het even rustig aan te doen. Bij bijna de helft blijft er werk liggen. Dit wordt over het algemeen als belastend ervaren.

Het OBP maakt minder overuren en werkt ook minder thuis. Deze groep klaagt ook in geringere mate over de stress die daarmee gepaard gaat.

Ook ongewenst gedrag van collega’s, leidinggevenden en studenten kan werkstress opleveren. Tien procent van alle medewerkers heeft hier mee te maken gehad. De meest genoemde klacht betreft pesten, roddelen en psychisch geweld (zeven procent). Ook discriminatie komt bij drie procent van de mensen voor. Eén procent zegt slachtoffer te zijn geweest van agressie, fysiek geweld of seksuele intimidatie.

Faciliteiten

Hoewel de mening over de faciliteiten en dienstverlening positiever is dan drie jaar geleden, blijven medewerkers kritisch. Alleen de service van de Universiteitsbibliotheek scoort goed. Over elk van de andere bevraagde faciliteiten velt meer dan twinig procent van de respondenten een negatief oordeel. <ParaStyle:streamer>Vooral de ict-ondersteuning moet het ontgelden. <ParaStyle:bod>Meer dan één op de drie werknemers is daar ontevreden over.

Uit de respons op een vraag naar een oordeel over de ondersteunende diensten in het algemeen, blijkt dat de waardering hiervoor aanzienlijk lager ligt dan voor onderzoek en onderwijs. Wetenschappelijk personeel oordeelt daarbij negatiever dan het ondersteunend personeel zelf. Zeventien procent van het WP geeft de ondersteunende diensten een onvoldoende.

Overigens krijgen ook de universitaire gebouwen en bedrijfsrestaurants veel onvoldoendes. <ParaStyle:bod>Bijna de helft van de medewerkers vindt deze slecht.

Leidinggeven

Bij de verschillende vragen over het contact met hun directe leidinggevende oordeelt vier tot tien procent van de respondenten positiever dan drie jaar geleden. Zo zegt bijna tachtig procent dat hun baas de resultaten van hun werk voldoende tot goed kan beoordelen. Ook meent 85 procent voldoende steun te ontvangen. Bijna negentig procent van de ondervraagden noemt de werksfeer binnen de eenheid goed.

Opzienbarend is de gegroeide tevredenheid over het R&O-gesprek. Bijna driekwart ervoer het onderhoud als zinvol. Drie jaar geleden vond slechts de helft van de medewerkers dat ze er iets mee opschoten.

Toch is er ook kritiek. Zo vindt meer dan dertig procent dat er weinig aandacht is voor hun ontwikkelingsmogelijkheden. Meer dan een kwart zegt bovendien dat hun leidinggevende geen inhoudelijke bijdrage levert aan hun werk.

Ook de interne communicatie lijkt nog voor verbetering vatbaar. Veel respondenten vinden dat ze slecht op de hoogte worden gehouden van belangrijke zaken en ontwikkelingen in hun directe omgeving.

Arbeidsvoorwaarden

Tevreden met hun salaris zullen universitaire medewerkers nooit worden. Ongeveer een derde noemt het inkomen niet passend bij de werkzaamheden en ook niet in overeenstemming met hun kennis en capaciteiten. Bovendien zien velen dat de vooruitzichten voor salarisgroei niet denderend zijn. Bij het WP zijn vooral universitaire docenten ontevreden over hun salaris, bij het OBP zijn dat de analisten. Het salaris is relatief vaak één van de redenen om een andere werkgever te zoeken.

De gedachten over de secundaire voorwaarden zijn - vooral bij het OBP - stukken positiever. De mogelijkheden om in deeltijd te werken, om een opleiding te volgen en om betaald ouderschapsverlof op te nemen worden daarbij met name genoemd. Het WP is vooral blij met de mogelijkheden om de eigen werktijden te regelen en om thuis te werken. De medewerkers geven gemiddeld een 7.2 voor het totale pakket aan arbeidsvoorwaarden, iets meer dan veertig procent geeft een 8 of hoger.

Nynke de Jong

Mirjam Streefkerk

Eigenlijk hobbelde ik altijd een beetje achter dat internet aan. Ik vond schrijven heel leuk, maar had er nog niet echt een goede vorm voor gevonden. Totdat ik erachter kwam wat een weblog was en hoe dat werkte. Toen ik in 2004 begon, schreef ik vooral over mijn studentenhuis waarin ik en nog dertien anderen woonden, ik had maar weinig bezoekers.

Het balletje ging pas echt rollen toen ik een keer een stukje schreef over Marten Hoepla, een blogger wiens stukjes ik heel leuk vond. Hij had dat opgemerkt en reageerde daar weer op. Sindsdien had ik een vaste kring van lezers. Op het laatst waren dat er iets van driehonderd per dag, wat best netjes is voor een log. Met die vaste bezoekers voelde het een beetje als een kringgesprek, waarin je niet alles steeds meer hoefde uit te leggen. Dat is nu op de website van Viva wel anders, alleen al omdat die een half miljoen bezoekers per maand heeft.

Zonder hele hoge verwachtingen had ik me vorig jaar ingeschreven voor de jaarlijkse webstrijd van Viva.nl. Webloggers konden hun log insturen en lezers mochten stemmen welke blogster een jaar lang stukjes voor de website mag schrijven. Eerst zat ik bij de laatste 25, vervolgens bij de laatste zes en op vakantie in Praag werd ik gebeld met de mededeling dat ik had gewonnen. Ik stond te gillen in een of ander binnentuintje. Eigenlijk verwachtte ik dat de vrouw die schattige stukjes over haar kinderen schreef ging winnen. Zij kreeg steeds hele lieve reacties, terwijl ik vaker negatieve reacties kreeg.

Mijn studententijd is een mooie inspiratiebron voor mijn stukjes: ik kan nu nog schrijven dat ik een meisje ben dat een beetje voortploegt door het leven. Maar er is natuurlijk een houdbaarheid aan hoe lang je door kunt fladderen. Straks ben ik een vrouw met een baan en een salarisstrook, dus dat is wel een overgang. Het zou fijn zijn als ik als freelance tekstschrijver aan de slag kan, maar dat lijkt me ook wel heel eng omdat je dan je eigen zaakjes moet regelen en maar moet zien wat je elke maand binnenschraapt. Ik zou ook wel op een redactie willen werken of willen lesgeven. Dat zou ook wel veel stof voor stukjes opleveren.

Na een jaar Taal- en Cultuurstudies maakte ik in 2004 de overstap naar Nederlands. Ik schreef en las altijd al veel en al vrij snel wist ik dus dat ik de literatuurkant op wilde. In literatuur zit alles, het gaat niet alleen om de tekst, maar ook over geschiedenis, over de maatschappij waarin een boek wordt geschreven. Mijn scriptie gaat over een debat over socialisme dat rond 1900 in De Kroniek, een literair tijdschrift, werd gevoerd. Daarvoor moet ik dan dus ook weten dat er nog geen algemeen kiesrecht was en dat het socialisme enorm in opkomst was. Als ik later ook over literatuur kan schrijven, zou dat ideaal zijn.

Als ik een roman lees, doe ik dat meestal met veel bewondering. Ik ben nu helemaal weg van literaire non-fictie zoals boeken van Geert Mak of Frank Westerman. Het is heel tof als je een verhaal kunt vertellen waar mensen ook nog iets van kunnen opsteken, dat wil ik over een jaar of veertig ook weleens proberen. Columns lees ik met een professioneel oog. ‘Hoe doet hij dat nou, zou ik deze stijl ook kunnen proberen’, vraag ik me dan af.

Martin Bril vond ik heel goed. Hij kon met weinig woorden heel veel zeggen en liet de interpretatie van zijn stukjes aan de lezer over. Ik zou graag ook wel met minder woorden willen kunnen schrijven, maar ik weet niet of dat bij me past. Nu moet ik het vaak vooral nog van de hysterie hebben. Aaf Brandt Corstius vind ik ook heel goed, het is heel knap wat zij doet: elke dag een column schrijven.

Mijn stijl is dat ik probeer op een luchtige manier het leven te bekijken, met de nodige humor erin. Schrijven is vooral veel kilometers maken. Op mijn oude blog hadden mijn verhalen lang niet altijd een kop en een staart, bij Viva moet ik wel echt binnen 300 woorden mijn punt maken. Ik denk ook meer na over de opbouw: als ik een grap maak, moet ik er niet te snel er weer een maken.

Soms krijg ik van lezers te horen dat ik oppervlakkig ben. En heel soms word ik daar wel een beetje pissig van. Ik kan er niets mee, tegen zo’n opmerking kun je je niet echt verdedigen. Maar aan de andere kant: de mensen die dat zeggen kennen me niet. Het zou pas echt erg zijn als mijn vrienden zouden zeggen dat ze me oppervlakkig vinden, of mijn moeder. Mensen zitten ook heus niet te wachten op een serieus stuk van mij over de recessie, daarvoor kunnen ze Elsevier lezen of Vrij Nederland.

De stukjes die ik schrijf over afvallen, roepen de meeste reacties op. Of laatst: toen fietste ik over straat en zag iedereen in zomertenue over straat lopen terwijl het amper twintig graden was. Ik vind dat belachelijk en typisch Nederlands en schreef daar dus een stukje over onder de titel ‘Wit lillend vet’. Daar kreeg ik veel negatieve reacties op.

En – dit ga ik heel diplomatiek zeggen – het is lastig dat mensen niet lezen wat er staat, dat ze getriggerd worden door het onderwerp dat je aansnijdt en daar negatief op reageren. Ik moet dan mijn logjes gaan uitleggen, terwijl ik zoiets heb van: als je het niet snapt, laat dan maar. Ik heb nog nooit een stuk geschreven waar ik achteraf niet meer achter stond.

Ik krijg gelukkig ook veel positieve reacties en de redactie van Viva staat ook nog steeds achter mijn verhalen, ik heb nu zelfs een contract voor onbepaalde tijd. Als ik over racefietsen schrijf, kan iemand die in een rolstoel zit het onderwerp heel pijnlijk vinden, omdat zij helemaal niet kán racefietsen. Mensen kunnen altijd iets aanstootgevends halen uit wat ik ook schrijf, ik ga dus maar gewoon zo door.

CV

(24) is vijfdejaars student en volgt de master Nederlandse Literatuur. Ze blogt voor Viva op www.viva.nl en schrijft een column in Nobiles Magazine. Haar oude weblog is te vinden op nynkeslog.blogspot.com.

’Mijn moeder dacht altijd al dat er iets aan de hand was….’

Autisme als studiehandicap

“Mijn moeder dacht altijd al dat er iets aan de hand was. Ze vond het niet normaal hoe bang ik reageerde wanneer ik met nieuwe dingen te maken kreeg. Alle kinderen vinden het eng om voor het eerst de zee in te gaan of om te leren fietsen, maar ik was abnormaal angstig. Ik heb toen allerlei testen gedaan. Daar kwam uit dat ik wat teruggetrokken was, maar dat er verder niets mis was. Zelf voelde ik wel dat ik anders was dan andere kinderen, maar ik leed er niet onder. Dat ik moeite had om me op mijn gemak te voelen in een nieuwe klas, dat hoorde gewoon bij mij.”

Steeds gefrustreerder

“Toen ik vorig jaar naar Utrecht kwam, ging alles verkeerd. Mijn studie Communicatie- & Informatiewetenschappen liep slecht. Ik haalde onvoldoende op onvoldoende. Om de één of andere reden interpreteerde ik de opdrachten verkeerd. Ik herinner me dat we een vertoog moesten schrijven, en dus niet een bétoog want dat was net iets anders. Het wilde maar niet doordringen wat de bedoeling was.

“Op het atheneum had ik ook wel eens moeite met de stof, maar daar wisten de leraren dat ze me nog even apart moesten nemen. Aan de universiteit zijn er geen controlemomenten. Er was een tentamen en dan moest je het maar weten. Ik raakte steeds gefrustreerder door mijn studieresultaten. Uiteindelijk had ik er helemaal geen zin meer in.

“In die periode woonde ik bovendien in een vreselijk asociaal studentenhuis aan de Amsterdamsestraatweg. De andere bewoners draaiden keiharde muziek en de keuken was zo vies dat ik alleen van tosti’s en opwarmmaaltijden leefde. Een ander vraagt in zo’n situatie waarschijnlijk of die herrie wat minder kan, maar ik zit anders in elkaar. Het was ook nog eens een huis van mevrouw Chang, zo’n beetje de beruchtste huisjesmelker van Utrecht. Die deed helemaal niets aan onderhoud. Toen mijn kamerdeur tijdens een feestje was ingetrapt, heeft die maanden scheef in de scharnieren gehangen.

“Nadat mijn BSA negatief was uitgevallen en ik moest stoppen met mijn studie was ik er helemaal klaar mee. Ik ging terug naar mijn ouders.”

Blij met bewijs

“Aan het einde van het halve jaar dat ik aan de UU studeerde, had mijn moeder een verhaal in de Margriet gelezen over PDD NOS. Dat is een autistische stoornis, maar een stuk minder ernstig dan het ‘klassieke’ autisme. Alle puzzelstukjes vielen op hun plek. Stress door plotselinge veranderingen, moeite met sociale contacten, problemen met het verwerken van informatie; dat had ik allemaal. Een test die ik even later deed, bevestigde ons vermoeden. Bovendien bleek ik ook nog een non-verbale leerstoornis te hebben. Daardoor heb ik moeite om niet-verbale communicatie, bijvoorbeeld lichaamstaal, te begrijpen.

“Ik ben blij dat er nu een bewijs is. Dat kan echt helpen. Aan de universiteit had ik een gesprek met een coördinator waarin ik zei dat ik dacht dat ik een stoornis had. ‘Aan vermoedens hebben we weinig’, kreeg ik toen te horen, ‘kom maar terug als je iets zeker weet’. De uitslag van mijn PDD NOS-test kreeg ik helaas pas na mijn BSA-uitslag. Maar ik verwijt de universiteit niets. Als mijn stoornis eerder was geconstateerd dan hadden ze iets kunnen regelen.”

Hulp bij het koken

“Afgelopen september ben ik aan de hogeschool begonnen met een opleiding digitale communicatie. Dat gaat goed. De nadruk op de praktijk maakt het leren eenvoudiger voor me. Docenten worden daarnaast meer gezien als gelijken; je hoeft geen professor aan te spreken.

“Ik mag nu net als mensen met dyslexie in een aparte ruimte mijn tentamens maken en er langer over doen. Ook hebben ze me gezegd dat ik altijd mag aankloppen als er problemen zijn. Dat is nog niet nodig geweest, want ik heb al mijn tentamens gehaald. Toch vind ik dat onderwijsinstellingen uit eigen beweging wel wat meer mogen doen voor studenten met leerproblemen. Waarom bieden ze bijvoorbeeld niet aan dat een ouderejaars student kan helpen?

“Ook bij het zelfstandig wonen, krijg ik nu hulp. Ik heb een kamer in een speciale eenheid in Casa Confetti waar nog drie andere studenten met autistische stoornissen wonen. De SSH heeft daar samen met de universiteit voor gezorgd. Bij stichting Altrecht kunnen we om ondersteuning vragen. Dat kan om van alles gaan: bijvoorbeeld om hulp bij het studeren, maar ook om heel praktische zaken. Op dit moment helpt iemand mij met het koken. Het lukt mij niet om zomaar even een wat meer ingewikkelde maaltijd in elkaar te draaien, maar tegelijkertijd zijn recepten vaak onbegrijpelijk voor me. Dan staat er plotseling halverwege ‘voeg nu de gekookte aardappelen toe’, terwijl nergens was vermeld dat ik die eerst had moeten opzetten.

“Na een jaar moet ik in dit studentenhuis plaatsmaken voor een andere student met deze stoornis. De gedachte is dat je dan klaar bent om naar een gewoon studentenhuis te verhuizen. Het is prettig om eerst nog even in een huis te wonen waar ik niet hoef uit te leggen dat ik anders in elkaar zit. Verder komt er eerlijk gezegd weinig terecht van de gedachte dat we hier onderling veel steun aan elkaar zou kunnen hebben. We eten elke dag samen, maar het zal je niet verbazen dat de bewoners zich het liefst terugtrekken in hun eigen kamer.”

Spelletjesavond bij Biton

“Hoewel ik graag alleen ben, wil ik ook af en toe mensen zien. Bij mijn hogeschoolopleiding vind ik de sfeer niet altijd even prettig. Veel studenten wonen nog thuis en zijn na de les meteen verdwenen. Voor mij is het dan extra lastig om contact te maken. Op de universiteit werd er vaak na college nog wat gedronken of rondgehangen. Dat soort dingen heb ik nodig om me prettiger te voelen bij mensen.

“Gelukkig vind ik het erg leuk bij mijn studentenvereniging Biton. Zo’n twee keer per week ga ik naar een kroeg- of spelletjesavond. Het gaat er daar niet zo geforceerd aan toe als bij Veritas of Unitas. Als ik er genoeg van heb, bijvoorbeeld omdat het te druk of lawaaiig wordt, dan heeft niemand er problemen mee dat ik naar huis ga.”

“Alles bij elkaar vind ik toch dat ik het nu redelijk voor elkaar heb. Ik zal altijd moeite blijven houden met dingen die voor andere studenten volstrekt normaal zijn. Zo zit ik nu enorm in de stress omdat ik binnenkort met mijn ouders naar Londen ga. Ik zie er erg tegenop om uit mijn eigen vertrouwde omgeving te worden weggeplukt.

“Er is best veel onbegrip over autistische stoornissen. Veel mensen twijfelen meteen aan je geestelijke vermogens. Daarom geef ik dit interview. Maar mijn naam hoeft niet in de krant. Als ik iemand wil vertellen over mijn stoornis dan doe ik dat wel persoonlijk. Mensen die mij beter kennen, weten er wel van, maar ik wil niet ‘die jongen met dat verhaal’ zijn.”

*Niels is niet de echte naam van de geïnterviewde

KADER

Studeren met autisme

Hoewel de universiteit geen cijfers heeft die dit bewijzen, nemen velen aan dat de groep universitaire en hogeschoolstudenten met een autistische stoornis groeit. Diagnoses worden immers op steeds jongere leeftijd gesteld. Met goede begeleiding zullen scholieren er vaker in slagen om een havo- of vwo-opleiding te voltooien, zo is de inschatting.

Studenten kunnen in Utrecht gebruik maken van de volgende voorzieningen:

-Samen met een studieadviseur van een onderwijsinstelling kan een contract worden opgesteld waarin staat dat een student aanspraak maakt op enkele faciliteiten. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een afgezonderde ruimte bij tentamens.

-Er is een apart introductieprogramma tijdens de UIT. De toenmalige faculteit Natuurkunde van de UU begon hier drie jaar geleden mee. Sinds afgelopen zomer is dit initiatief overgenomen door Studentenservice. De deelnemende UU- en HU-studenten krijgen voorlichting over de combinatie van autisme en studeren. Daarnaast bezoeken ze met een groep mentoren de introductieonderdelen die voor hen aantrekkelijk zijn. Afgelopen jaar waren er 13 deelnemers.

-De universitaire studentpsychologen hebben samen met het Autismeteam van de instelling voor geestelijke gezondheidszorg Altrecht een studieondersteuningsgroep in het leven geroepen. Daarbij is vooral aandacht voor het plannen en structureren van de studie, maar ook voor sociale vaardigheden zoals het contact zoeken met een docent en het samenwerken in groepen.

-SSH speelt in op de groeiende vraag naar huisvesting van bijzondere doelgroepen. De studentenhuisvester heeft in Casa Confetti vier kamers beschikbaar gesteld voor studenten uit de doelgroep. De studentdecaan overlegt met de SSH welke studenten daar een jaar mogen ‘leren’ zelfstandig te wonen. Het Autismeteam van Altrecht kan hulp bieden.

In het SSH-complex De Clophaemer in Overvecht zijn al eerder negen zelfstandige woningen beschikbaar gesteld. Ook in het nieuwe City Campus Max aan het Europaplein komen elf tweekamerwoningen. De voordracht van de studenten komt van stichting de Grasboom, een initiatief waarmee ouders zich inzetten om aangepaste woonvormen te realiseren.

-De SSH heeft de USF gevraagd een hospiteertraining voor studenten te organiseren.

Gezocht: Nederlandse vrienden

Buitenlandse studenten vinden moeilijk aansluiting bij Nederlandse collega’s

In onze Domstad wonen meer dan 2000 buitenlandse studenten. Volgens de International Student Barometer (ISB) van de universiteit heeft het merendeel moeite om te integreren in het Utrechtse studentenleven. Xuefei is één van hen. Ook Ludovica (18) uit Italië is het nog niet gelukt om Utrechtse vrienden te maken. “Toen ik naar Nederland kwam, had ik wel die verwachting. Ik hoopte dat ik met Nederlanders in contact zou komen. Inmiddels is die behoefte wat afgezwakt omdat ik onder buitenlandse studenten nu al veel vrienden heb gemaakt.”

Het loopt dus niet zo lekker met de integratie. De HUISVESTING in Utrecht speelt daarbij een belangrijke rol. Internationale studenten en met name de short stayers, wonen vaak bij elkaar in dezelfde studentencomplexen. Van spreiding is geen sprake. Een kamer vinden bij een particulier of in een studentenhuis is voor velen uitgesloten vanwege het tekort aan kamers en het hospiteersysteem. De buitenlandse student is voornamelijk aangewezen op de SSH, de studentenhuisvester van Utrecht.

De SSH is fijn en betrouwbaar voor een student uit den vreemde, want voordat hij in Utrecht arriveert, kan hij een kamer regelen via internet bij de afdeling Short Stay. Hij kan kiezen in welk complex hij graag wil wonen, hij kan zich er direct voor inschrijven en hij kan via internet betalen.

Veel internationale studenten komen terecht in de grotere complexen en flats van de SSH. Hoewel deze panden ook Utrechtse studenten huisvesten, wonen de meeste short stayers in de speciaal voor hen gereserveerde toren of woonlaag. Van een woonmix met Nederlandse studenten is nauwelijks sprake.

Volgens Jesse van Mourik, communicatiemedewerker van de SSH afdeling Short Stay, is dat onvermijdelijk. “Ons hoofddoel is allereerst om kant-en-klare huisvesting te verzorgen. Onze kerntaak is niet: integratie. Daarnaast zijn de kamers voor internationale studenten door ons gemeubileerd en gestoffeerd. Dan is het praktischer om ze bij elkaar te houden.”

Van Mourik denkt dat menging ook lastig kan zijn voor de Nederlandse bewoners. “Dit heeft niets met cultuurverschillen te maken, maar de meeste Nederlandse studenten stellen het op prijs als ze weten wie er bij hen komt wonen. Vandaar dat ze zo vaak een hospiteersysteem hanteren, dan heb je totale controle over wie er bij je intrekt. “Een student die uit China komt, kun je niet laten hospiteren. Die moet voor vertrek weten, dat hij woonruimte heeft in Utrecht. Maar je kunt ook niet zo maar iemand plaatsen in een eenheid met Nederlanders; short stayers blijven vaak maar een half jaar en sommige studentenunits vinden dat ongezellig.”

Als de SSH op het vlak van integratie weinig voor de internationale studenten kan betekenen, wie kan dat dan wel? We vragen het aan Saskia van der Meer, secretaris van het woonbestuur van studentencomplex de Bisschoppen in De Uithof. Het woonbestuur is er in principe niet voor de internationale student, zegt ze. “De belangen en wensen van internationale studenten zijn dusdanig anders dan die van Nederlandse studenten dat het voor ons lastig is om beide groepen tevreden te houden. Voor studenten die maar zes maanden in Nederland zijn, organiseer je immers andere activiteiten dan voor studenten die er jaren wonen.”

De internationale student moet het dus van de SOCIALE CONTACTEN buiten de deur hebben. Hoe gastvrij zijn de Utrechters? Erasmus student Eva (23) uit Duitsland vindt het niet makkelijk. “Ik ga uit op plekken waar veel Nederlanders komen zoals de Monza of Poema. Hier en daar heb ik dan wel eens gesprekjes, maar toch kom ik nauwelijks in contact met Nederlanders.” Ook Licia (23) uit Italië doet haar best. “Ik ben een keer met een Italiaanse vriendin naar een feest geweest waar alleen Nederlanders waren, maar niemand wilde met ons praten. Misschien hadden ze geen zin om Engels te spreken.”

Bij het Erasmus Studenten Netwerk (ESN) zouden Eva en Licia waarschijnlijk snel nieuwe vrienden kunnen maken. De vereniging organiseert allerlei activiteiten voor buitenlandse studenten. Er worden kroegentochten gehouden, ze kunnen ‘s nachts gaan kanoën en weekendjes weg naar de Wadden. Nederland kan flink worden geproefd bij deze vereniging. Er is wèl een probleempje: alleen buitenlandse studenten kunnen lid worden van ESN.

“Afgelopen jaar merkten we al dat de integratie daardoor niet soepel verloopt,” vertelt voorzitter Rikkert Dahmen, van ESN. “Het is niet ons hoofddoel, want wij zijn er voornamelijk om activiteiten te organiseren voor buitenlandse studenten. Toch hebben we besloten dit jaar het accent wat meer te leggen op het contact met Nederlandse studenten. We hadden altijd al het mentorprogramma. Dan werden twee Nederlandse studenten op een groepje van tien internationale studenten gezet om ze wegwijs te maken in de stad en leuke dingen met elkaar te doen. Het kwam dan ook voor dat de short stayers in contact kwamen met Nederlanders. We merkten alleen dat na een maand of twee, als de nieuwe studenten een beetje gewend zijn, de groepjes uit elkaar vallen. Vaak blijven de short stayers hangen bij hun internationale vrienden. We vinden het belangrijk dat de mentorgroepjes bij elkaar blijven, dus hebben we het dit jaar iets anders aangepakt. De mentoren en buitenlandse studenten ontmoeten elkaar nu regelmatig tijdens de International Kitchen. Verschillende mentorgroepjes komen dan samen om gerechten uit eigen land te introduceren.”

Hoewel Nederlanders geen lid mogen worden van ESN, zijn er wel andere wegen om ze te betrekken bij de activiteiten. Rikkert: “Naast het mentorprogramma kunnen nu alle commissieleden van onze organisatie, dat zijn er zo’n 40 à 50, met onze activiteiten meedoen. Zo zijn er per activiteit een stuk of vier Utrechtse studenten van de partij. Het is misschien niet denderend veel, maar alle beetjes helpen.” Verder denkt Dahmen dat internationale studenten zelf ook wat actiever zouden kunnen worden binnen ESN. “Er zijn er een paar die nu filmavonden organiseren. Zo komen ze niet alleen in contact met Nederlanders, ze botsen ook tegen allerlei regeltjes op waardoor ze de Nederlandse bureaucratie leren kennen.”

Als integratie via wonen of gezelligheid moeizaam verloopt, zou er wellicht een schone taak voor de UNIVERSITEIT liggen. Rikkert: “Dat denk ik niet. Je moet dit soort dingen niet willen afdwingen. De kans is groot dat je dan je doel voorbij schiet.”

Femke van der Geest, studentendecaan van het International Office is het met hem eens. “We kunnen wel proberen als universiteit in bepaalde behoeftes te voorzien, maar uiteindelijk is onderwijs de hoofdtaak van de universiteit. Overigens is er binnen faculteiten wel degelijk aandacht voor het probleem. De Graduate School Natural Sciences had bijvoorbeeld altijd twee gescheiden introductiedagen: één voor Nederlandse en één voor buitenlandse studenten. Die hebben ze sinds kort samengevoegd.”

Ook het International Office houdt zich tot op zekere hoogte bezig met de integratie van buitenlandse studenten, zegt Van der Geest: “We zijn bijvoorbeeld opdrachtgever van Orientation Day en Social Orientation, dagen die twee keer per jaar plaatsvinden om buitenlandse studenten de kans te geven de universiteit te leren kennen.”

Volgens ESN’er Rikkert kan de samenwerking met STUDIE-, STUDENTEN- EN SPORTVERENIGINGEN het meest teweegbrengen. “Dat is tenslotte dé manier om het Utrechtse studentenleven echt te proeven. Er worden al meerdere activiteiten van ESN samen met verenigingen georganiseerd. Zo hebben we ondermeer een structureel buddyprogramma met NSU en binnenkort gaan we roeien bij Triton. Het is belangrijk dat de internationale studenten van de verenigingen af weten. Vandaar dat we begin volgend jaar een sportmarkt gaan organiseren.”

Femke van der Geest is het met hem eens. “We zien steeds meer faculteiten hun verenigingen betrekken bij evenementen. Ook het college van bestuur heeft deze kwestie onder de aandacht gebracht bij de verschillende verenigingen. Ze worden nu bewuster en actiever.”

Commissaris Intern Rob Franken van bèta-studievereniging A-Eskwadraat beaamt dat zijn vereniging wat voor buitenlanders kan betekenen, maar tot nu toe verloopt het moeizaam. “Wij zetten ons vooral actief in voor masterstudenten, omdat de exchange studenten in de bachelor heel lastig te bereiken zijn. We hebben het afgelopen jaar geprobeerd activiteiten voor masterstudenten te organiseren, maar die werden afgelast omdat er te weinig interesse voor was. Ik denk dat deze studenten over het algemeen serieuzer met hun studie bezig zijn. Daarnaast speelt de taalbarrière een rol. Het grootst aantal leden van onze vereniging spreekt Nederlands, bij activiteiten in groepen zal iedereen al snel zijn moedertaal gaan spreken.”

Al met al kan integratie dus maar tot op zekere hoogte, erkent Rikkert. “Je kunt alles inzetten wat je wilt, maar uiteindelijk spreken buitenlandse studenten de taal niet, zijn er grote cultuurverschillen en blijven de meesten maar een half jaar tot een jaar in Utrecht studeren. Dat is vaak te kort om iets op te bouwen.” Volgens Jesse van Mourik van de SSH blijft het een kwestie van eigen initiatief. “Het ligt bij de studenten zelf om Nederlanders te ontmoeten. En dat geldt andersom ook.”

Kader 1:

Utrechtse student in het buitenland

Is Utrecht er slecht aan toe wat betreft internationalisering? Of is de situatie elders al even weinig rooskleurig? Marit de Vrijer heeft vier maanden in Salamanca in Spanje gewoond en vertelt over haar ervaring.

“Ik woonde in een flat met andere internationale studenten. Later kwamen er nog 6 andere Nederlanders bij. Ik ging vooral met deze mensen om. Ik deed Spaans in Salamanca en volgde de lessen ook weer met internationale studenten. Veel contact met Spanjaarden had ik dus niet. Daarnaast kreeg ik een Amerikaans vriendje waardoor we toch veel in dezelfde internationale groep verkeerden. Met uitgaan moest je echt naar de juiste tent gaan om wat locals te kunnen ontmoeten. Maar iedereen ging in het begin vaak naar de Camelot, een soort Erasmus kroeg, en dan ging ik ook meestal mee.

“Het heeft een beetje te maken met wie je tegen het lijf loopt, want ik denk dat ik in Salamanca makkelijk wat meer Spaanse vrienden had kunnen maken. Ik zat bijvoorbeeld op een Spaanse sportschool. Na de les gingen we wel eens wat drinken met de groep. Daarnaast had je ook ‘intercambio’ ontmoetingen. Dan spreken koppels af om hun talen met elkaar uit te wisselen en te oefenen.

“Ik vind wel dat ik behoorlijk aan mijn lot werd overgelaten door de universiteit. Je moest veel meer zelf regelen en organiseren dan bijvoorbeeld in Utrecht. Ik denk dat hier zeker op sociaal vlak meer mogelijkheden worden geboden dan in Salamanca.”

Kader 2:

Hoe het ook kan: De Warande een jaar later

Vorig jaar werd er pittig onderhandeld tussen het woonbestuur van studentenflat De Warande en de SSH. De SSH wilde in totaal 200 short stayers onderbrengen in het complex in Zeist. Voor iedere bewoner die ging verhuizen, zou er een internationale student in de plaats komen. Volgens het woonbestuur was dit destijds niet volgens de afspraak. “We kregen het gevoel dat de exchange studenten ons door de strot werden gedouwd,” vertelt Lennert.

Lennert woont inmiddels vijf jaar in de studentenflat in Zeist en zit in de Warandebuscommissie. “Inmiddels is de stemming redelijk bijgedraaid. De SSH streeft er nu naar om de bewoners vooraf te informeren als er een nieuwe internationale student in de eenheid arriveert.” Ook zijn er duidelijke afspraken over wanneer er een short stayer mag worden geplaatst. Lennert: “Per eenheid blijft het bij een of twee buitenlandse studenten.”

De SSH wil meer, vertelt Lennert. “De SSH focust zich op het inrichten van volledige eenheden voor internationale gasten. De huidige Utrechtse studenten krijgen als eenheid een verhuisaanbod dat ze op vrijwillige basis kunnen accepteren. Als ze deze accepteren verhuizen zij en neemt de SSH de eenheid over voor gebruik als internationaal studentenhuis. Als de bewoners niet in gaan op het verhuisaanbod dan komen er, ongeacht hoeveel internationals er al zijn in die eenheid, geen short stayers meer bij.”

Volgens Lennert heeft de situatie geen invloed gehad op de sfeer in het complex. “Het gaat heel goed. Onze bewonersvereniging organiseert verschillende activiteiten en mede dankzij de internationale studenten zijn deze een succes. De short stayers zitten bijvoorbeeld ook vaak in onze kroeg, de Wombat, waar veel interactie onderling is.”

PROFIELTJES

Geïntegreerd / Niet geïntegreerd*

*doorhalen wat niet van toepassing is

Narayan /Australië / 22 / Humanistiek / Half jaar in Nederland

Aantal vrienden: “Twaalf.”

Aantal Nederlandse vrienden: “Nul.”

Hoe kan dat: “Waarschijnlijk omdat ik niet met Nederlandse studenten samenwoon. Daarnaast volg ik mijn lessen ook voornamelijk met internationale studenten.”

Favoriete Hollandse snack / maaltijd: “Ik eet veel friet met, maar verder geen idee wat lekker en typisch Hollands is.”

Cultuurshock: “Het is me opgevallen dat sommige mensen nationalistisch zijn wanneer het gaat om de taal. Er heeft een keer een man tegen me aan staan schreeuwen dat als ik hier woonde ik ook maar de taal moest leren spreken.”

Bezochte Hollandse attractie: “Ik ben bij Kasteel Haarzuilens geweest. Verder kom ik al fietsend op veel verschillende plekken.”

Uitgaan in de stad of international student partijtjes: “Ik denk dat het 50-50 is.”

Wie is de premier van Nederland: “Geen idee, maar de koningin heet iets met Mary toch?”

Geïntegreerd? “Ik doe onbewust nu aan dingen mee. Hollanders gaan massaal naar buiten zodra de zon schijnt. Dat doe ik nu ook. Ik waardeer de zon en de lente meer dan voorheen in Australië.”

Shawn / Verenigde staten / 24 / Humanistiek / Half jaar in Nederland

Aantal vrienden: “Twaalf.”

Aantal Nederlandse vrienden: “Een paar kennissen, meer niet.”

Waarom: “Ik heb geen echte mogelijkheden gehad omdat ik veel met internationale studenten omga. Dat opent weinig deuren naar Nederlanders.”

Favoriete Hollandse snack / maaltijd:“Broodjes kroket zijn erg goed!”

Cultuurshock: “Heb er geen een gehad. Ik kom uit Wisconsin en er zijn heel wat overeenkomsten; de weilanden en liefde voor kaas… Ik vind de interactie tijdens colleges wel opvallend. Nederlandse studenten stellen heel makkelijk kritische vragen.”

Uitgaan in de stad of international student partijtjes: “Fifty-fifty. We hebben ook wel veel van die social gatherings, dat zijn geen grote feesten.”

Bezochte Hollandse attracties: “De Keukenhof. Verder heb ik op mijn fietstripjes ook een hoop molens gezien.”

Premier van Nederland: “Niet Geert Wilders toch?”

Geïntegreerd? “Ik ben niet echt op de Hollandse manier geïntegreerd. Het is ook wel anders als je vooral met buitenlandse studenten omgaat. We have our own way of life.”

Leonard / Australië / 21 / Geosciences / Half jaar in Nederland

Aantal vrienden: “Twintig.”

Aantal Nederlandse vrienden: “Vier.”

Waarom: “De enige Nederlandse vrienden die ik heb gemaakt, heb ik leren kennen via mijn studie.”

Favoriete Hollandse snack / maaltijd:

“Stroopwafels! Ik ben niet thuis in de Hollandse maaltijden. De enige Hollandse vrienden die ik heb, willen nooit Nederlands koken omdat ze het zelf niet lekker vinden.”

Cultuurshock: “Het was wel wennen dat iedereen hier fietst en dat alles zo ontzettend dichtbij is. Dat is in Australië wel anders.”

Uitgaan in de stad of international student partijtjes: “Ongeveer evenveel.”

Bezochte Hollandse attracties: “Ik heb veel steden bezocht. Enschede, Nijmegen, Groningen, Den Haag. En ik maak veel fietstochtjes.”

Wie is de premier van Nederland: “Geen idee!”

Geïntegreerd? “Ik denk het niet, maar heb zeker een boel opgepikt. Ik kan bijvoorbeeld niet meer zonder mijn fiets!”

Noémi / Hongarije / 20 / Master biologie / 3 jaar in Nederland

Aantal vrienden: “Zes.”

Aantal Nederlandse vrienden: “Eén.”

Waarom: “Ik heb niet echt een grote vriendengroep, dan ontmoet je minder snel nieuwe mensen, dus ook geen Nederlanders. Ook woon ik samen met veel internationale studenten.”

Favoriete Hollandse snack / maaltijd: “Bitterballen met mosterd en tosti’s.”

Cultuurshock: “Voordat ik hier kwam, had ik een liberaal beeld van Nederland waar alles kan en iedereen blowt. Het is me opgevallen dat dat niet altijd het geval is. Heel veel Nederlanders blowen niet en zijn heel georganiseerd.”

Uitgaan in de stad of international student partijtjes: “Ongeveer evenveel.”

Bezochte Hollandse attracties: “Ik heb in een bootje over de Oudegracht gevaren, ben naar het Heineken museum geweest en heb de Dom beklommen.”

Minister President van Nederland: “Dit hoor ik wel te weten hè?”

Geïntegreerd? “Ik spreek de taal niet, maar kan het een beetje lezen omdat ik Duits spreek. Verder zou ik wel meer in het stadsleven willen integreren. Ik zou het leuk vinden om me bij een vereniging als Unitas aan te sluiten, maar ik weet niet of dat mag als internationale student.”

‘Hoe hoger het niveau, hoe leuker het is om te fluiten’

De studerende scheids

Mirjam Streefkerk

Yvonne Mos, volleybalscheids & student Aardwetenschappen

‘Blinde koe’, kreeg Yvonne Mos (24) laatst van het publiek te horen toen ze als scheidsrechter op de hoge stoel naast het volleybalnet zat. En eigenlijk heeft ze er nog steeds een beetje spijt van dat ze niemand wegstuurde. “Want het werd daarna nog erger. En als je veel commentaar krijgt, ga je alleen maar slechter fluiten.”

De zesdejaars Aardwetenschappen heeft nog niet eerder waarschuwingen of kaarten hoeven geven. Dat is ook niet erg gebruikelijk bij het volleybal, omdat het net voorkomt dat tegenstanders direct met elkaar in de clinch liggen. Mos: “Het is wel fijn dat je er niet op hoeft te letten dat ze elkaar achter je rug om afmaken.”

Mos volleybalt zelf bij VV Utrecht. Elk seniorenteam moet een scheidsrechter leveren voor wedstrijden bij andere verenigingen. De studente fluit op een hoger niveau dan ze zelf speelt en juist dat maakt het voor haar leuk om te doen. "Ik zou ook als publiek naar een andere wedstrijd kunnen gaan, maar dat doe je toch niet zo snel. Soms kijk ik wel met verbazing naar zo’n wedstrijd. Dan denk ik: 'Wow, hoe doen ze dat nou weer'.”

Last van haar leeftijd heeft Mos niet echt. “Er zijn wel meer jonge scheidsrechters bij het volleybal. En ik fluit alleen maar dames. Zelf ben ik er als speler niet heel erg door veranderd. Ik ben binnen mijn team nog steeds een van de eersten die iets roept naar de scheids in het heetst van de strijd, 'voetfout, scheids', bijvoorbeeld. Maar ik loop er niet naartoe, dat vind ik niet sportief."

Na de ‘vrij rampzalige wedstrijd’ die Mos laatst floot, twijfelde ze even of ze ermee moest doorgaan. "Maar hoe langer ik er over nadacht, hoe meer ik het zag als leerproces. Eens moet de eerste keer zijn dat je zoiets overkomt en ik weet dat ik de volgende keer wel strenger mag zijn.”

Pim Achterberg, hockeyscheids en student Geneeskunde

Het stoffige imago van de scheidsrechterswereld is nog niet helemaal achterhaald, denkt Pim Achterberg. “Er zijn nog steeds veel oudere mannen die in hun eigen systeem, op hun eigen manier fluiten”, weet de 24-jarige hockeyscheidsrechter. “Maar er zijn ook een heleboel jonge ambitieuze scheidsrechters die op hoog niveau willen fluiten.” En de vijfdejaars geneeskunde hoort daar ook bij.

"Het hockey is de laatste jaren veel sneller geworden. Je mag bijvoorbeeld nu je eigen vrije bal nemen. Als scheidsrechter moet je wel in die snelheid meegaan, dus wat dat betreft is het een voordeel dat ik jong ben. Een nadeel is dat als ik met een andere jonge scheidsrechter moet fluiten je niet meteen het gezag en respect hebt dat iemand die ouder is misschien wel heeft. Maar als je laat zien dat je van het spelletje houdt en eerlijk bent over je beslissingen, gaan ze je vanzelf respecteren."

Toen Achterberg nog bij Kampong hockeyde, floot hij vaak wedstrijden bij andere teams. Hem werd gevraagd of hij geen cursus wilde doen om bondsscheidsrechter te worden. Hij vond het zo leuk dat hij stopte met hockeyen en zich helemaal op het fluiten ging toeleggen. Graag zou Achterberg in de hoofdklasse gaan fluiten. “Hoe hoger het niveau, hoe leuker het is om te fluiten”, vindt Achterberg. “Je wordt steeds meer begeleider en steeds minder politieagent. Maar voorlopig zit ik nu wel even goed. Als ik nu weer hoger ga fluiten, moet ik het hele land doorreizen en volgend jaar wil ik me eerst gaan richten op het afstuderen. Daarna zien we wel weer verder.”

Zelf doet Achterberg nu aan cricket, een sport waar hij voor geen goud scheidsrechter zou willen zijn. “Dat is een stilstaande baan en juist het meebewegen met een wedstrijd maakt het fluiten leuk.”

Selene Brinkhof, basketbalscheids & student B&O

Selene Brinkhof (22) fluit uit loyaliteit. Haar team kon een niveau hoger gaan spelen, maar daarvoor moesten de basketbalsters ook scheidsrechters leveren die op neutraal terrein wedstrijden wilden fluiten. “Ik had de diploma’s al en ook wat ervaring, dus vond het onzin om iemand anders extra moeite te laten doen. Maar eigenlijk vind ik het helemaal niet leuk", aldus de derdejaars studente Bestuurs- en Organisatiewetenschappen.

Haar ervaring als speelster is dat scheidsrechters zichzelf heel erg belangrijk vinden. “Ze zeggen: ‘dag collega’, als ze elkaar ontmoeten. Of ze willen tijdens een wedstrijd graag zelf in het middelpunt staan, terwijl het natuurlijk gaat om de mensen die staan te ballen.”

Bij basketbal staan er twee scheidsrechters op het veld. Brinkhof had tot nu toe alleen aardige collega’s. “De kunst is om met zijn tweeën een lijn te vormen en om goed in de gaten te houden wat voor wedstrijd het is. Laatst moest ik bijvoorbeeld jongens onder 14 fluiten, de eindstand was 156-36. Dan ga ik dus met twee maten meten. Bij het ene team laat je wat meer toe dan bij het andere, maar dat is wel heel moeilijk.”

Als speelster kan Brinkhof trouwens ook best eens op de scheidsrechter zeuren. “Dat doe ik dan meer vanuit de regels. ‘Dat is lopen scheids’, of ‘dat is uit’, zeg ik dan. Of ik vraag of ze willen opletten als mijn tegenstander mij steeds in de rug duwt. Maar schelden doe ik niet.”

Volgend jaar stopt de student met fluiten. “Het is niet dat ik met tegenzin naar een wedstrijd ga, maar ik doe liever iets anders in een vrij weekeinde. Maar ja, iemand moet het doen.”

Mark Ruitenbeek, korfbalscheids & student Biomoleculair Sciences

Zelf volleybalt hij tegenwoordig bij Van Slag, maar als korfbalscheidsrechter is hij toch nog bij zijn oude club uit Veenendaal betrokken. Mark Ruitenbeek (23) is masterstudent Biomoleculair Sciences en fluit vrijwel elke week in de derde klasse. Gewoon, omdat hij dat leuk vindt. En omdat hij toch elk weekeinde nog naar zijn ouders gaat. “Om daar dan de hele tijd op de bank te gaan zitten is misschien wat al te fanatiek.”

Sinds zijn eindexamen staat Ruitenbeek met een fluitje in zijn hand op het veld. “Van ieder verenigingslid wordt verwacht dat hij wat taken op zich neemt en fluiten leek me verreweg het leukst. Leuker dan bardiensten draaien of een team trainen.”

Nu hoeft hij niet meer, maar doet hij het nog wel. “Het leuke aan fluiten vind ik het schipperen. Als iemand er even uitmoet vanwege een blessure, mag hij wat mij betreft weer terug het veld in als de tegenpartij het ook goed vindt. Dat is ook het leuke aan dit niveau, in de hoofdklasse zou dat niet kunnen. Daar is trouwens ook meer wangedrag van supporters. Ik hoef dan ook niet per se hogerop te komen.”

Ondanks het lieve imago van de korfbalsport moet Ruitenbeek toch weleens flink optreden. “Laatst was er een vechtpartij op het veld, toen moest ik twee mensen tegelijk wegsturen. Dan blijft toch de hele tijd de vraag spelen: had ik het kunnen voorkomen. Maar volgens een collega die op de tribune zat, kon ik er weinig aan doen.”

Hoewel hij dus niet op het hoogste niveau fluit en dat ook niet ambieert, neemt hij zijn taak serieus. Ruitenbeek: “Je gaat je niet de avond voor een wedstrijd klem zuipen. Omdat je weet dat je de zaterdag van een heleboel mensen verziekt als je als een zak zout staat te fluiten.”

Joost Rutgers, voetbalscheids & student Onderwijskunde

“Als voetballer was ik heel fanatiek, maar gewoon niet zo goed", zegt Joost Rutgers (22) die al op zijn zeventiende zijn voetbaltenue voergoed verruilde voor een scheidsrechtersoutfit. “Fluiten kon ik veel beter.” Rutgers, net gestopt met de premaster Onderwijskunde, heeft een droom: “Over een jaar of vijftien scheidsrechter zijn in de finale van een groot toernooi, de Champions League of het WK. Dat lijkt me fantastisch.”

De jonge voetbalscheidsrechter lijkt op de juiste weg te zitten. Hij is net opgenomen in het talentenprogramma van de KNVB en wordt begeleid door een coach. Zijn belangrijkste verbeterpunt: “Ik vind het lastig om op een gevatte manier te communiceren met spelers als ze ergens over zeuren."

Nu fluit Rutgers nog vooral jeugdwedstrijden, maar als hij straks volwassenen gaat fluiten verwacht hij wel wat meer tegenstand. “Doordat ik jong ben, kan ik het allemaal goed bijbenen. Maar ze zullen me misschien ook wel wat eerder op de proef stellen. Kritiek hoort er gewoon bij.”

In het Nederlandse voetbal wordt sowieso wat meer de grens opgezocht dan in bijvoorbeeld Engeland, vindt Rutgers. “In Engeland is daardoor het spel veel sneller en ligt het tempo hoger. De scheidsrechters daar zijn mijn voorbeeld.”

Rutgers is zelf een fanatieke supporter van NEC, de erediviseclub uit Nijmegen. Bij elke thuiswedstrijd zit hij op de tribune. “Ik let dan natuurlijk wel op hoe de scheidsrechters lopen en reageren, maar het gaat me dan toch echt om mijn club.”

Zonder scheidsrechters geen wedstrijden.

Elke sportclub waarvan er teams meedoen aan een competitie, moet zelf ook scheidsrechters leveren. Bij de meeste sporten mag je al jeugdwedstrijden of wedstrijden op een lager niveau fluiten na een korte theoriecursus. Dan fluit je wedstrijden van je eigen vereniging.

Hoe hoger de teams spelen, hoe hoger ook het niveau van de scheidsrechters moet zijn. Via opleidingen in theorie en praktijk kun je hogerop komen als arbiter. Dan fluit je geen wedstrijden meer van je oorspronkelijke vereniging, maar rij je het hele land of de hele regio door om bij wedstrijden van andere clubs te fluiten. Als je hoger fluit, word je ook af en toe beoordeeld. Afhankelijk daarvan word je dan ook weer ingedeeld bij bijvoorbeeld hele spannende wedstrijden tussen koplopers, of finales. Of juist niet, als de beoordeling slecht is.

Je moet trouwens wel echt van het vak houden, want bij de meeste sporten krijgt de scheidsrechter slechts een onkostenvergoeding, zelfs als je op het hoogste niveau fluit. Alleen voetbalscheidsrechters hebben het beter voor elkaar. Zij verdienen 1.150 euro met het fluiten van een eredivisiewedstrijd, 4.500 euro met een wedstrijd in de Champions League en 10.000 euro met een wedstrijd op het EK, zo vertelde Pieter Vink - een van de beste scheidsrechters van Nederland - onlangs in een interview.

Te streng accrediteren is ook niet goed

HOP Hein Cuppen

Zes jaar geleden was het zo ver: het nieuwe accreditatiestelsel ging van start. Opleidingen aan universiteit en hogeschool konden hun borst nat maken. Het leek erop dat het oordeel vele malen strenger zou uitvallen dan voorheen. Want vanaf 2003 zouden de opleidingen van universiteiten en hogescholen niet meer worden gekeurd door de HBO-raad, universiteitenkoepel VSNU en de Onderwijsinspectie, maar door de onafhankelijke Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Opleidingen die op één kwaliteitsonderdeel onvoldoende scoorden, konden het zo goed als vergeten.

De gevreesde slachting lijkt uitgebleven. Van de 1828 Nederlandse opleidingen die ter accreditatie werden voorgedragen, kwamen er tot nog toe vijf niet door de keuring en zijn er drie aan het herkansen. Maar volgens NVAO-voorzitter Dittrich is het nieuwe stelsel beslist geen tandenloze tijger. Hij wijst er onder meer op dat tien opleidingen een nieuw visitatierapport moeten inleveren omdat het oude niet deugde, en dat enkele tientallen aanvragen voor nieuwe opleidingen door instellingen zelf zijn teruggetrokken. “Bovendien zijn nogal wat opleidingen uit het bestaande onderwijsaanbod niet aan ons voorgelegd. Die hoefden dus niet te worden afgekeurd.”

Scherpe tanden

De tanden van de tijger zijn volgens hem juist te scherp. De zware sanctie op een afkeuring van bestaande opleidingen boezemt de instellingen angst in. Wie het begeerde keurmerk niet krijgt, heeft weliswaar twee jaar de tijd om te herkansen, maar mag intussen geen nieuwe studenten aannemen. Voor de meeste opleidingen is dat het doodvonnis.

Het gevolg is dat instellingen er tijdens de accreditatie alles aan doen om hun zwakke plekken zo goed mogelijk te verbergen. En dat is niet de bedoeling. Critici, onder wie Dittrich zelf, vinden dat dit strategische gedrag de zogenoemde verbeterfunctie van het stelsel frustreert. Ze pleiten daarom al enige tijd voor een minder streng stelsel en ruimere herkansingsmogelijkheden. Ook politiek Den Haag vindt dat de accreditatiewet op de helling moet en wel voordat de nieuwe beoordelingsronde van start gaat. De eerste ronde loopt eind 2009 af: dan moeten alle opleidingen ten minste één maal gekeurd zijn.

In de Kamer is er al over gesproken en begin 2008 werd in hoofdlijnen akkoord gegaan met een eerste wijzigingsvoorstel. Zo krijgen opleidingen die worden afgekeurd voortaan drie jaar de tijd om te herkansen. Bovendien mogen ze intussen nieuwe studenten aannemen. Dittrich: “Hopelijk verdwijnt daardoor de kramp uit het systeem en zijn de opleidingen meer bereid om te zeggen: ‘panel, kom maar kijken en vertel maar hoe het beter kan’.”

De meest in het oog springende aanpassing van de accreditatiewet is de invoering van een zogeheten instellingsaudit. Daarin beoordeelt een NVAO-panel van deskundigen - onder wie een student - of een universiteit of hogeschool de kwaliteit van haar onderwijs doeltreffend bewaakt. Is de instelling in control, dan kunnen haar opleidingen beperkter worden getoetst: meer op onderwijsinhoud en veel minder op processen en procedures. Dat leidt als het goed is tot een vermindering van accreditatielast en – belangrijker – tot een betere ‘kwaliteitscultuur’.

Dittrich: “Vroeger schreef een opleiding een zelfevaluatie, de visitatiecommissie kwam langs, iedereen deed zijn zegje, de commissie ging weer weg en zes jaar later begon het hele circus opnieuw. Als instellingen dankzij de audit meer het idee krijgen dat het hun eigen stelsel is, dan wordt de kwaliteitszorg hopelijk een continu proces in plaats van een soort examen.”

Eigen vlees keuren

Afgelopen najaar heeft de NVAO het nieuwe systeem getest bij zes Nederlandse en drie Vlaamse instellingen. Met de uitkomsten heeft de NVAO een voorstel gemaakt hoe instellingen en opleidingen in de tweede ronde van het accreditatiestelsel kunnen worden beoordeeld. Universiteiten en hogescholen steunen dit voorstel op hoofdlijnen en rond de zomer moet blijken of ook de betrokken ministers en de Tweede Kamer akkoord gaan.

Om de opleidingen actiever bij de kwaliteitszorg te betrekken wil de NVAO dat zijzelf de deskundigen voor de visitatiepanels voordragen. Maar Dittrich ontkent dat ze daarmee hun eigen vlees mogen keuren: de NVAO houdt het laatste woord over de benoeming.

Dat is nogal een verandering, want sinds 2003 was de samenstelling van de panels de exclusieve verantwoordelijkheid van de vbi’s: de visiterende en beoordelende instanties die door de opleiding worden ingehuurd. Zij maken de visitatierapporten op basis waarvan de NVAO een opleiding al dan niet goedkeurt. Deze commerciële bureaus krijgen geen plaats meer in de nieuwe accreditatiewet.

Dittrich is daar niet rouwig om: “De vbi’s zijn in 2002 in de wet gekomen doordat de toenmalige Tweede Kamer daar een zekere liberalisering en marktwerking van verwachtte. Alleen heeft het zo niet gewerkt. De vbi’s vragen een behoorlijke prijs voor hun rapporten en wat ook tegenviel is dat ze hun rol van consultant én beoordelaar soms moeilijk kunnen scheiden. Hun opdrachtgevers verwachten een goed rapport voor hun dure geld, maar natuurlijk eigenlijk ook een positief rapport.”

Dit leidde ertoe dat beoordelaars in een rapport liever niet opschreven wat de zwakke kanten van een opleiding waren. Als het wel gebeurde, stond er meestal met nadruk bij dat de opleiding de zaak alweer op de rails had en dat de zwakte dus feitelijk tot het verleden behoorde.

Begin dit jaar werd deze dubbelrol pijnlijk geïllustreerd toen een aantal pabo’s scorelijstjes liet circuleren waaruit bleek hoe goed ze waren beoordeeld door ‘hun’ vbi’s. De rapporten waar die scores in stonden waren op dat moment nog niet goedgekeurd door de NVAO. Dittrich: “Daar kwam nog eens bij dat de ene vbi niet dezelfde waarderingen geeft als de andere. Dus moet je ontzettend oppassen met het maken van lijstjes en daarin op zijn minst verdisconteren door welke vbi een opleiding is beoordeeld.”

De vbi’s verdwijnen weliswaar uit de wet, maar kunnen door instellingen nog wel worden ingehuurd om de panelbeoordeling voor hen te organiseren. Of de visitatiepanels-nieuwe-stijl onafhankelijker zullen opereren dan de vbi’s is nog maar de vraag. Om de risico’s te beperken, zullen de panelleden, onder wie één student, worden bijgestaan door een externe secretaris die getraind en gecertificeerd is door de NVAO. Hun rapporten zullen online worden gezet, met een toegankelijke samenvatting van twee pagina’s waar ook studiekiezers wat aan hebben.

Transparantie

Dittrich verwacht dat de transparantie nog verder zal toenemen als een panel zoveel mogelijk opleidingen tegelijk beoordeelt. Bij de universiteiten is dat nog steeds gebruikelijk, maar in het hbo sinds de invoering van het accreditatiestelsel niet meer. “Dat heeft praktische nadelen – de hoeveelheid gezaghebbende en onafhankelijke deskundigen is beperkt – maar ook principiële: de opleidingsoordelen zijn minder goed vergelijkbaar als ze door meerdere panels gegeven worden.”

Hij hoopt van harte dat de panels van de wetgever de ruimte krijgen om een instelling of opleiding ook goed te keuren met een onvoldoende voor een bepaald onderdeel. “In ons voorstel mogen de panels zo’n onvoldoende compenseren en in hun eindoordeel laten zien dat ze bepaalde punten zwaarder laten wegen dan andere. Sta je dat niet toe, dan gaan ze net zo goed compenseren, maar houden ze hun afwegingen voor zich. Ik hoop dat de Tweede Kamer dat inziet.”

Rector Stoof: ‘Af en toe moet je de boel even aanjagen’

“Wij zijn vanaf het begin voorstander geweest van de invoering van een instellingsaccreditatie. De frequentie en de intensiteit van de huidige visitatiebezoeken zijn een grote belasting voor de organisatie. Als 50 bacheloropleidingen en 190 masterprogramma’s elke vijf jaar zeer grondig worden doorgelicht, dan kost je dat veel tijd, geld en mankracht. Wanneer de universiteit straks verantwoordelijk is voor aspecten die alle opleidingen gemeenschappelijk hebben, kunnen de afzonderlijke opleidingen veel lichtvoetiger getoetst worden.

“In de visie van Karl Dittrich is er in de nieuwe opzet bovendien meer ruimte voor inhoudelijke discussie over het onderwijs. Daar heeft hij een punt. Het is een prima ontwikkeling dat ook verbeteringen binnen een opleiding ter sprake kunnen komen zonder dat je meteen een rode kaart krijgt.

“Toch heb ik nog wel enige argwaan. Als we niet opletten blijft alles bij het oude en komt de instellingsaudit er bovenop. Bij pilots in Nijmegen en Delft bleek dat een reëel gevaar te zijn. Daar moeten we dus voor waken.

“Met het oog op de invoering van de instellingsaudit hebben we met de faculteiten gesproken over de criteria voor een goede interne kwaliteitszorg. Uit de plannen die de faculteiten ons de afgelopen maanden hebben toegestuurd blijkt dat met de basiskwaliteit van de Utrechtse opleidingen niet veel mis is. Toch is op een aantal punten verbetering gewenst. Er moet bijvoorbeeld nog hard getrokken worden aan de mogelijkheden voor studenten om zich te oriënteren op de arbeidsmarkt. Ook is de kwaliteit en de transparantie van de toetsing binnen sommige opleidingen onvoldoende, en zo zijn er wel meer elementen te noemen.

“Daarnaast voer ik als rector gesprekken met decanen en opleidingsdirecteuren die een visitatie achter de rug hebben en daarin een onvoldoende hebben gescoord. Niet om te bevoogden, maar om gezamenlijk te kijken waar de problemen liggen en wat de oplossingen kunnen zijn. Af en toe moet je de boel weer een beetje aanjagen, al voel je overal de spanning die de financiële beperkingen met zich meebrengen.

“Op dit moment kan waarschijnlijk alleen de faculteit Diergeneeskunde, die behalve met de NVAO-visitatie ook ervaring heeft met externe visitaties, de toets der kritiek helemaal doorstaan. Andere faculteiten komen inmiddels dicht in de buurt. We vertrouwen erop dat in het academisch jaar 2010-2011 alle faculteiten klaar zullen zijn voor de instellingsaudit. Vanaf dat moment krijgen onze opleidingen hopelijk nog maar een beperkte toetsing van de NVAO.”

Maak je niet dik

Ronnie van Veen

Gezondheidspsychologe Marieke Adriaanse

‘Eet 100 calorieën minder’

Grijp niet naar het o, zo verleidelijke tussendoortje. Dat is de boodschap van de 26-jarige Marieke Adriaanse, assistent in opleiding bij Gezondheidspsychologie. Zij doet onderzoek naar de chocoladereep en de zak chips die je achteloos naar binnen werkt tijdens een avondje tv hangen. In haar onderzoek richt ze zich op mensen met een normaal gewicht die af willen van hun snoepgewoonte.

Adriaanse: “Velen denken: ‘so what, dan eet ik een chocolaatje, dat is niet veel’, maar in het Amerikaanse, wetenschappelijk tijdschrift Science stond laatst een onderzoek dat dit soort uitspraken onderuithaalt. Daarin staat dat voor een enorm groot deel van de bevolking geldt: krijg dagelijks 100 calorieën minder binnen en je zal niet verder in gewicht toenemen. Juist die gewoonte, het tussendoortje, zorgt dat we elk jaar een kilo aankomen. Voor het gros van de populatie is 100 calorieën minder eten dus afdoende.”

Die gewoonte aanpakken levert dus een hoop op. Volgens Adriaanse is juist de studententijd een goed moment om die gewoontes aan te passen en in de goede richting te sturen. Het schijnt dat studenten in hun eerste jaar van de studie nogal wat kilo’s aankomen. Weinig verrassend zegt Adriaanse: “Je gaat op jezelf wonen en ontwikkelt eigenlijk voor het eerst je eigen gewoontes. Het is een belangrijke periode om te zorgen dat die gewoontes gezond zijn.”

Je voornemen om minder te eten, lijkt vaak weinig effectief: “Uit onderzoek blijkt dat goede voornemens over het algemeen slechte voorspellers zijn voor je daadwerkelijke gedrag. Eén van de redenen hiervoor is dat gedrag automatisch is. Zijn we bijvoorbeeld hard aan het werk of aan het studeren of moe, dan vallen we terug op automatische processen, op aangeleerde gedragingen.” Dus wordt er weer gedachteloos gegrepen naar een ongezond tussendoortje. “Mijn onderzoek toont aan hoe je door specifieke planning gewoontes kunt doorbreken. Het is een strategie, implementatie intenties genoemd, waarmee ongezond eetgedrag is te veranderen.”

Allereerst moeten de mensen die aan de strategie willen meewerken gemotiveerd zijn. Vervolgens is het belangrijk om te leren wat de gewoonte is. “Daar zijn mensen helemaal niet zo goed in. De meesten geven aan een ongezonde snack te verorberen omdat ze honger hebben of omdat ze er zin in hebben. Maar uit mijn onderzoek blijkt dat mensen het ongezonde tussendoortje voornamelijk tot zich nemen wanneer ze zich vervelen of wanneer er sociale gezelligheid is. Als je daar achter bent, kun je die informatie heel goed gebruiken om een actief actieplan, oftewel de implementatie intentie te maken.”

Als de uitlokker bekend is, moet er een alternatief worden bedacht voor de ongezonde snack. “Dat alternatief, bijvoorbeeld een fruitsalade, moet gelinkt worden aan de uitlokker. Je verandert dus de associatie: in plaats van de combinatie verveling-chocolade, koppel je verveling aan een fruitsalade. Om daar een gewoonte van te maken moet die nieuwe associatie enige keren in gedachten worden herhaald: een gewoonte creëer je door iets herhaaldelijk uit te voeren en een implementatie intentie creëert een zelfde soort associatie door cognitieve herhaling.”

Hm, kinderlijk eenvoudig dus, maar hoe komt het dat er toch veel meer naar ongezonde snacks wordt gegrepen? “Een bestaande gewoonte veranderen is moeilijk omdat het een automatisme is. Mensen die zich voornemen gezonder te eten zijn eerder geneigd om iets gezonds tóe te voegen dan chocola te vervangen voor fruit.” Het alternatief is van belang, zegt Adriaanse, omdat het schrappen van een snack geen optie is: “Dat werkt averechts. Het is het zogenoemde witte beer effect: probeer niet aan chocolade te denken en alles waar je aan kunt denken is chocolade.”

Adriaanse benadrukt dat afvallen voor de overgrote meerderheid van de mensen helemaal niet zo drastisch hoeft. “Voor de meeste mensen is het aanpakken van een of twee gewoontes voldoende. Het heeft echt een groter effect dan je zou verwachten als je die dagelijkse Mars vervangt door een appel.”

Internist Frank Visseren

’Ik geloof niet in een dieet’

Voor wie wil afvallen, is er eigenlijk een heel gemakkelijke oplossing: minder eten. “Zo simpel is het”, zegt internist Frank Visseren. Als je te zwaar bent, moet je minder calorieën binnen krijgen. En dat kan door minder te eten.”

Oké, dus iedereen op dieet? “In diëten geloof ik niet. Veel mensen dichten een dieet soms magische krachten toe, maar er is totaal niets magisch aan welk dieet dan ook. Diëten hebben alleen effect als je daardoor minder calorieën binnen krijgt en als je het de rest van je leven volhoudt. Je moet het een onderdeel van je leven maken, het moet je levensstijl worden, alleen dan werkt het. In dat geval maakt het ook niet uit aan welk dieet je begint.”

Oké, dus niet dieten, maar wat dan? “Houd je aan drie maaltijden per dag. Meer niet. Ontbijt, lunch en avondeten.” Tussendoortjes zijn geheel onnodig: “Bedenk dat je lichaam na ongeveer anderhalf uur na een maaltijd in een zogenaamde vetverbrandstand komt. Wanneer dat gebeurt, kun je lekkere trek krijgen. Veel mensen nemen dan een tussendoortje. Maar je lichaam is dus net begonnen met vet verbranden. Zorg dat ie daar de tijd voor krijgt, laat dat gebeuren. De periode die tussen maaltijden zit, moet groot genoeg zijn. Tussendoortjes halen dat onderuit. Bied weerstand aan de lekkere trek en geef je lichaam de tijd om vet te verbranden.”

Het vervangen van het ongezonde tussendoortje door bijvoorbeeld fruit, zoals Adriaanse voorstelt, vindt Visseren geen goed idee. “’Snoep verstandig, eet een appel’ was ooit een slogan. Daar zet ik mijn vraagtekens bij. Een appel is een regelrechte suikerbom.” Appels in de ban? Daar wil Visseren niet aan. “Appels eten mag best, is goed zelfs, maar maak die appel onderdeel van één van de drie maaltijden.”

Maar hoe zit het dan met sporten. Daar verbrand je toch ook vet mee? “Bewegen is voor slechts 20 procent verantwoordelijk voor het verbranden van calorieën. Het is de basale stofwisseling die 80 procent van de verbranding van calorieën op zich neemt. Minder eten is dus effectiever dan meer bewegen.” Bovendien denkt Visseren dat mensen hun leefgedrag niet altijd goed inschatten. Hij is genoeg mensen tegen gekomen die in hun beleving weinig eten en veel sporten. “Dan blijkt niet zelden hun perceptie niet te kloppen. Ze eten vaak meer dan ze denken en bewegen minder dan gedacht. De gang naar de koelkast valt zogezegd nu eenmaal niet onder gezond bewegen.”

Als buikvetspecialist krijgt Visseren buiken in alle soorten en maten voor zijn neus. Is dik altijd slecht? “Niet altijd. Waar het om gaat is de functie van het vet in de buik. Heb je veel vet in je lijf, maar is de functie van dat vet in orde, dan is er geen probleem. Anderzijds betekent dit dat mensen met een normaal gewicht, maar met disfunctioneel vet, ziektes door deze vetten kunnen oplopen. Het is het buikvet dat de sterkste relatie heeft met het ontstaan van vaatziekten, diabetes en kanker.” Buikvet meten om te kunnen oordelen of iemand tot een risicogroep behoort: daar geeft een weegschaal noch een bmi-index uitsluitsel over. “Taillemeting is de beste voorspeller voor het ontstaan van ziektes. Vrouwen mogen een taille tot 88 centimeter hebben, mannen tot 102. Die getallen zijn natuurlijk ietwat gesimplificeerd, maar grofweg kun je stellen dat mensen die boven deze waardes uitkomen, eerder in aanmerking komen voor diabetes, hart- en vaatziektes en kanker.”

Visseren heeft nog een tweede tip om minder calorieën binnen te krijgen: “Vasten. Ik sla bijvoorbeeld wel eens lunches over. Dat kan best. Je lichaam moet daar even aan wennen, maar daar kun je je lichaam in trainen. Het kan zeker geen kwaad: je geeft je lichaam tijd om vet te verbranden. Dat is positief.”

Sportsociologe Annelies Knoppers

’Hou van je lijf’

”Je lichaam is gemaakt om te bewegen, daar zou je plezier in moeten hebben”, zegt Annelies Knoppers. Ze vindt de boodschap die verschillende campagnes om veel te bewegen uitdragen daarom verkeerd. “We moeten sporten om gezond te zijn, om slank te worden, om een ideaal lichaam na te streven. Want het lichaam dat we nu hebben, is niet goed genoeg.”

Deze boodschap boezemt in de ogen van de hoogleraar didactiek en pedagogiek van lichamelijke opvoeding, sport en gezondheid, die zich bezighoudt met de relatie tussen sport en gezondheid, bij velen angst in. “De algemene opvatting luidt: jong is goed. Een lichaam mag niet in gebreke blijven. De campagnes stellen dat een burger controle over het eigen lichaam behoort te hebben. Wie dik is, heeft dat kennelijk niet en is bij wijze van spreken geen goede burger. En tot overmaat van ramp, jagen de mensen met overgewicht ook nog eens de maatschappij op kosten.” Niet bepaald een groep waar de gemiddelde burger zich bij aan wenst te sluiten. Knoppers ziet liever dat de campagnes iets anders uitstralen. “De boodschap moet zijn: bewegen is leuk. Punt uit.”

Maar dat neemt toch niet weg dat sporten gezond is? Knoppers twijfelt: “Het probleem hierbij is het begrip gezondheid. Dat is zo vaag, er is geen definitie van te geven.” Ze legt uit dat iedereen er zijn of haar eigen ideeën op na houdt. En we beïnvloeden elkaar met die ideeën, ideeën die vaak niet meer zijn dan vage aannames. “We zijn heel erg beïnvloedbaar in ons gezondheidsdenken. Stel: mensen in je omgeving zeggen dat je eens moet gaan squashen. Want dat is zo gezond. Wat gebeurt er? Je neemt dat idee over. Je staat voor de eerste keer op de squashbaan en er spelen tijdens het spel wat pijntjes op. Dan zul je geneigd zijn te denken: ik ben gezond bezig, dus die pijntjes zullen er wel bij horen. Terwijl die pijntjes juist aangeven dat je lichaam protesteert. Hoe gezond ben je dan daadwerkelijk bezig?” Sporten is goed, maar de insteek verkeerd.

De drukte om mensen met overgewicht ziet Knoppers met leden ogen aan. “De relatie tussen kans op sterven en gewicht wordt weergegeven in een zogenaamde U-curve. Links bovenin die U zitten de mensen met extreem ondergewicht, rechts bovenin mensen met extreem overgewicht. Dat zijn twee kleine groepen die in de gevarenzone zitten. De overgrote meerderheid zit tussen deze extremen. Ze kunnen wat dunner of dikker zijn dan gemiddeld, maar lopen bij lange na niet aan tegen de problemen die de extremen onder ogen moeten zien.”

Daarbij vraagt Knoppers zich af wie bepaalt wat overgewicht is. Naar het idee van de hoogleraar is het de cultuur van de witte, westerse mens, die de norm oplegt: “We vergeten ons af te vragen of die norm wel op iedereen van toepassing is. Het zou best kunnen dat mensen in Zuid-Amerika veel zwaarder kunnen zijn voordat overgewicht gevaarlijk wordt. We weten het niet.”

Wat we naar de mening van Knoppers evenmin weten, is hoe veranderingen in voedsel door de jaren heen in verhouding staat tot een ziekte als diabetes. “Ik vind het moeilijk om die twee dingen zo causaal te stellen”, licht ze toe. “Er zijn wel vermoedens, maar stellig zeggen: zo is het en niet anders, dat gaat voor mij niet op. Er zijn zoveel andere factoren die een rol kunnen spelen. Erfelijkheid bijvoorbeeld. Of de manier waarop de samenleving in elkaar zit en waarin je voordurend aangemoedigd word om voedsel te consumeren. Je bent meer dan alleen je fysieke lichaam.”

Aan een definitie van gezondheid durfde Knoppers zich niet te wagen, maar ze wil wel een suggestie doen: “Misschien is gezondheid wel: houden van je lichaam.” Dat iedereen maar lijkt bezig te zijn om het lichaam bijna angstvallig gezond te houden: Knoppers heeft er weinig mee op. “Het individu is in onze maatschappij zo belangrijk gemaakt. Daarbij hoort een grote verantwoordelijkheid voor de eigen gezondheid. Verknal je die verantwoordelijkheid dan is dat je eigen schuld, zo wordt daar tegenwoordig tegenaan gekeken. Als de individualisering van de maatschappij nu eens minder wordt, dan is het mogelijk dat de gezondheidshype ook afneemt. Wellicht moeten we daarom niet naar een gezond lichaam streven, maar naar een gezonde maatschappij.”

Mara, Theater-, Film- en Televisiewetenschappen

Hoeveel uur per week sport je?

De bedoeling is 2 uur. Eerlijk? 1 uur

Hoeveel glazen alcohol per week?

10 glazen

Hoeveel keer snoep je per dag?

Een keer

Rook je?

Ja

Eet je dagelijks 2 ons groente, 2 stuks fruit?

Nee, wel bijna

Hoe gezond leef je naar jouw idee (schaal 1-10)?

Net aan voldoende, een 6.

Bas, Psychologie

Hoeveel uur per week sport je?

Minimaal 2 uur

Hoeveel glazen alcohol per week?

Ik kom wel aan de 30 denk ik

Hoeveel keer snoep je per dag?

Ik snoep niet

Rook je?

Ja, ik ontbijt doorgaans met koffie en een sigaret

Eet je dagelijks 2 ons groente, 2 stuks fruit?

Nee, 2 stuks fruit red ik niet

Hoe gezond leef je naar jouw idee (schaal 1-10)?

6

Yrza, Psycholgie

Hoeveel uur per week sport je?

0

Hoeveel alcoholconsumpties per week?

Ook 0

Hoeveel keer snoep je per dag?

Wel 3 keer denk ik

Rook je?

Nee

Eet je dagelijks 2 ons groente, 2 stuks fruit?

Net niet. Ik eet maar 1 stuk fruit

Hoe gezond leef je naar jouw idee (schaal 1-10)?

6

interview

Ronald Bleys

is anatoom en een rocker. Heel soms vraagt hij zich af hoe het zou zijn om als muzikant door te breken.

Een paar maanden geleden kwam een student naar me toe: of ik wist dat er fanhyves over mij bestaan. Mijn reactie was: ‘wat zeg je me nou?’! Bleken er twee van die hyvespagina’s te zijn. Van de één zijn zeven mensen lid, van de ander zo’n vijftig. Er staan filmpjes op van mijn colleges. Filmpjes die met de telefoon zijn gemaakt. Daar heb ik geen problemen mee: misschien ook wel handig voor studenten om de colleges later thuis nog eens terug te zien.

Zo nu en dan sta ik met studenten in de snijzalen. De sfeer is daar, zeker onder eerstejaars die er voor het eerst komen, anders dan normaal. Je moet je voorstellen dat er stoffelijke overschotten liggen, afgedekt met folie. Die folie moeten de studenten zelf verwijderen om vervolgens de buik van de dode open te klappen. Daar moeten veel studenten wel enige schroom voor overwinnen.

We krijgen zo’n honderd overledenen per jaar binnen. Deze mensen staan hun lichaam af aan de wetenschap. Ze worden ongeveer 24 uur na het overlijden bij ons gebracht door een begrafenisonderneming. Dat is vrij rap, maar we mogen niet te lang wachten met het balsemen van het lichaam. Natuurlijk houden we rekening met de familie: die moet wel de kans hebben gekregen om afscheid te nemen. Voor de wet is een anatomisch instituut namelijk een eindbestemming, net als een begraafplaats of crematorium dat is.

Het balsemen van het lichaam gebeurt in twee fasen, dat heeft enige tijd nodig. Gemiddeld een half jaar na het overlijden komt een stoffelijk overschot op de snijzaal terecht. Na zo’n twee jaar zijn alle delen van het lichaam ontleed. We hebben bij anatomie goedkope kisten waar we deze resten in doen, dus het is niet zo dat er voor iedere persoon een kist beschikbaar is. Die kisten gaan naar het crematorium.

’s Avonds na mijn werk zoek ik thuis vaak de zolder op. Die zolder is zowel mijn werkkamer als mijn muziekkamer: ik speel er bijna elke avond op mijn gitaar. Sommige studenten van mij zullen wel weten dat ik naast anatomie veel met muziek bezig ben. In 2005 hebben we eens opgetreden bij een gala voor geneeskundestudenten. Voor de gelegenheid heeft onze band toen wat covers ingestudeerd. Speelden we nummers van Metallica, Nirvana en AC/DC. Nee, we spelen geen death metal, al klinkt dat als een goede combinatie voor een anatoom. Als je onze stijl zou willen omschrijven, denk ik eerder aan femme metal, stevige gitaarmuziek en een zangeres.

De naam van de band, Maida Vale, heb ik verzonnen. Maida Vale is een wijk in Londen waar ik begin jaren 90 een tijdje heb gewoond, omdat ik er promotieonderzoek deed. Vanaf 1997 zijn we non-stop met de band bezig geweest. We hebben in die tijd een paar vocalisten en drummers versleten. De bassist en ik zijn eigenlijk de constanten in het geheel, al heb ik hem nu een aantal maanden niet meer gezien: eind 2007 hebben we een sabbatical ingelast. Dat was nodig, voor iedereen. Ik ben wel muziek blijven schrijven voor een volgend album. Hij is nu bezig een gezin te stichten en heeft net een huisartsenpraktijk opgezet. Dat kost ook allemaal even tijd. Binnenkort hoop ik de band weer bij elkaar te roepen.

De medewerkers hier in het UMC kopen wel eens een cd’tje van Maida Vale: ze weten vaak wel wanneer er een nieuwe uitkomt. Ik leg er natuurlijk geen druk op: ik ben de leidinggevende hier, dus enige voorzichtigheid is wel geboden. Als mensen het willen kopen: graag. Hebben ze geen interesse: ook prima. Laatst kwam de secretaresse naar me toe die een cd had aangeschaft. Ze zei: ‘Jullie hebben er een nieuwe fan bij hoor. Mijn dochter luistert met plezier naar jullie muziek.’ Dat is leuk om te horen.

Ik heb niet altijd gitaar gespeeld. Het orgel had in beginsel mijn voorkeur; het was het eerste instrument dat ik bespeelde. Op mijn dertiende ging ik met mijn ouders naar de Utrechtse muziekzaak Staffhorst. Er was een orgeldemonstratie waar een loterij aan verbonden was. Het is de enige keer dat ik iets won: drie maanden orgelles. Mijn moeder was altijd al geïnteresseerd in orgels, ze nam ook les, en dus haalden we een orgel in huis. Mijn interesse voor het orgel ontstond door Deep Purple, mijn allereerste muzikale liefde. Toen ik hun muziek hoorde ging er een wereld voor me open. Wauw! Dat was wel even different koek. Vandaar dat ik ook wel orgel wilde leren spelen. Later heb ik me toegelegd op de gitaar.

Eén van mijn grootste voorbeelden is Steve Vai. Een bijzonder mens en een briljant gitarist. Een paar jaar geleden heb ik hem ontmoet toen hij optrad in Tilburg. Ik had zo’n VIP-kaartje gekocht. Ik dacht nog wel: moet ik dat doen, ik ben al over de 40. Maar mijn vriendin zei meteen: ‘gewoon doen joh’! Ach, waarom niet. Ieder mens blijft een beetje kind, toch? Het was hartstikke leuk. Hij is zo’n vakman. Tijdens de soundcheck, waar ik als VIP-gast bij mocht zijn, bleek hij een ongelooflijk goed gehoor te hebben. Elk frequentiegebied had ie haarfijn door. Dat is ook een vorm van ontleden.

Als ik in de jaren 80 de kans had gehad om profmuzikant te worden, had ik dat gedaan. Ik heb niet de illusie dat ik nu nog, op mijn 49ste, doorbreek. Maar stel… Dan wordt het heel interessant wat er gaat gebeuren. Ik zou serieus overwegen wat ik met mijn werk hier zou doen. Maar dat is makkelijk praten: want een doorbraak is zo irrealistisch. En anatomie, wetenschap en onderwijs zijn ook erg leuk. Muziek fungeert nu meer als uitingsmiddel. In het maken en spelen van muziek volg ik mijn hart.

CV

Ronald Bleys (49) is senior docent-onderzoeker en hoofd van de afdeling anatomie

in het UMC Utrecht. Hij heeft in diverse bands gespeeld. Sinds 1997 is hij gitarist in de band Maida Vale, een femme metal band die inmiddels twee albums en een EP op hun naam heeft staan. Maida Vale is te beluisteren op www.myspace.com/maidavalepowerrock.

Hoe word ik wie ik ben

Cultures & Identities vertelt het je

De muziek die zij beluisteren, de boeken die zij lezen, de TV-programma’s die zij bekijken. Voor de Utrechtse Geesteswetenschappers zijn dat de media waaraan groepen mensen hun identiteit ontlenen. Binnen de Organisatiewetenschap vervullen sportclubs, religieuze bijeenkomsten en festivals die rol. In het focusgebied Cultures and Identities gaan de twee zienswijzen voortaan hand in hand.

“Ik weet nog goed dat ik met Paul in gesprek raakte over de kopstoot van Zidane.* Voor mij als literatuurwetenschapper was die gebeurtenis vooral interessant vanuit het perspectief van de verhaaltheorie. Zidane was tot aan dat moment een toonbeeld van succesvolle integratie, maar in één klap, in één dramatisch moment, veranderde de strekking van zijn hele levensverhaal. Het grappige was dat die kopstoot Paul ook bleek bezig te houden, maar op een heel andere manier. Hem ging het om de betekenis ervan voor Algerijnse jongeren in Frankrijk. Daar had ik geen moment bij stilgestaan.”

Aan het woord is hoogleraar literatuurwetenschap Ann Rigney. Tegenover haar knikt hoogleraar organisatiewetenschap Paul Verweel instemmend. “Voor die jongeren was de in Algerije geboren Zidane een held, en dat was hij na die kopstoot zo mogelijk nog meer. Hij had duidelijk gemaakt dat er met Algerijnen in Frankrijk niet viel te spotten. Er is zelfs een liedje over gemaakt dat in de Franse banlieus een tophit is geworden.” Rigney: “We bleken dus weliswaar op verschillende manieren naar die kopstoot te kijken, maar tegelijkertijd waren er veel raakvlakken. Dat sterkte ons in het idee dat er goede kansen lagen voor gezamenlijk onderzoek.”

Rigney en Verweel zijn de ‘trekkers’ van het focusgebied ‘Cultures and Identities’. Met hun onderzoek willen zij, zoals zij zelf zeggen, ‘meer inzicht krijgen in de manier waarop mensen zich een beeld vormen van wie of wat ze zijn’. “Tot voor kort ontleenden mensen hun identiteit aan een nationale eenheidscultuur”, aldus Verweel. “Je was Fransman, Engelsman, Nederlander. De toenemende globalisering, de immigratie en de Europese integratie hebben die nationale identiteit echter op losse schroeven gezet. Niet voor niets kon prinses Maxima onlangs zeggen dat ‘de Nederlander’ niet bestaat. De vraag is echter wat er voor in de plaats komt en vooral hoe nieuwe identiteiten gevormd worden?”

“Binnen Geesteswetenschappen kijken wij vooral naar de cultuur, naar de manier waarop mensen door de tijd heen zich een beeld vormen van wie of wat ze zijn op basis van wat wij ‘media’ noemen”, vervolgt Rigney. “Bij media moet je dan niet alleen denken aan kranten, radio, TV en internet, maar ook aan andere culturele uitingen, zoals muziek, dans, fotografie, literatuur, religie en ga zo maar door. Al die uitingen hebben invloed op de manier waarop individuen en groepen naar zichzelf kijken, en dus ook op mechanismen van in- en uitsluiting. Daar proberen wij meer greep op te krijgen.”

Verweel: “Binnen Organisatiewetenschap richten wij ons meer op de instituties en de organisaties waartoe mensen behoren, de kerk of de moskee waar zij naar toe gaan, de sportclub of politieke partij waarvan ze lid zijn. Naast de verhalen die mensen elkaar vertellen en de muziek waarnaar zij luisteren, draagt ook hun participatie in sociale verbanden bij aan hun identiteitsvorming. In feite zijn de cultuur en de organisatie twee kanten van het verhaal die niet zonder elkaar kunnen, hebben de twee trekkers gaandeweg ontdekt. Verweel: “Sinds ik met Ann praat, denk ik in mijn onderzoek naar migranten steeds: o ja, ik moet niet alleen kijken naar de moskee en de voetbalclub, ik moet ook letten op film, op TV en op de verhalen die mensen elkaar vertellen.” Rigney: “Voor mij was het heel verrassend om te beseffen dat we bij het praten over identiteitsvorming meer rekening moesten houden met de sociale omgeving waarbinnen mensen functioneren. Dat heeft binnen Geesteswetenschappen nooit erg centraal gestaan. Daartegenover hebben wij veel historische inzichten in hoe identiteiten gevormd en veranderd zijn door de eeuwen heen”

Gezien de maatschappelijke urgentie zou het ondenkbaar zijn als Utrecht geen focusgebied op dit terrein zou hebben, zegt Verweel, die niet genoeg kan benadrukken hoe blij hij als sociaal wetenschapper is met de kans om met geestverwanten uit de alfa-sfeer te kunnen gaan samenwerken. Om de twee benaderingen samen te brengen hebben de twee trekkers inmiddels een gezamenlijk onderzoeksprogramma met vier thema’s opgesteld. Rigney: “Uiteraard verwachten we niet van iedereen binnen dit grote focusgebied dat hij of zij meteen aanschuift bij een van die vier onderzoekslijnen. Ons uitgangspunt is dat dat wij gaan voortbouwen op bestaand onderzoek terwijl wij ook nieuwe samenwerkingsverbanden creëren..”

Hoewel de plannen al geruime tijd klaar lagen, hebben de trekkers pas afgelopen najaar geld gekregen om aan de slag te gaan. Concrete onderzoeksresultaten van de nieuwe projecten zijn er dan ook nog niet.” Of toch één, zegt Verweel. “Sinds wij als focusgebied op de universitaire website staan, krijgen we zeker eens per week een aanvraag uit het buitenland van iemand die hier wil komen promoveren. Voordien hoorden wij zelden iets, maar doordat we nu als ‘Cultures and Identities’ zichtbaar zijn, loopt het opeens storm. Over het belang van een goede presentatie gesproken.”

*Tijdens de WK voetbal van 2006 gaf de Franse topspeler Zinedine Zidane zijn Italiaanse tegenstander Materazzi uit frustratie over het aanhoudende schelden een kopstoot. Hij kreeg een rode kaart en werd uit het veld gestuurd.

KADER

Cultures and Identities

Het focusgebied Cultures and Identities is een samenwerkingsverband van zes groepen uit het departement Letteren, twee uit Theologie en één uit Bestuurs- en Organisatiewetenschap. In totaal maken 35 hoogleraren deel uit van Cultures and Identities.

Tot 2012 zullen vier interdisiciplinaire onderzoeksgebieden worden ontwikkeld waarin vanuit verschillende invalshoeken onderzoek zal worden gedaan naar het dynamische samenspel van veranderende culturen, de veranderende zelfbeelden van mensen en patronen van in- en uitsluiting in de maatschappij.

De vier invalshoeken zijn:

•Changing Literacies

•Media and Diaspora

•Shifting Youth Identities

•Transnational Memories

•Zie ook: www2.hum.uu.nl/onderzoek/focusgebieden/ci/

Vluchtelingenkinderen op zoek naar wie ze zijn

‘Dit zijn de kamelen van mijn opa. En dit zijn zijn koeien. Daar staat mijn neef. Hij is nu ongeveer zestien en ik heb hem nog nooit gezien. Dit is mijn broertje in onze tuin in Roosendaal.’

Het filmpje op de website van Chicam is kort en de beelden zijn niet heel scherp. Maar ze laten in een notendop heel wat zien van de belevingswereld van Sharmake, een jongen van tien die op de vlucht uit Somalië in Roosendaal terecht kwam. “In al zijn eenvoud maakt zo’n filmpje iets duidelijk van de problemen waarmee vluchtelingenkinderen worstelen”, beaamt Sonja de Leeuw. “Kinderen die in een stabiele omgeving opgroeien, kunnen in alle rust een eigen identiteit ontwikkelen. Maar hoe moeten kinderen dat doen van wie het leven zo’n duidelijke breuk vertoont? Ze weten dat hun toekomst hier ligt en je ziet dan ook dat ze zich in hun filmpjes heel duidelijk neerzetten als Nederlandse kinderen. Maar hun oudste herinneringen hebben ze aan hun dorp in Somalië, aan hun familie in Congo, aan hun vriendjes in Irak. En herinneringen vormen nu eenmaal een wezenlijk onderdeel van je identiteit.”

Sharmake maakte zijn filmpje in zijn basisschool in Roosendaal. Een jaar lang werd daar op woensdagmiddag een lokaal ingericht als ‘mediaclub’ voor tien vluchteling- en migrantenkinderen tussen 10 en 12 jaar. Onder leiding van hoogleraar mediastudies Sonja de Leeuw en een onderzoeksassistent kregen zij daar de kans om met een breed arsenaal aan nieuwe media producties te maken. “Het ging om een project van de Europese Commissie met als titel Childeren in Communication about Migratio”, vertelt De Leeuw. “De vraag was in hoeverre het werken met media vluchtelingenkinderen kan helpen hun identiteit te vinden en hun stem te laten horen. In zes Europese landen werden groepjes kinderen gevormd die mochten experimenteren met het maken van documentaires, animaties, fictiefilms en videoclips. Voor het project waren thema´s gedefinieerd, die in het leven van kinderen belangrijk zijn, familie, vriendjes, school, maar ze mochten ook gewoon een leuk filmpje maken en mensen interviewen over bijvoorbeeld de lente.”

De Leeuw is enthousiast over de resultaten. “In de eerste plaats zag je dat de kinderen zich door producties te maken veel bewuster werden van wie ze waren. Maar daar kwam bij dat het project ook voor de leerkrachten een eye-opener was. Zij zagen in de filmpjes vaak veel duidelijker hoe de kinderen zaken als school, familie en vriendschap ervoeren dan in gesprekken. Dat is de kracht van beelden. Die kunnen verwijzen naar dingen waarover je niet gemakkelijk praat en naar emoties waarvan je je soms zelfs niet eens bewust bent.”

Voor de Europese Commissie was het project vooral van belang om adviezen te krijgen over een betere ondersteuning van vluchtelingenkinderen, maar voor De Leeuw was het ook heel interessant om te zien hoe in verschillende culturen wordt omgegaan met herinnering en welke rol mediatechnologie daarbij speelt. “Sommige ouders wilden zo graag dat hun kinderen Nederlanders werden dat ze alle herinneringen aan vroeger hadden verwijderd. Zelfs het adresboek van de mobiele telefoon was gewist. In de filmpjes van die kinderen speelde het land van herkomst dan ook geen enkele rol. Bij de Afrikaanse kinderen zag je juist het omgekeerde. In hun cultuur is de familie erg belangrijk. Dat bleek ook wel, want als we ze vroegen om een familiecollage, dan kwam er altijd een enorme stamboom, ook met namen van mensen die ze nog nooit gezien hadden. En heel grappig: Ze tekenden zichzelf altijd in het midden.”

Opmerkelijk vindt De Leeuw dat in geen van de producties over de traumatische episode van de vlucht naar Nederland wordt gesproken. “De breuk die die vlucht in hun leven heeft veroorzaakt, sloegen ze systematisch over. Als daardoor een hik in het verhaal ontstond, verzonnen ze soms gewoon dingen. Niet dat ze logen, maar ze probeerden hun levensverhaal op een nieuwe en minder pijnlijke manier compleet te krijgen. Ook in dat opzicht kan het gebruik van media voor vluchtelingenkinderen dus van groot belang zijn.

Kadertje

Hoewel in het project de nadruk lag op de manier waarop vluchtelingenkinderen de media kunnen gebruiken bij het onderzoeken van hun identiteit, merkten de onderzoekers al snel dat ook sociale en culturele activiteiten een belangrijke rol spelen. “Die bevinding sluit naadloos aan bij het uitgangspunt van ons focusgebied”, zegt De Leeuw. “We hebben daarom nu een vervolgproject ontwikkeld voor Focus en Massa onder de noemer ‘Media and Diaspora’, waarbij we ons onder meer willen richten op het zien en maken van mediaproducties door diasporagemeenschappen, zoals vluchtelingenvrouwen en zwarte vluchtelingen. Hierin gaan we vooral onderzoeken hoe het mediagebruik (passief en actief) zich verhoudt tot andere activiteiten gericht op de vorming van identiteit en sociale cohesie, zoals festivals en religieuze bijeenkomsten.”

Jongeren in Overvecht

Wie:dr. Martijn Koster

Doel: De gemeente Utrecht is bezig met de renovatie van een deel van de Utrechtse wijk Overvecht en ik probeer er door gesprekken met jongeren tussen 15 en 20 jaar achter te komen wat ze daarvan vinden. Hoe zien zij hun wijk, wat denken zij dat er na de renovatie gaat veranderen, en in hoeverre draagt het wonen in Overvecht bij aan hoe ze zichzelf zien?

Achtergrond: Door flats te slopen en te vervangen door eengezinswoningen hoopt de gemeente Utrecht de probleemwijk Overvecht te veranderen in een ‘prachtwijk’. De bewoners krijgen de kans om tijdens inspraakavonden over de plannen mee te praten, maar de jongeren laten zich daar niet zien. Vandaar dat ik ze rechtstreeks naar hun mening vraag. Het grappige is dat ze zonder uitzondering zeggen heel trots te zijn op Overvecht. Maar als ik ze vraag waar ze later hun gezin denken te stichten, dan wil negentig procent weg, want om kinderen op te voeden vinden ze Overvecht geen geschikte omgeving.

Jouw werk Ik loop sinds januari regelmatig een halve dag rond in het Vader Rijn college om met de scholieren te praten. Ik probeer ze ook wel op straat aan te spreken, maar met meisjes kom je zo niet in contact. Een man die op straat meisjes aanspreekt, dat is ‘not done’. Inmiddels beginnen ze me gelukkig een beetje te kennen. Sommige spreken me aan met ‘meester’. Soms loop ik met ze door de wijk en dan praten we over wat we zien.

Aantrekkingskracht: Ik heb een promotieonderzoek gedaan naar de herstructurering van een Braziliaanse sloppenwijk. Ik ergerde me daar enorm aan de traagheid van de procedures, want die draagt in hoge mate bij aan het gevoel van onzekerheid van de bewoners. Ik wilde graag in Nederland net zulk onderzoek gaan doen, omdat ik dacht dat het hier anders zou gaan. Maar eerlijk gezegd zie ik weinig verschil. Ook in Overvecht staan flats, waaraan Mitros, de eigenaar, vrijwel niets meer doet omdat ze al acht jaar op de nominatie staan gesloopt te worden. De bedoelingen zullen vast goed zijn, maar de overheid realiseert zich onvoldoende dat de meest kwetsbare mensen op deze manier nog extra worden geraakt.”

Koloniale herinneringen

Wie: Paul Bijl

Doel: In 1904 nam een legerfotograaf in Atjeh een aantal foto’s van Nederlandse soldaten die poseren bij de lijken van vermoorde dorpelingen. Die foto’s zijn sindsdien regelmatig gepubliceerd en ik breng in kaart op wat voor manier en in welke media dat is gebeurd en nog steeds gebeurt.

Reden: Mijn onderzoek maakt deel uit van het project The Dynamics of Cultural Remembrance. Daarin kijken we naar de invloed van teksten, beelden en andere ‘media’ op de manier waarop individuen en groepen zich bepaalde gebeurtenissen herinneren. In mijn geval zijn dat de herinneringen aan Indië. Ik wil weten hoe de herinnering aan ons koloniale verleden in de loop van de tijd is veranderd en deze foto’s zijn mijn case-study. In het begin was men vooral trots op ‘onze jongens’. Dat het leger zelf de foto’s publiceerde, spreekt boekdelen. Daarna zijn ze lange tijd vergeten, tot ze in de jaren zestig weer opdoken, maar nu om het koloniale verleden van Nederland aan de kaak te stellen. Ze komen nu zo vaak terug, tot aan Wikipedia toe, dat het steeds moeilijker wordt om over Indië te praten zonder ook aan de Atjeh-oorlog te denken. De foto’s gaan meer en meer functioneren als symbool van het kolonialisme.

Jouw werk: Ik probeer zoveel mogelijk plekken te vinden waar de foto’s zijn gebruikt, in boeken, in musea, in archieven en ook op internet. Vervolgens breng ik heel gedetailleerd in kaart om wat voor medium het gaat, hoe en hoe groot de foto is geplaatst, en met welke begeleidende tekst. Dat is echt een kwestie van wat wij ‘close reading’ noemen. Aan de hand van de publicatiegeschiedenis van de foto’s wil ik meer inzicht verschaffen in de manier waarop wij in de afgelopen honderd jaar met ons koloniale verleden zijn omgegaan.

Aantrekkelijk: Het is enorm fascinerend om zo’n foto als het ware door de tijd te kunnen te volgen en te zien hoe hij telkens een andere betekenis krijgt. Maar voor mij speelt ook een rol dat er tegenwoordig heel erg wordt gedaan of ons koloniale verleden iets is van vroeger. Maar dat is niet zo, want in de huidige mondiale verhoudingen zie je er nog duidelijk sporen van terug. Een project als dit kan helpen om ons daarvan bewust te blijven.

Paars is het nieuwe blauw

UVSV-huis: Abstederdijk 26 / aantal bewoonsters: 9

“De hele geru hebben we onder handen genomen. Met het logo zijn Frans en Ties een volle dag bezig geweest. Met een beamer is het logo op de muur geprojecteerd zodat we het met potlood konden overtrekken. Daarna is alles ingekleurd. De bar is ook in de lustrumkleuren geverfd; die was al jarenlang bruin. Eigenlijk wilden we de binnenkant van de voordeur ook verven, maar dat mocht niet van de huisbaas.

“Zo’n beetje het enige wat niet paars-wit is, is onze huisvis, Triple J. Staat voor Jack Jut Jan, de opvolger van vis Jut Jan die voorafgegaan werd door Jan. Het is een sluierstaart. Of een leeuwenkop. Hij is oranje?????.”

UVSV-huis: Wijde Doelen 2B / aantal bewoonsters: 11

“In onze geru is minder niet paars-wit dan wel. Ofwel: alles is bijna paars-wit. Kijk bijvoorbeeld naar onze kast. Indrukwekkend, niet? Behangen met paarse mozaïeksteentjes. Die steentjes hebben we gekregen van de moeder van Fred, die heeft een winkeltje waar ze van die steentjes verkoopt.

“Of we wel van paars houden? Ja, nu wel. Paars is het nieuwe zwart.

“We hebben er alle vertrouwen in dat we eerste worden. We moeten die prijs ook winnen, die kappersbeurt bij Kurz, want we zijn al maanden niet naar de kapper geweest.

“Gaan jullie nu naar Wijde Doelen 2C? Doen die mee dan? Nou, dat zal wel eens tegen kunnen vallen: we hebben ze nauwelijks bezig gezien.”

UVSV-huis: Wijde Doelen 2C /aantal bewoonsters: 11

“Wat kunnen we winnen? Een kappersbeurt voor het hele huis bij Kurz… Leuk. Nou ja, jammer, die prijs zal aan onze neus voorbij gaan. We zijn wel heel enthousiast begonnen, maar zijn niet verder gekomen dan de toiletruimte. Die was ook wel aan verandering toe: de ruimte was nog helemaal oranje, naar aanleiding van het WK in 2006. En er hingen voetbalteamposters van alle deelnemende landen. Het plafond hebben we maar met rust gelaten: als we daar aan waren begonnen, had het waarschijnlijk naar beneden gekomen.

“We hebben elk jaar in januari huisdiner, daar maken we in de geru ook schilderingen voor. Zou toch zonde zijn om die nu met paars en wit over te schilderen.”

UVSV-huis: Lepelaarstraat 19-19bis / aantal bewoonsters: 9

“Ah nee, komen ze nu net langs als er een pot paarse verf op de vloer van de badkamer is gevallen. Die viel echt uit het niets op de grond. We zijn nog bezig met schilderen. De deurposten zijn al wel opgedroogd, de boekenplanken zijn nog nat. Aan een logo op een van de muren zijn we maar niet begonnen: dat was ook wel erg moeilijk.

“Onze geru was nog in de kleuren van het vorige lustrum, groen en blauw. Paars en wit is veel chiller. Rustiger.

Ik ben bang dat we niet gaan winnen, daar hebben we het iets te subtiel voor aan gepakt. Let bijvoorbeeld op het detail: de kussentjes op de bank zijn paars. Ach, we vonden het vooral leuk voor onszelf om de boel een andere kleur te geven.”

UVSV-huis: Homeruslaan 22bis / aantal bewoonsters: 5

“Wij hebben vooral erg veel verf gebruikt. De keuken is geverfd, de gangen, de badkamer. Nee, er zit niemand te kakken, je kunt de badkamer gewoon binnenlopen. De huisbaas was blij dat we aan de slag zijn gegaan. Hiervoor was alles geel en blauw, lustrumkleuren van wel 15 jaar geleden. Het plafond had allemaal van die vieze, zwarte plekken.

“Het logo op de muur bij de trap is erg goed gelukt. Is inderdaad nog mooier dan op de club.”

UVSV-huis: Minervaplein 39 / aantal bewoonsters: 5

“We zijn maanden bezig geweest. Vanaf minuut een hebben we alles gegeven. De deur van de geru hebben we behangen met omhulsels van Milka-repen. We zijn behoorlijk aangekomen van de chocolade, maar alle kilo’s zijn er weer af door het vele schilderen.

“In de wc-ruimte hebben we paarse hartjes geschilderd, lekker romantisch sfeertje voor de dates die komen.

Buiten, aan de voorkant, staat een paars wit bankje en we hebben een spandoek opgehangen. In de gordijnen hebben we het logo van het lustrum gedrukt. Voorbijgangers kijken de hele tijd naar binnen om te zien hoe het eruit ziet. Maar ze gluurden eigenlijk altijd al.”