Achtergrond

Interview

Somayeh Djafari

Rachel Voorbij

Ik had laatst ‘s avonds een vergadering en werd daarna gelijk gebeld over een brief die geschreven was en die gewijzigd moest worden. Het werd twee uur ’s nachts en moest om zes uur weer opstaan. Ik ben er behoorlijk druk mee, maar ondanks wat slaaptekort ben ik erg blij dat ik in de Universiteitsraad zit.

Ik ben destijds door een jaarclubgenootje enthousiast gemaakt. Zij was het jaar voor mij raadslid en ze wist dat het echt iets voor mij zou zijn. Waarschijnlijk omdat ik zo goed kan klagen. Ik zeurde altijd over het tekort aan studieplekken. Dan vroeg ik: ‘kun jij dat niet even fixen’? Als raadslid ben ik meteen met dat onderwerp aan de slag gegaan. Vooral over de situatie in de universiteitsbibliotheek in De Uithof hoor je veel mensen klagen. Aan het college van bestuur is onlangs voorgesteld om het aantal beschikbare werkplekken beter zichtbaar te maken. Er is al wel een link op UB-website, maar die zit te verstopt. We hebben nu gevraagd of die link op de frontpage kan komen. Zo kunnen studenten, voordat ze op de fiets stappen, kijken of er wel genoeg plekken vrij zijn. We hebben ons ook ingezet voor het behoud van de huidige tentamentijden. Het college was van plan om tentamens ook op zaterdag te laten afnemen. Daar hebben we dus een stokje voor kunnen steken.

Ik vind het ook leuk om mijn tanden te zetten in een begroting. Dat heeft deels te maken met mijn studie fiscaal recht.

Ik ben dol op cijfers, maar een begroting heeft ook veel te maken met keuzes, beleid en politiek. Het leek me daarom interessant om een keer te kijken hoe het er bij het Ministerie van Financiën aan toe gaat. Ik heb daar laatst een masterclass gevolgd. We kregen een casus over de financiële crisis en moesten vervolgens fiscale maatregelen bedenken als advies voor de staatssecretaris.

Ik leer van het werk in de universiteitsraad. Bijvoorbeeld hoe je verschillende belangen kan afwegen, hoe je een standpunt helder kan formuleren of hoe je invloed kan uitoefenen zonder harde woorden te gebruiken. Ik vind het een bijzonder leerproces. Die bestuurlijke aspecten had ik via mijn studie niet zo snel kunnen oppikken.

Leren vind ik sowieso erg belangrijk. Het is zelfs mijn motto: per dag zou je ten minste drie nieuwe dingen bewust moeten leren. Je moet inspiratie hebben om op te kunnen staan in de ochtend. Ik vind het belangrijk om elke dag iets te kunnen doen, anders krijg ik de neiging om me in bed te verstoppen. Dat is af en toe niet zo erg, maar wel als je afspraken hebt.

Ik vind het belangrijk om afspraken na te komen. Dit geldt niet alleen voor U-raadzaken, maar voor alles: belofte maakt schuld en afspraak is afspraak. Ik vind dat je elkaar tegemoet moet komen. Je kunt dan zo veel vervelende situaties voorkomen en relaxter door het leven gaan.

Op dat vlak lijk ik op mijn ouders. Ze zijn rationeel en altijd duidelijk naar elkaar en naar mij toe geweest. Zij zeiden altijd: ‘stel dat je ergens mee zit, probeer dan eerst voor jezelf te bepalen waar je dan precies mee zit en waarom je je zo voelt’. Ik denk dat deze aanpak je sneller bij de oplossing voor het probleem brengt dan wanneer je al je emoties laat gaan. Mijn ouders en ik geloven in een open, eerlijke communicatie en willen die altijd behouden. Op dit moment wonen ze in Genève. Mijn moeder werkt bij de VN en mijn vader is diplomaat. Zij houden zich voornamelijk bezig met de wederopbouw van Afghanistan.

Ik zie ze daardoor niet vaak, maar ik probeer wel minstens een keer per week met ze te bellen. Voor mijn broers geldt hetzelfde. Van de drie woont er maar één in Nederland. We zijn een echt wereldgezin.

Ik ben, net zoals mijn ouders, geboren in Afghanistan. Bij de opkomst van het Talibanbewind zijn we gevlucht; ik kom wel uit een islamitisch nest, maar we zijn behoorlijk liberaal. Ik was toen nog geen twee jaar oud. Voordat we in Nederland terecht kwamen, heb ik eerst nog in Iran gewoond. Ik ging daar naar school, maar ik heb nauwelijks iets gemerkt van het radicale bewind. Ik moest wel een hoofddoekje om, maar dat vond ik niet vreemd, iedereen deed dat en daarnaast was ik nog een kind.

Ik woon sinds mijn elfde in Nederland. Ik spreek niet alleen de taal, ik denk en droom ook in het Nederlands. Toch hanteer ik nog sommige Afghaanse gebruiken die ik leuk vind, het Afghaanse nieuwjaar bijvoorbeeld. Dat begint op 21 maart. Het is altijd een heel leuk feestje met lekkere Perzische gerechten. Ingrediënten hiervoor koop ik wel eens in Lombok. Sowieso kom ik daar graag. De Kanaalstraat doet me denken aan het buitenland. Al die kleine winkeltjes met hun uitgestalde groente en fruit vind ik zo gezellig. Ik maak ook wel eens een praatje met de eigenaar van een Perzisch winkeltje, in het Farsi - dat is Iraans.

Het is niet zo dat ik het gevoel heb dat ik thuiskom als ik in Lombok ben. Voor mij is het ‘thuis gevoel’ niet gebonden aan een locatie, grens of land. Misschien komt dit omdat ik al op verschillende plekken heb gewoond. Ik voel me vooral thuis als ik bij familie en vrienden ben, maar specifieke verlangens om terug te gaan naar Afghanistan of Iran heb ik niet.

Ik heb nog steeds familie in Afghanistan wonen en mijn ouders zijn er ook regelmatig. Dan schrik je wel als er een aanslag wordt gepleegd in de buurt van waar zij zitten. Ik kan me dan flink zorgen maken, zeker omdat de communicatiemiddelen in Afghanistan nog niet zo optimaal werken. Ze zijn soms lastig te bereiken. Ik volg de huidige situatie in Afghanistan wel in het nieuws. Ik sta er bij stil en het helpt me relativeren. Zeker als ik vind dat ik me gedraag als een verwend nest, want ik heb meer kansen gehad dan de huidige bewoners van Afghanistan.

CV: Somayeh Djafari (24) is geboren in Kabul in Afghanistan. Bij de opkomst van het Talibanregime vlucht ze met haar familie weg uit het aziatische land. Een deel van haar jeugd brengt ze door in Iran. Vanaf haar elfde woont ze in Nederland. Inmiddels is ze vierdejaars rechten, lid van Veritas en zit voor lijst Vuur in de U-raad.

Heb jij al gestemd voor de Uraad?

1. Er wordt in Utrecht per definitie geen onderwijs gegeven na zeven uur 's avonds.

McWUB: Er wordt in Utrecht bij vóórkeur geen onderwijs gegeven na zeven uur 's avonds.

PvdUS: Eens. Ergens moet een grens zijn. De student moet de ruimte krijgen de avond zelf in te richten.

VUUR: Ja, voltijdcursussen moeten in de timeslots overdag blijven vallen. Maar uitzonderingen zijn mogelijk.

2. Farmacie en Diergeneeskunde kennen een certificaat voor actieve studenten. Dat moet voor de hele UU worden ingevoerd.

McWUB: Studie gerelateerde activiteiten moeten worden beloond met studiepunten. Dus nee.

PvdUS: Eens, academische vorming is meer dan alleen wetenschappelijke vorming, het is goed dit te stimuleren

VUUR: Ja, we ondersteunen actieve studenten. Alle studenten mogen beloond worden voor hun extracurriculaire activiteiten.

3. De universiteit moet duurzamer en dat mag wat kosten.

McWUB: De universiteit moet duurzamer en dat kan geld ópleveren!

PvdUS: Oneens, in tijden van grote bezuinigingen heeft duurzaamheid niet de eerste prioriteit.

VUUR: De universiteit mág duurzamer! Bijvoorbeeld hergebruik meubilair+studieboeken. Op termijn betaalt dit zich terug.

4. Alle Utrechtse docenten moeten een Engels examen afleggen. Wie zakt moet op Engelse les.

McWUB:Indien noodzakelijk zien wij meer in nascholing op vrijwillige basis.

PvdUS: Oneens, maar voor studierichtingen waar Engels essentieel is, zijn wij vóór.

VUUR: Docenten moeten een goed Engels niveau hebben, anders moeten ze extra cursussen volgen.

5. Er moeten streefcijfers komen voor het aantal vrouwelijke hoogleraren per faculteit.

McWUB:Wij zijn voorstander van een diversiteitsbeleid maar geloven niet in bindende quota.

PvdUS: Het voeren van positieve discriminatie of actie mag nooit ten koste gaan van kwaliteit.

VUUR: Ja, nagestreefd worden. Indien niet gehaald verantwoording afleggen in verband met legitieme omstandigheden.

6. Wat zouden naar jullie mening de vier kernwaarden van de universiteit moeten zijn?

McWUB:De marketingtermen (want dat zijn het) die de universiteit gebruikt hebben niet onze prioriteit

PvdUS: Vrijheid, ambitie, betrokkenheid en ondernemend

VUUR: Betrokken, onafhankelijk, ambitie, faciliterend.

7. Het CvB zou in Den Haag samen met studenten moeten gaan demonstreren tegen het onderwijsbeleid.

McWUB: Een eenduidig tegengeluid zou inderdaad veel meer indruk maken.

PvdUS: Nee, we zien Yvonne van Rooy niet met haar hoge hakken in de modder van het Malieveld staan!

VUUR: Als studenten slachtoffer worden van de bezuinigingen verwachten we het hele college! Wij gaan ook!

8. Hbo-studenten moeten gemakkelijker naar de universiteit kunnen doorstromen.

McWUB: Klopt, maar dit mag niet ten koste gaan van andere studenten.

PvdUS: Eens, doorstroom en mobiliteit is belangrijk maar op dit moment is de bekostiging niet op orde.

VUUR: Nee, wat ons betreft zijn de huidige regelingen geschikt.

9. Welke drie concrete resultaten willen jullie komend zittingsjaar boeken?

McWUB:Meer computers, een gezelligere Uithof en een leidraad voor betere studeerbaarheid van de programma's.

PvdUS: Universitaire certificaten voor activiteiten buiten je studie, een eenduidige herkansingsregeling en realiseren van grotere bekendheid minors.

VUUR: Meer kleinschalig en persoonlijk onderwijs, reparatietoetsen/herkansingen niet naar de 5.0 en voldoende computer werkplekken en printers.

10. Aparte bedrijvendagen per opleiding zijn beter dan één universitaire carrièredag.

McWUB: Een brede oriëntatie hoort bij het academisch niveau, dus nee.

PvdUS: Het één moet het ander niet hoeven uitsluiten, hoe meer des te beter.

VUUR: Nee, er gebeurt te weinig aan arbeidsmarktoriëntatie, dus waarom niet beide in stand houden?

11. Er mogen flink wat bestuursbeurzen van

gezelligheids- naar studieverenigingen worden overgeheveld.

McWUB: Aan de huidige verdeling hoeft niet verder te worden getornd.

PvdUS: Wat een goede verdeling zou moeten zijn is nog onvoldoende duidelijk, er is geen totaaloverzicht van activiteit en tijdsbesteding.

VUUR: Overhevelingsdiscussie nu niet aan de orde; als studentvertegenwoordigers moeten we streven naar meer beurzen in totaal.

12. Studenten mogen alleen een reparatietoets doen als zij minimaal een 5 hebben behaald (is nu een 4)

McWUB: Een 4, zolang de herkansing maar past bij het academisch niveau.

PvdUS: Oneens! In vergelijking met andere universiteiten is Utrecht al heel streng, dat moet niet strenger!

VUUR: Nee, de 4 moet behouden worden, dit is landelijk gezien al heel streng.

13. Als het aan ons ligt komt de grens voor een BSA op ??? ECTS te liggen.

McWUB: De faculteiten moeten zelf kunnen beslissen over de hoogte van het BSA (met een maximum).

PvdUS: Het BSA moet niet worden ingezet als efficiëntiemaatregel, nut en effect ervan zijn nog onvoldoende onderzocht.

VUUR: Huidige grens is geschikt: kijk wel naar persoonlijke omstandigheden, dus is een goede studiebegeleiding noodzakelijk.

Vera voor wereldkampioen

Mirjam Streefkerk

‘Zullen we een beetje gaan klimmen?’, vraagt Wouter Jongeneelen aan Vera Zijlstra. De twee zijn net gearriveerd in Monk bouldergym in Eindhoven, hebben aan de bar even wat gedronken en zijn nu klaar voor hun training. In de oude Philipsfabriek staan door de enorme hal verspreid verschillende boulderwanden, klimmuren en -blokken met grepen in alle kleuren van de regenboog. Onder de wanden, niet hoger dan zeven meter, liggen dikke matten om de klimmers om te vangen.

De twintigjarige wiskundestudente Vera Zijlstra heeft vandaag drie trainingen in de agenda staan. Vanmorgen deed ze wat conditietraining in de sportschool in haar woonplaats Nieuwegein. Vanmiddag reed ze naar Eindhoven om daar net als elke week met haar trainingsmaatje te klimmen. Vanavond staat er nog een training met een aantal leden van het nationale team op het programma, dan is Jongeneelen de trainer.

Zijlstra’s wiskundestudie is bijzaak. “Als ik wil trainen denk ik: ik leer wel wat later voor m’n tentamen.” Want voorlopig heeft Zijlstra die nationale top behoort, slechts één ambitie: wereldkampioen boulderen worden en als het even kan ook nog de wereldbeker winnen.

Om warm te worden klimt het tweetal eerst een aantal eenvoudige boulders. Vanuit zittende positie klimt Zijlstra snel naar boven. Om de laatste twee grepen te bereiken, maakt ze een katachtige sprong omhoog. Even blijft ze hangen, om zich vervolgens te laten vallen op de mat.

Trainingsmaatje Jongeneelen geeft Zijlstra aanwijzingen. De 31-jarige Brabander is een zeer ervaren klimmer en heeft meerdere titels op zijn naam staan. In 2007 werden Zijlstra en hij tegelijk Nederlands kampioen. Ze trainen samen om gemotiveerd te blijven en van elkaars adviezen te leren. Dat ze lol hebben met elkaar helpt ook. Jongeneelen: “Vera is alleen nogal eigenwijs. Je moet wel met een overtuigende verklaring komen als je adviseert om een bepaalde greep op een andere manier te doen.’

De liefde voor het sportklimmen ontstond in 1998 toen Zijlstra en haar zus en broertje meededen aan een bergsportdag. “Dat klimmen beviel zo goed dat we in de klimhal bij ons in Nieuwegein een beginnerscursus gingen volgen”, vertelt Vera.

De wedstrijden gingen de sportklimster goed af. Zo goed, dat ze al snel mocht meedoen met nationale wedstrijden. Op haar vijftiende besloot Zijlstra dat ze wereldkampioen wilde worden en sindsdien traint ze zo’n zes tot zeven keer per week. Ze is meer dan fulltime met haar sport bezig. Zelfs op haar rustdag, wanneer er niet wordt geklommen, duikt ze de sportschool nog even in. En thuis bij haar ouders hangt tegen het schuine dak in haar zolderkamer een campusbord: een plank met kleine houten latjes waarmee ze specifieke kracht kan trainen.

Vera: “Ik vind de variatie heel leuk aan mijn sport. Je moet heel veelzijdig zijn om echt bij de top te behoren en je kunt alles blijven verbeteren. Kracht, uithoudingsvermogen en techniek zijn erg belangrijk. Ik vind het ook fijn om helemaal op mezelf aangewezen te zijn. Bij een teamsport kan het zijn dat jij een goede dag hebt, maar anderen niet. Dan verlies je nog steeds. Hier kan ik het volledig aan mezelf wijten als het misgaat.”

Na haar middelbare school was Zijlstra een jaar fulltime met haar sport bezig. “Ik had geen idee welke studie ik wilde gaan doen, dus schoof ik die beslissing nog even voor me uit.” Hoewel ze niet veel meer trainde dan nu, was het wel een pittig jaar. “Elke wedstrijd wordt superbelangrijk, omdat klimmen het enige is dat je doet. Als het dan dus met het klimmen slecht gaat, gaat je hele leven slecht.”

Omdat het gerucht ging dat universiteit de regeling voor topsportende studenten ging aanscherpen, besloot de klimster vorig jaar om toch maar te gaan studeren. “In wiskunde was ik op de middelbare school wel goed, vandaar dat ik ervoor koos. Het bevalt me goed en ben tot nu toe helemaal bij, ondanks dat ik veel dingen mis.”

Vera maakt haar eigen trainingsschema, want een vaste trainer heeft ze niet. “Er zijn in Nederland weinig goede trainers en ik weet inmiddels zelf wat ik wel en niet moet doen om beter te worden”, aldus de klimster. Dat vergt wel veel zelfdiscipline. “Maar ik vind het juist ook heel prettig om als ik me ’s ochtends moe voel toch maar niet helemaal naar Eindhoven te rijden en thuis of in de klimhal in Nieuwegein te trainen.”

Vooral op technisch vlak kan de klimster nog veel leren. Haar kracht en uithoudingsvermogen zijn erg goed. Zijlstra heeft het lichaam van een gespierde zwemster. “Ze kan op kracht heel veel dingen doen, die sommige mannen niet kunnen”, zegt Jongeneelen terwijl Vera even snel een ingewikkeld uitziende boulder klimt. “Deze vind ik best makkelijk”, zegt ze nadat ze zich heeft laten vallen.

In Nederland zijn er zo’n 200 sportklimmers die ook aan wedstrijden meedoen, maar Zijlstra heeft eigenlijk maar één echte concurrente. Toen die er afgelopen winter met de Nederlandse titel vandoor ging, was dat wel even slikken voor de wiskundestudent die tot dan toe boven iedereen uittorende. “Maar uiteindelijk is het ook voor mezelf wel goed om wat concurrentie te hebben. Daar kan ik alleen maar van leren”, weet Vera. Het verschil met de overige Nederlandse klimsters is groot. Gekscherend zegt ze: “Ik moet ziek zijn en met één arm klimmen en dan verlies ik misschien een keer.” Jongeneelen knikt beamend.

Haar beste internationale prestatie is de vijfde plaats die ze vorig jaar haalde bij een wereldbekerwedstrijd boulderen. Daarvan heeft ze er vijf of zes per seizoen, dit jaar onder meer in Japan en Amerika. Met haar studiefinanciering en de vergoeding die ze ontvangt vanwege haar High Potential-status van het NOC*NSF bekostigt ze een groot deel van het klimmen zelf. De klimbond betaalt een aantal wedstrijden en ook als ze de top acht haalt bij een wedstrijd betaalt de bond haar reis en verblijf. Van sponsoren krijgt ze materiaal.

Vera brengt een deel van haar schaarse vrije tijd door met jeugd- of studievrienden. Die houden rekening met haar drukke trainingsschema. En als het even kan, gaat Zijlstra buiten klimmen, ook een erg leuk onderdeel van haar sport. “Ik probeer bijna alle vakanties in de rotsen te gaan hangen. Bij Parijs heb je een mooi bouldergebied en dit weekeinde ga ik een dagje naar Duitsland.”

Tijdens haar vorige vakantie trainde ze een weekje mee met het Russische team. Dat was flink afzien. Zijlstra: “Hun theorie is dat je het niet moet zeggen als je moe bent, want dan maak je anderen ook moe. Toen we een half uur aan het hardlopen waren en ik vroeg hoelang we nog moesten, kreeg ik op mijn kop. Het is natuurlijk niet altijd goed om zo over je grenzen heen te gaan, maar het werkte wel. Mijn uithoudingsvermogen is toegenomen.”

De wiskundestudent vindt de klimmerswereld vriendelijk. “Tijdens een wedstrijd zit je in de isolatie tot je aan de beurt bent, omdat je de anderen niet mag zien klimmen. Dan breng je soms wel vier uur met je collega’s door en leer je elkaar dus wel goed kennen. Via Facebook houden we tussen de wedstrijden door contact.”

Het boulderen is letterlijk vallen en opstaan. Eén misstap en Zijlstra ligt op de mat, om lachend weer opnieuw aan de klimroute te beginnen. In de ene greep moet ze twee vingers steken, om zich daar vervolgens half aan op te trekken. Andere keren hangt Zijlstra horizontaal met bijna minimale grip. Het lijkt een fluitje van een cent voor de vrolijke klimster.

Zijlstra’s sport en ambitie vragen om veel investeringen. Maar het is het haar allemaal waard. “Natuurlijk heb ik weleens geen zin om te trainen, maar dan heb je afgesproken met iemand en moet je toch.”

Over het leven na het sporten op topniveau denkt de klimster nog niet echt na. De komende tien jaar blijft Vera Zijlstra hard werken voor dat ene doel: wereldkampioen worden. “Of het realistisch is, weet ik niet zo goed. Ik ga er maar vanuit dat het gaat lukken, anders zou ik me niet meer kunnen motiveren.”

Lead, boulderen en speed

De klimsport kent drie disciplines: boulderen, lead en speed. In het eerste specialisme, dat van Vera Zijlstra, is het de bedoeling om in zo min mogelijk pogingen een bepaalde route of boulder af te leggen. Die route komt meestal niet hoger dan vijf meter en klimmers worden dan ook niet gezekerd. Als je de laatste greep met twee handen vast heb en je hangt stabiel, ben je klaar. Dan wordt gekeken in hoeveel pogingen je de boulder hebt afgelegd. Als je het goed genoeg hebt gedaan, mag je naar de volgende ronde.

Hoewel boulderen het belangrijkst is, doet Zijlstra ook nog geregeld mee aan leadwedstrijden. In 2007 werd ze ook in deze discipline Nederlands kampioen. In de lead moet er op een klimwand een bepaalde route worden afgelegd van ongeveer twintig meter. Die route is zo moeilijk dat er snel verzuring optreedt, ook doordat de wand meestal een beetje overhangend is. Degenen die het hoogst komen gaan door naar de volgende ronde.

Speed is de kleinste discipline in de klimsport, hierbij gaat het erom zo snel mogelijk een bepaald parcours af te leggen. Ook bij speedwedstrijd doet Zijlstra mee, en niet onverdienstelijk. Op een bepaalde internationaal vastgelegde route is zij in Nederland recordhoudster. Er is zelfs geen man in Nederland die de route sneller heeft afgelegd dan zij.

Vera’s prestaties op de voet volgen? Dat kan op www.verazijlstra.nl.

Interview

’Ik vind dat het college van bestuur hier heel knap opereert’

Een interview met Rien Meijerink de voorzitter van de Raad van Toezicht

Het was iets meer dan een jaar geleden. De Universiteitsraad was hard in aanvaring gekomen met het college van bestuur over de reorganisatie van de financiële dienstverlening en had de Raad van Toezicht gevraagd om in het geschil te bemiddelen. In haar uitspraak tikte de Raad van Toezicht het college van bestuur weliswaar stevig op de vingers over de gebrekkige communicatie, maar in de zaak zelf kreeg het universitaire bestuur gelijk. Voor het eerst sinds lang was de Raad even zichtbaar en meteen werd het beeld bevestigd dat CvB en RvT twee handen op één buik zijn.

Rien Meijerink zucht als hij met dit vooroordeel wordt geconfronteerd. Hij vindt de kritiek extra vervelend omdat de Raad van Toezicht zich onder zijn leiding juist steeds meer ontwikkelt tot een serieuze toezichthouder die er niet voor terugschrikt om het college waar nodig de duimschroeven aan te draaien. “Als de Raad over de begroting vergadert, zweet het college van bestuur tegenwoordig peentjes”, bevestigt een insider in het bestuurlijk circuit.

“De rol van de Raden is in de afgelopen jaren veranderd”, verklaart Meijerink, “omdat er vanuit Den Haag steeds meer bevoegdheden naar de universiteiten worden gedecentraliseerd. Dat is op zich een goede ontwikkeling, maar daardoor neemt wel de behoefte aan een tegenkracht toe. Die verzorgen wij en dat doen we uiterst serieus.”

Daar merken studenten en medewerkers op de werkvloer anders weinig van.

“Dat denken ze, maar ze merken het wel degelijk. Bijvoorbeeld aan het feit dat het college van bestuur het goed doet.”

Komt dat niet omdat het goede bestuurders zijn?

“Natuurlijk zijn ze dat, maar ze hebben er wel hulp bij nodig. Je hebt in de huidige universiteiten, maar ook in andere publieke sectoren zoals de zorg, tegenkrachten nodig die zorgen dat het bestuur niet naast zijn schoenen gaat lopen. De universitaire medezeggenschap vormt zo’n tegenkracht, maar tegenwoordig geldt dat zeker ook voor de Raad van Toezicht. Daar hecht ik erg aan”

De indruk bestaat juist dat de medezeggenschap aan de universiteit steeds minder begint voor te stellen.

“Dat gevoel deel ik niet. Het is waar dat de formele, ik zou bijna zeggen ouderwetse democratie in de universiteiten aan kracht heeft ingeboet. Maar dat is niet erg als daar een dialoog met betrokkenen voor in de plaats komt. Met een goede dialoog in een open sfeer ben je volgens mij beter af dan met het via de wet afgedwongen medebestuur van vroeger.”

Maar is die dialoog er in Utrecht wel? In een essay in het Ublad klaagde universiteitshoogleraar Herman Philipse onlangs over het gebrek aan medezeggenschap van de professionals.

“Dat heb ik gelezen, ja, en Philipse heeft een punt, daar moeten we eerlijk in zijn. De universiteit is van de professionals. Ik denk dat het in Utrecht nog meevalt, maar ik besef donders goed dat besturen vaak de neiging hebben om door te pakken, want de omgeving verandert snel en overleg is tijdrovend. Op zich begrijpelijk, maar daardoor schiet een gedegen raadpleging van alle echelons in de universiteit er wel eens bij in.

“Nu staat daar volgens mij tegenover dat het college wel intensief overlegt met de decanen. Dat vind ik een uitstekende zaak. Ik kende de UU uiteraard al redelijk goed uit mijn tijd als voorzitter van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU). Maar mij is toen nooit opgevallen hoe decentraal deze universiteit wordt geleid. Ik vind dat het college van bestuur hier heel knap opereert door aan de ene kant de teugels wat aan te trekken, maar aan de andere kant de faculteiten voldoende bewegingsruimte te gunnen.”

Een van de kritiekpunten in de organisatie is dat het nieuwe Strategisch Plan wel erg veel nadruk legt op wetenschappelijk ondernemerschap.

“Dat vind ik niet. Het zit er wel in, maar als je het stuk onbevangen van A tot Z leest, is dat niet de overheersende indruk die het achterlaat. Ik vind het juist een heel uitgebalanceerd plan, waarin Utrecht behoorlijk goed getypeerd is. Er wordt scherp aangegeven waar onze sterke en zwakke kanten liggen. Nee, ik heb wel bewondering voor dat plan, zeker ook omdat het geen uitgebreid kletsverhaal zoals vroeger is geworden. Het geeft vrij nauwkeurig aan wat voor acties we moeten ondernemen.”

Maar als wetenschapper kom je toch alleen nog maar aan de bak als je geld meebrengt? Baart dat de Raad geen zorgen?

“Daar hebben we het inderdaad over gehad, dat zien wij ook. Maar wat is het alternatief? Je kunt wel zeggen: wij trekken ons in Utrecht niets van landelijke ontwikkelingen aan, maar feit is dat de verhouding overheid-universiteit enorm snel verandert. Niet dat ik er blij mee ben, maar wij gaan in Nederland steeds meer de kant op van privaat gefinancierde universiteiten. Dan kun je zeggen: dat vind ik onaanvaardbaar want het universitaire werk moet door de belastingbetaler betaald worden. Op zich ben ik het daarmee eens, maar dat is niet een erg productief standpunt, want het gaat toch die kant op. Als dat zo is, is het enige juiste antwoord een fel pleidooi voor onafhankelijk onderwijs en onderzoek om de dreiging van te veel marktwerking te pareren. En eerlijk gezegd vind ik dat dát nou juist heel goed in het Plan verwoord staat.”

Heeft de Raad daar invloed op gehad?

“Ik vind het lastig om daar ja of nee op te zeggen, want dan krijgt dit ene onderwerp erg veel nadruk. Maar in zijn algemeenheid kun je wel stellen dat wij ervoor hebben gezorgd dat het Strategisch Plan aan inhoudelijkheid heeft gewonnen. Wij praten tegenwoordig met het college sowieso meer over de inhoud, over de kerntaken van de UU. In de eerste jaren ging het in Raden van Toezicht voornamelijk over het geld en over de bedrijfsvoering. Als de begroting op orde was, was men tevreden. Tegenwoordig staat ook de missie van de universiteit nadrukkelijk op onze agenda. Wat moet de UU uitstralen, waar staan we voor? Daarover hebben we indringende discussies en dat vind ik zeer wezenlijk.”

Toch is het beeld nog steeds dat de RvT vooral op de centen let.

“Ja oké, maar dat is dan ook een belangrijk onderdeel van onze taak als toezichthouder. En die taak nemen wij zeer serieus.”

Tikt u het college wel eens op de vingers?

“Wij helpen het college soms om orde op zaken te stellen. In de afgelopen vier jaar hebben we een paar keer aangegeven dat men naar onze mening wat al te laconiek met de financiële problemen omsprong. Een paar jaar geleden hebben wij, gesteund door de Universiteitsraad, geadviseerd om de huisvestingslasten sneller omlaag te brengen dan men van plan was. En vorig jaar vonden we dat men wat te gemakkelijk omging met de opdracht om de financiële ellende op te ruimen. Op een gegeven moment zei het college: nou, dat is dan klaar, want er lag een begroting die in evenwicht was. Maar toen we er wat beter naar keken, zagen wij op veel plaatsen nog rode cijfers. Ons advies was om de broekriem toch nog maar iets verder aan te trekken.”

En dat is ook gebeurd?

“Ja zeker. Als het college zo’n opmerking zou negeren, dan hebben we een probleem. Maar dat zie ik hier niet snel gebeuren, want de verhoudingen tussen CvB en RvT zijn prima.”

U klinkt erg tevreden over de UU. Waar vindt u de universiteit nog tekort schieten?

“Dan denk ik in de eerste plaats aan het alumnibeleid. Dat is belangrijk, want een goede band met je alumni maakt de universiteit zelfbewuster en levert vroeg of laat extra geld op. Op dat punt zijn andere universiteiten duidelijk verder omdat zij er veel energie in hebben gestoken. Iets anders is de vraag of wij wel voldoende creatief zijn bij het binnenhalen van topwetenschappers. Toen ik Hans Clevers onlangs op de voorpagina van de Volkskrant zag staan, dacht ik: hartstikke goed. Ik vraag me alleen af of ons dat niet wat vaker zou moeten lukken. Sommige andere universiteiten slagen er volgens mij beter in om toptalent aan te trekken met allerlei speciale arbeidsvoorwaarden. Ik weet dat dat bij ons ook wordt geprobeerd, maar dat kan nog wel wat scherper en creatiever. Wij staan als Raad voor de volle honderd procent achter de ambitie om van de UU een topresearchuniversiteit te maken. Maar dan zullen we bij het aantrekken van wetenschappers nog meer concurrerend moeten worden.”

Dus salarissen betalen boven de Balkenende-norm?

Meijerink zucht. “Oké, ik weet waar u heen wilt en ik wil er wel iets over zeggen. Persoonlijk vind ik de Balkenende-norm niet zaligmakend. Ik ben het er wél mee eens dat je geen mensen moet aanstellen die het onderste uit de kan willen hebben. Ik ben ook tegen bonussen in het publieke domein en die hebben we hier dus ook niet. Maar het salaris van de minister-president als absolute bovengrens vind ik onzinnig, want de taken zijn volstrekt onvergelijkbaar.”

Dus ook een collegevoorzitter mag van u meer verdienen dan Balkenende?

“Ik vind het salaris van Yvonne van Rooy meer dan passend. In een recent onderzoek is voorgesteld om universiteiten te onderscheiden op basis van hun ingewikkeldheid en voor de salariëring van bestuurders te kijken naar vergelijkbare functies buiten de universiteit. Dat is een norm die mij aanspreekt. Utrecht zit in de hoogste klasse van ingewikkeldheid en als je dat vertaalt in salarissen, komen er bedragen uit waar wij ruim onder zitten.”

Na Willem Hendrik Gispen heeft de Raad van Toezicht met Hans Stoof weer een rector uit de faculteit Geneeskunde benoemd. Dat heeft nogal wat mensen verbaasd.

“Ja, dat snap ik, maar wij vonden het een vondst. Wij beschouwen het als een groot voordeel dat het UMC in het college van bestuur is vertegenwoordigd. De universiteit en het ziekenhuis zijn twee werelden die je niet uit elkaar wilt laten drijven, en ik weet uit mijn Rotterdamse ervaring dat het heel belangrijk is als je een goede vent of vrouw hebt die die band ook in de personele sfeer vorm geeft. Dus toen Hans Stoof beschikbaar bleek, waren wij erg tevreden.”

Maar dan heeft u dus over twee jaar een probleem.

(Hij lacht). “Misschien, maar dat zien we dan wel weer.”

Een andere benoeming waarover sommigen verbaasd waren, was die van Ivo Opstelten in de Raad van Toezicht.

“Ik ben blij dat we Ivo hebben kunnen benoemen, want hij is een man met veel ervaring en een prachtig netwerk.”

Maar is het niet raar dat hij ook adviseur is van de TU Delft?

“Ik geef toe dat ik even aan de gedachte moest wennen. Maar we hebben afgesproken dat hij op het moment dat het ingewikkeld wordt, voor de UU kiest. Punt.”

Maar dat valt toch niet te controleren?

“Jawel hoor, want wat hij in Delft doet is het aantrekken van bepaalde vormen van bedrijvigheid. Als dat met Utrecht zou concurreren, dan moet hij dat daar niet doen. Zo hebben we dat afgesproken. We zullen er eerlijk en open over communiceren en als blijkt dat er toch conflicten komen, dan moet hij of in Delft of hier stoppen. We zullen het samen scherp in de gaten houden. Vergeet trouwens niet dat zijn advieswerk voor Delft ook voordelen heeft, want daardoor blijft hij midden in de wetenschappelijke ontwikkeling staan. Dat kan ons in Utrecht van pas komen.”

CV

Rien Meijerink (1943) studeerde economie. Van 1995 tot 2000 was hij voorzitter van de Vereniging van Universiteiten (VSNU). Van 2000 tot 2005 was hij voorzitter Raad van Bestuur van het Universitair Medisch Centrum in Rotterdam. Nu is hij voorzitter van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg. Dion di Mucci is zijn favoriete artiest. “Ik volg hem al vanaf zijn hit The wanderer uit 1962 en hij is nog steeds mijn idool. Ik ben een man van levenslange passies.”

' Deze moet je gezien hebben!'

EO Helpdesk – Helemaal de weg kwijt

Van wie: UGV, Geologie, Roeland Nieboer:

Wat:EO Helpdesk wordt gebeld door een trippende jongeman.

Waarom:“Wij kunnen hier heel hard om lachen, het filmpje is de hele vereniging afgegaan. Het contrast tussen EO’ers en die spacendebeller die het programma in een keer ownt is schitterend. Hij mag graag in de kroeg worden geciteerd.”

Woodie Bouma

Perikles, Bestuurskunde, Evert Schot

Wat: Prikkelend promotiefilmpje van een bekende skiër.

Waarom:“Iedereen die met ons op wintersport gaat, wordt hier helemaal mee dood gegooid. Het enthousiasmeert en ziet er heel mooi uit. Het liedje is inmiddels gebombardeerd tot lijflied van de wintersport trip.”

Mama Appelsap

Van wie:U.P.S.V. “Unitas Pharmaceuticorum”, Farmacie, Pauline Bollen

Wat: Bekende hits, fonetisch vertaald in het Nederlands, krijgen zo wel een heel andere boodschap.

Waarom: “Deze moet je gezien hebben! Als je eenmaal de alternatieve tekst in je hoofd hebt, dan kun je nooit meer de normale versie horen. Je blijft er aan denken!”

Route 168 Landslide in Japan

Van wie:Drift, Aardwetenschappen, Tiuri Konijnendijk

Wat:Bijzondere aardverschuiving in Japan waarbij de bomen keurig rechtop blijven staan.

Waarom:“Je wordt er tijdens colleges meerdere malen mee doodgegooid, maar we hebben het filmpje ook talloze keren in onze vrije tijd gezien. Als je wil weten hoe het kan: het vlak waarlangs de boel naar beneden sodemietert is dieper dan de wortels van de bomen. Vandaar dat ze zo lang rechtop blijven staan.”

Why must I cry accapella

Van wie: ECU ’92, Economie, Rens Dautzenberg

Wat: Huis, tuin & keuken R&B zanger.

Waarom:“Het is een schandalig slechte clip van een man die zichzelf veel te serieus neemt en zichzelf ook nog eens in misplaatste omgevingen zet om een ‘mooie’ video te kunnen schieten. Het geeft enigszins een plaatsvervangend schaamtegevoel, maar we komen vooral niet meer bij!”

Der Untergang Bedrijfsuitje

Van wie: JSVU, Recht, Christine Smit

Wat: Hitler is het niet eens met de keuze van het recreatieve bedrijfsuitje.

Waarom: “We hebben hem meer dan 30 keer gezien! De voice overs zitten heel goed in elkaar, maar het is vooral zó droog. Zeker wanneer Hitler als een verongelijkt kind zegt: ‘Ik wil bowlen. Ik wil godverdomme bowlen’!”

Interview

Marilyn Agliotti

Dit is iets wat ik heb gemist. Ik geniet ervan om nu ook eens met mijn hoofd bezig te zijn en Wijsbegeerte is een studie die bij me past. Ik zit altijd met grote levensvragen in mijn hoofd. Wat is het nut van het leven? Bestaat er een ziel? Dat soort dingen.

Mijn kamergenote bij grote hockeykampioenschappen Carlijn Welten die in Utrecht Geneeskunde doet, werd soms helemaal gek van mijn vage gedoe. ‘Jij moet echt gaan studeren’, riep ze dan. Ook in de praatsessies die we met de Nederlandse ploeg hadden om het teamverband te versterken, werd mijn rol vaak aangeduid als ‘denker’ of ‘analyticus’. Ik ben zo’n beetje de stille kracht die in de nabespreking zinnige dingen zegt. Hoewel veel meiden volgens mij nog steeds denken dat ik psychologie doe in plaats van filosofie, snappen ze dus wel dat dit iets voor mij is.

Nadat ik in 2000 met Zuid-Afrika had meegedaan aan de Olympische Spelen in Sydney, speelde ik al even met het idee om te studeren. Maar het hockey was te belangrijk. Bovendien wilde ik terug naar Nederland waar ik een jaar voor Rotterdam had gespeeld. Later, toen ik bij Oranje-Zwart in Eindhoven hockeyde, ben ik als IT-specialist gaan werken voor een softwarebedrijf. De voertaal was daar Engels, de taal die ik van huis uit spreek.

Nadat ik Nederlandse was geworden, werd ik in 2008 geselecteerd voor de Olympische ploeg. Wie mee wilde naar Beijing moest zijn baan opzeggen en zich fulltime op het hockey richten. Op dat moment ben ik opnieuw gaan nadenken over wat ik met mijn leven wilde en kwam het studeren toch weer om de hoek kijken.

Uiteindelijk heb ik vooral op basis van de websites en internet besloten dat ik of voor Amsterdam of voor Utrecht zou kiezen. Dat zijn volgens mij toch de twee beste universiteiten als het om filosofie gaat. Tegelijkertijd was ik na de degradatie vorig jaar van Oranje Zwart op zoek naar een nieuwe club. Het werd studeren in Utrecht en hockeyen bij SCHC in Bilthoven.

De studie bevalt buitengewoon goed, maar ik verbaas me wel over het totale gebrek aan sportcultuur aan de universiteit. Ik had toch een beetje dat beeld van Amerikaanse universiteiten, maar ik kom hier buiten de hockeymeiden die ik al ken, geen enkele andere topsporter tegen. Ik vind dat vreemd, omdat ik steeds hoor dat Nederland meer Olympische medailles wil halen, maar ook omdat ik gewend ben dat scholen en universiteiten trots zijn op hun sporters

Op scholen in Zuid-Afrika is het ook heel normaal om elke dag na de lessen naar buiten te gaan. Of het nu atletiek, tennis, hockey of cricket was; ik kan mij niet anders herinneren dan dat ik aan het sporten was. Dat zijn de fijne herinneringen. Ik ben ook nog cricketinternational van mijn land geweest.

Toch woon ik veel liever in Nederland. In Johannesburg, en later in Kaapstad, stond mijn leven vooral in het teken van angst. Je moest altijd rekening houden met berovingen of inbraken. ’s Nachts alles afsluiten, zorgen dat je niet je auto uithoefde om de garage in te rijden, heel naar allemaal. Ons gezin heeft nog geluk gehad, maar er zijn veel familieleden of kennissen bij wie het is misgegaan.

Toen ik voor het eerst in Nederland kwam, ging er een wereld voor me open. Dat er ook een maatschappij mogelijk was waarin mensen elkaar vertrouwen, waar dingen voor je geregeld worden, waar het niet ieder voor zich is … Alleen al het feit dat ik met het openbaar vervoer veilig van mijn woonplaats Eindhoven, naar de universiteit en naar mijn hockeyclub reis, is voor Zuid-Afrikanen ondenkbaar.

Mijn ouders, broer en zus, wonen nog in Kaapstad. Ik bezoek ze elke twee of drie jaar. Zij komen ook af en toe hierheen, al is dat op dit moment erg duur. Natuurlijk maak ik me zorgen om hen, maar je kunt niet dagelijks stilstaan bij de risico’s die ze lopen. Wel is er altijd een sluimerend schuldgevoel. Ik heb nu een gemakkelijk en comfortabel leven, maar had ik niet moeten blijven om Zuid-Afrika na de apartheid weer op te bouwen? En: waarom heb ik wel de kans heb gekregen om te vertrekken? Tegelijkertijd ben ik ervan overtuigd dat iedereen zijn eigen geluk maakt. Ik doe zoveel mogelijk om mijn naasten te helpen, maar ieder moet zijn eigen keuzes maken.

Het zal nog wel even duren voordat Zuid-Afrika de stap van een derde wereldland naar een eerste wereldland kan maken. Langzaam gaat het de goede kant op. Het is jammer dat eerdere generaties zoveel kansen hebben laten liggen. Er is nog zoveel haat. En dat is zo onnodig.

Toen ik tijdens de laatste Olympische Spelen met Nederland tegen Zuid-Afrika speelde, heb ik alle emoties uitgesloten. Ik wilde met Nederland presteren. Ik zong het Wilhelmus en juichte toen ik scoorde. In het seizoen voor de Spelen had ik mijn knieband gescheurd. Dat was een dieptepunt in mijn leven. Om op tijd fit te zijn, zat ik dagelijks in het krachthonk.

De gouden medaille voelde als een bekroning, niet alleen voor dat harde werken in de maanden voor Beijing, maar voor alle offers die ik sinds mijn vijfde voor de sport heb gebracht. Topsport is heus niet alleen maar leuk en glitter and glamour. Je kunt echt minder van het leven genieten.

Nu heb ik op sportief vlak niet veel meer te wensen. De volgende Olympische Spelen zijn ook nog erg ver weg. Zelf wil ik nog twee tot drie jaar op topniveau spelen, vooral omdat ik nog steeds denk dat ik beter kan worden. In 2007 werd ik genomineerd voor de titel beste speelster van de wereld. Ik weet dat ik mijn niveau van destijds kan overtreffen. Daar ga ik nu voor.

Maar mijn studie en mijn maatschappelijke ambities worden belangrijker. Ik wil graag schrijven. In het blad van de studievereniging De Filosoof heb ik onlangs een kort stukje geschreven naar aanleiding van een stelling over de dood van het feminisme, maar andere onderwerpen en genres trekken me ook. In Beijing heb ik dagboekaantekeningen bijgehouden. Misschien dat ik ga proberen die uit te geven. Of dat explosief materiaal over teamgenoten bevat? Wie weet, dat zal moeten blijken.

CV

Marilyn ‘Aggs’ Agliotti (29) werd geboren in Boksburg in Zuid-Afrika. Met dat land nam de hockeyster deel aan de Olympische Spelen van Sydney. In 2006 werd ze Nederlandse om twee jaar later met Oranje goud te winnen in Beijing. Agliotti studeert Wijsbegeerte in Utrecht.

Zomaar doorstromen is niet kiezen

Xander Bronkhorst

De Utrechtse filosoof Menno Lievers wond er in zijn opiniebijdrage aan het Ublad onlangs geen doekjes om. De master in Nederland is volgens hem een zielig ding. Lievers zou graag alleen die studenten terug willen zien in de masterfase die zich werkelijk willen verdiepen in een wetenschappelijke discipline, zoals dat in Angelsaksische landen de gewoonte is. Maar in Nederland mag iedereen verder in een doorstroommaster. Waarom? Omdat de bachelor al helemaal niet serieus wordt genomen.

Aan studenten zal deze discussie waarschijnlijk geheel voorbij gaan. Uit de laatste universitaire enquête onder Utrechtse masterstudenten twee jaar geleden, bleek in elk geval dat de studenten niet veel te klagen hebben. De meesten oordelen positief over werkvormen, inhoud en docenten. Vooral studenten van onderzoeksmasters zijn tevreden. Zij gaven hun opleiding een 7,7. Academische masters scoren gemiddeld een 7,1.

De personen die het Ublad voor dit artikel sprak, laten het wel uit hun hoofd om de Utrechtse masteropleidingen te diskwalificeren. Maar ook zij vinden dat enkele uitgangspunten van de Bologna-verklaring nog niet uit de verf komen.

Vice-decaan Theo Wubbels van de faculteit Sociale Wetenschappen zegt bijvoorbeeld: “Als je wilt dat een bachelor een einddiploma is – en dat is in Bologna destijds afgesproken - dan moet je ook met droge ogen kunnen zeggen dat iemand niet verder kan in een master. Dat zou ook best kunnen, want iemand met een universitair bachelordiploma is prima geschikt voor de arbeidsmarkt. Een wo-bachelor heeft minimaal hetzelfde niveau als iemand met een hbo-bachelor, en veelal hoger. Alleen … de werkgevers geloven dat niet.”

Wubbels beseft dat hij met zijn pleidooi voor het afschaffen van de doorstroommaster ook voor de eigen universitaire troepen uitloopt. “Want zelf vinden we een bachelor ook niet volwaardig. Ik las laatst de eerste zin van een opleidingsprospectus van een Utrechts masterprogramma. Daarin stond letterlijk dat een universitaire opleiding pas is afgerond met een master. De traditie waarin alleen een doctoraaldiploma als volwaardig werd gezien, ettert door. Ik denk dat we nog wel tien tot vijftien jaar nodig hebben om dat te veranderen.”

Dat het Nederlandse hoger onderwijs nog niet klaar is voor blokkades bij de toelating tot een master, blijkt ook uit de opstelling van minister Plasterk. Deze is, ondermeer vanwege het geringe enthousiasme bij VNO en MKB over de universitaire bachelor, niet van plan de verplichte doorstroommaster af te schaffen.

Hij keerde zich daarmee tegen een advies van een onderzoeksteam van het Twentse onderwijskundig instituut Cheps dat vorig jaar in zijn opdracht het masteraanbod onder de loep nam. De onderzoekers waren eveneens tot de conclusie gekomen dat de bachelor door niemand als eindstadium werd gezien.

Het faculteitsbestuur van de Utrechtse Geesteswetenschappen vindt de opstelling van Plasterk verstandig. Decaan Van den Akker legt uit: “De master is een andere, nieuwe manier van kennis verwerven. Met het verstrekken van een bachelor zeggen we dat een student daarvoor geschikt is. Dan moet die student ook in de gelegenheid worden gesteld om kennis op dat niveau te vergaren.”

Toch menen ook Van den Akker en zijn vice-decaan Coopmans dat er iets moet gebeuren om het verschil tussen een bachelor- en een masteropleiding te accentueren en een bewuste studiekeuze na de bachelor mogelijk te maken. Coopmans: “Studenten en docenten zien de master nog steeds als het vroegere vierde jaar van het doctoraalprogramma.” Van den Akker: “De filosofie is dat het twee aparte opleidingen zijn waarbij de bachelor vraaggestuurd is en veel keuzemogelijkheden heeft en een master vooral expertisegestuurd is. Het kan niet zo zijn dat de docent zegt: ‘waar waren we vorig jaar gebleven’.”

Coopmans en Van den Akker juichen het dan ook toe dat Plasterk een ander Cheps-advies wel heeft opgevolgd: het invoeren van de harde knip. Van den Akker: “In Utrecht was die al vrij hard, maar ik ken universiteiten die studenten gijzelen door ze aan een master te laten beginnen zonder dat ze de bachelor afgerond hebben. Coopmans: “Als je master maar een jaar duurt, heb je een vliegende start nodig. Dan mag je niet nog vakken hebben openstaan uit de bachelor.”

De twee bestuurders van Geesteswetenschappen denken overigens dat er ook bij de docenten nog wel een mindshift nodig is. Zij tonen begrip voor het Utrechtse college van bestuur dat onlangs de faculteiten meldde dat de toelatingseisen van veel masteropleidingen te veel geënt zijn op de bachelor die eraan vooraf gaat en dat er meer aandacht moet zijn voor de vaardigheden en competenties van belangstellende studenten. De twee zinspelen nu op toelatingsgesprekken voor alle masterprogramma’s van Geesteswetenschappen. Coopmans: “Toen ik op het MIT aan mijn proefschrift werkte, zag ik dat ze daar MA- en PhD-studenten met zeer verschillende vooropleidingen accepteren.” Van den Akker: “Ga studenten vooral niet zeggen dat ze te weinig gelezen hebben. De wereld is veranderd.”

Waar de alfa- en gammafaculteiten zich druk maken over de bachelor als einddiploma, doorstroommasters en de harde knip, lijkt deze discussie de exacte vakken met hun tweejarige onderzoeksmasters en kleinere studentenaantallen minder te raken.

Hoogleraar Gerrit van Meer, voorzitter van de Board of Studies van de Graduate School Life Sciences die twaalf masterprogramma’s herbergt: “Ik zie niet in wat iemand met alleen een bachelor zou moeten doen op de arbeidsmarkt. Misschien een eigen bedrijfje opstarten of zo … Voor een baan in het onderzoek is drie jaar in elk geval veel te weinig..”

En over de harde knip: “Als studenten nog iets moeten doen om hun bachelor af te ronden, dan zijn docenten meestal wel geneigd om daar flexibel mee om te springen. We kunnen maatwerk leveren, ook omdat al onze masters twee instroommomenten hebben.”

Behalve de doorstroommasters en de zachte knip ontwaarden de onderzoekers van Cheps nog een derde obstakel voor mobiliteit. Bij de overgang naar het bamastelsel hebben veel opleidingen hun oude doctoraalprogramma’s inclusief de afstudeerrichtingen en specialisaties zo’n beetje 1 op 1 omgezet in masterprogramma’s. Studenten zien nu door de bomen het bos niet meer in het masteraanbod.

Minister Plasterk concludeerde naar aanleiding van het rapport dat het masteraanbod “nog niet voldoende is uitgekristalliseerd”. Volgens de minister is er sprake van een onevenwichtig patroon van grote doorstroommasters en een breed palet aan veel kleinere onderzoeksmasters, educatieve masters en al dan niet selectieve academische of professionele masters.

De commissie Cohen die vorig jaar de Geesteswetenschappen tegen het licht hield, sprak van “een versnipperd onderwijsaanbod” dat leidt tot “inefficiëntie, verkokering en onbehaaglijke overvloed”.

In het nieuwe Strategisch Plan van de universiteit is een reductie van het masteraanbod van twintig procent binnen vier jaar ten doel gesteld. Wanneer Utrecht de slag om de masterstudent wil winnen dan wordt marketing en profilering belangrijker, zo wordt gesteld. De nieuw opgezette Graduate Schools moeten ertoe bijdragen dat onderzoeksmasters beter aanhaken bij de onderzoekzwaartepunten. Academische masters zullen zich meer gaan richten op de arbeidsmarkt.

Volgens Gerrit van Meer liepen de life science-faculteiten voorop in de inrichting van de Graduate Schools. Daarmee is volgens hem voorkomen dat de masterprogramma’s in de life sciences te bestempelen zijn als ‘oude wijn in nieuwe zakken’. “Toen ik voorzitter werd van de Graduate School heb ik een studiereis gemaakt naar de universiteiten in Californië. Daar zie je dat het graduateprogramma gebaseerd is op een gedeelde interesse van een aantal hoogleraren. Dat principe hebben we hier ook hoog in het vaandel staan. En dan blijkt –natuurlijk niet toevallig- dat de twaalf masterprogramma’s en in het verlengde daarvan onze PhD-programma’s precies passen op de zeven focusgebieden die we hier hebben. De structuur was er al, alleen we zagen hem niet.”

Vice-decaan Coopmans van Geesteswetenschappen wil af van de idee-fixe dat alleen masterprogramma’s van zijn faculteit lijden onder een gebrekkig instroom. “Als je de lijst universitaire programma’s erbij pakt dan zie je dat er wel meer zijn met zeer geringe belangstelling. En daarbij gaat het bovendien soms ook nog eens om tweejarige studies.”

Maar Coopmans erkent dat sommige van de programma’s bij Geesteswetenschappen “te nauw” blijken te zijn. “Dat elke hoogleraar zijn eigen master heeft gekregen is absoluut een karikatuur. Maar we hebben destijds bij de overgang naar bama wel besloten om veel van onze specialisaties in de etalage te zetten. Omdat het vrijwel allemaal eenjarige opleidingen moesten zijn, dachten we dat we op die manier onze rijkdom het beste lieten zien. Daarom hebben we nu zo’n 50 tot 60 programma’s. In sommige gevallen blijkt nu dat een programma te kwetsbaar is.

Of omdat er te weinig studenten zijn of omdat er bijvoorbeeld maar een hoogleraar is die expertise kan inbrengen. Tegelijkertijd hebben we te veel ruimte gelaten aan masteropleidingen om op elkaar te lijken. Ik denk zelf dat er binnen de academic school Geschiedenis enkele masters zijn die beter samen verder kunnen gaan.”

Het faculteitsbestuur van Geesteswetenschappen onderzoekt dit voorjaar welke masterprogramma’s “op inhoudelijke gronden” moeten worden afgebouwd, samengesmolten of omgevormd om het Utrechtse aanbod “smoel” te geven. “Dat zal op een heel gedifferentieerde manier gebeuren”, stelt Coopmans, “want het beeld is ook zeer gedifferentieerd.” De gevolgen zullen in sommige gevallen al aankomende september merkbaar zijn, zo komt de master Filosofie in Bedrijf tot een eind.

Theo Wubbels van Sociale Wetenschappen ondernam al eerder actie, mede op basis van een intern onderzoek van een commissie herstructurering masteraanbod. “Die stelde dat er verschillende delen van de faculteit met een soortgelijke expertise niet samen in een master zaten, en dat er te veel naar de specifieke oude disciplines was gekeken. Veel masters waren gekoppeld aan het idee ‘er is hier een hoogleraar met knowhow, dus er komt een masterprogramma’. Op grond van die analyse hebben we actie ondernomen, bijvoorbeeld op het gebied van de psychologie waar programma’s zijn samengebracht.”

Wubbels geeft toe dat getalsmatige overwegingen een rol spelen bij de evaluatie van het masteraanbod. “Een masterprogramma van acht studenten is misschien in sommige letterendisciplines acceptabel, bij mij niet. Het moeten er in een academische master minstens dertig zijn.”

Hoewel ook Van Meer af en toe te maken heeft met tegenvallende belangstelling voor enkele van zijn tweejarige onderzoeksmasters, is hij in algemene zin tevreden over het aantal studenten. In de alfa-gammahoek leeft de hoop dat onder de vlag van de Graduate School iets gedaan kan worden aan de instroom bij de researchprogramma’s daar. Zo speelt er een imagoprobleem. Van den Akker: “Studenten denken in de fuik van de wetenschap te lopen als ze een onderzoeksmaster gaan doen. Dat is onzin. Misschien dragen wij als docenten zelf bij aan de misvatting dat zo’n master alleen voor bollenbozen is door juist dat beeld in stand te houden. Op dezelfde manier menen studenten dat een educatieve master hen tot een loopbaan in het onderwijs veroordeelt. De universiteit zou daar betere voorlichting over moeten geven.”

Wubbels bij Sociale Wetenschappen herkent het beeld. “Van de 1500 studenten die wij jaarlijks binnenkrijgen, komen er niet veel om de discipline in stand te houden. Wat ons vooral opbreekt, is dat we gekozen hebben voor een smal gespecialiseerd stuk onderzoek per master. Met als gevolg dat er in twee van die programma´s minder dan tien studenten zitten. In andere steden is er een brede master met tracks, dat geeft meer flexibiliteit. We hopen dat we ook die kant op kunnen.”

Een zorgpunt is de tegenvallende internationale belangstelling. Vooral voor de onderzoeksmasters, de Utrechtse paradepaardjes, is dat pijnlijk. Wubbels: “De aantallen waar we na marktonderzoek op gehoopt hadden, halen we bij lange na niet. Van de twintig studenten die zich aanmelden voldoen er minstens tien niet aan de eisen en van de overige tien komen er vier opdagen. De rest kiest liever voor de Verenigde Staten. Nederland blijkt eenvoudigweg niet het meest aantrekkelijke land te zijn.”

Van den Akker: “Gezien onze onderzoeksreputatie zouden we meer studenten moeten hebben. De markt is er ook. Voor Medieval Studies zouden we met gemak vijftig uiterst talentvolle studenten uit Oost-Europa kunnen halen. Maar Nederland is een hopeloos land op dit vlak. Er zijn allerlei obstakels voor buitenlandse studenten. Bovenal is het aantal beurzen te klein en van te geringe omvang. Het gebrek aan kennis over hoe het er internationaal aan toe gaat, is ook een hinderpaal. We praten maar over de hoge collegegelden in de VS, terwijl bijna geen graduatestudent die daadwerkelijk betaalt, behalve voor de Medical-, de Law- of de Business-school.”

Ook Van Meer, die internationalisering als één van de speerpunten in het masteronderwijs voor de komende jaren aanmerkt, wijst op het verschil tussen de Nederlandse en de Amerikaanse praktijk. “Graduatestudenten in de VS worden gepamperd.”

Van Meer hekelt bovendien het Utrechtse besluit om het predicaat ‘prestige master’ voor masteropleidingen die gekoppeld zijn aan één van de Utrechtse onderzoekszwaartepunten terug te trekken. “Doodzonde en pijnlijk. Zo’n stempel bracht iets extra’s.”

Over het argument van het universiteitsbestuur dat de gelden die gepaard gingen aan het label niet de gehoopte internationaliseringsimpuls brachten, zegt hij. “Dat geld is goed besteed, maar daar mag je geen wonderen van verwachten. Internationalisering is iets van de lange adem. Je hebt structurele steun nodig, geen hap-snap impulsen.”

Wat betreft het ‘verkopen’ van de academische masters wordt door het college van bestuur gemikt op een nauwere band met de arbeidsmarkt. Menno Lievers stelt die ontwikkeling in zijn opiniebijdrage aan het Ublad zo’n beetje gelijk aan het verkopen van de ziel aan de duivel. Universiteiten zouden daartoe gedwongen zijn door het falende bama-stelsel.

De faculteiten zijn echter pragmatischer en merken de behoefte bij studenten en het afnemende veld. Gezien de concurrentie met andere steden kunnen zij niet anders dan naar de wensen van de arbeidsmarkt kijken. Bovendien zet het universiteitsbestuur de deur open voor experimenten met langere programma’s om stages en praktijkoriëntatie in te kunnen bouwen.

“De roep om tweejarige programma’s is een achterhoedegevecht”, beseft Theo Wubbels. “Maar vooral voor de klinisch psychologen en orthopedagogen zouden programma’s van anderhalf jaar een uitkomst zijn. Werkgevers zeggen dat langere stages nodig zijn en daar hebben ze gelijk in.” Van den Akker: “Een serieuze stage in een jaar kan bijna niet. En als wij studenten duidelijk willen maken wat ze straks kunnen op de arbeidsmarkt dan is zo’n stage wel nodig.”

Wubbels is ervan overtuigd dat de academische masters zich in toenemende mate zullen gaan richten op de vraag uit de markt, ook gezien de grote rol die de universiteit krijgt toebedeeld in de gedachte van ‘levenslang leren’. Daarom werkt hij nu mee aan een universitaire master voor docenten uit het voortgezet onderwijs. Ook is er een masterprogramma maatschappelijke opvoedingsvraagstukken naast orthopedagogiek geplaatst, vanwege de behoefte aan mensen voor beleidsmatige functies in de jeugdzorg.

“Tot nu toe leerden wij onze studenten het kunstje dat we zelf kennen. Maar we moeten ook gaan kijken naar wat de mensen in het circus willen zien.”

Afgestudeerde bachelor honkvast

De Vereniging van Nederlandse Universiteiten, de VSNU kan, ondanks herhaald aandringen, alleen de totaalcijfers van de jaren 2006 en 2007 mailen. Die van 2008 willen ze nog niet vrijgeven, meldt een woordvoerder. Daar ‘moeten nog berekeningen op los worden gelaten’. Ook bij de meeste universiteiten is het moeilijk cijfers te krijgen. Alleen de Universiteit Maastricht kon met een druk op de knop een volledig uitgewerkt overzicht per master leveren, de Vrije Universiteit kwam, voorzien van wat mitsen en maren, met totaalcijfers van de laatste twee studiejaren en de Erasmus Universiteit beperkte zich – na veel gezoek - tot totaalcijfers over 2007. In Utrecht bestaat het mastercohort van 2007 – 2008 voor PERCENTAGE KOMT DINSDAG Procent uit studenten van elders. Een ding staat vast: de meeste afgestudeerde Nederlandse bachelors stromen door naar een master aan de eigen universiteit. De nieuwe gezichten komen vooral uit het hbo (iets meer dan 21 procent in 2006 en in 2007) en uit het buitenland (rond de 11 procent ’06 en ’07). De Universiteit Maastricht trekt relatief veel masterstudenten van buiten: 37 procent in 2007 (landelijk toen 33 procent) en 42 procent in 2008 (nog geen landelijke cijfers bekend). Een stuk meer dan met bijvoorbeeld de Vrije Universiteit van Amsterdam die de afgelopen twee jaar rond de 20 procent studenten met een diploma van elders trok.

Riki Janssen, Observant

Laatste nieuws uit Utrecht!

In Utrecht volgden in het jaar 2007-2008 3169 studenten een master van wie 83 procent doorstroomden van een Utrechtse bachelor, 8 procent kwam van een andere Nederlandse universiteit, 3 procent van het HBO en 6 procent uit het buitenland.

Masterkeuze 1

Waarom deed je mee?

“Zo aan het eind van je bachelor heb je natuurlijk wel een beetje een idee wat je leuk vindt. Ik heb belangstelling voor landschappen en de wisselwerking tussen stad en platteland en natuur en dan komen er wat masters naar boven: planologie in Utrecht, landschapsgeschiedenis in Groningen, maar misschien ook erfgoedstudies in Amsterdam. Maar hoe weet ik nu zeker dat ik iets kies wat bij me past? Daar wilde ik graag tips voor.”

Wat heb je eraan gehad?

“Ik besef dankzij de workshop dat ik ook goed moet nadenken over het beroepsperspectief dat een master biedt. Dat was voor mij wel een eye-opener: ik keek toch vooral naar wat me leuk leek en naar wat aansloot op mijn bachelor, maar ik moet ook aandacht hebben voor mijn capaciteiten en mijn ambities. Daar raakte ik van doordrongen na een oefening waarbij iedere deelnemer een vijftal eigenschappen van zichzelf selecteert, waarna de anderen daar een beroep bij moeten bedenken. Al snel bleek dat ik iets leidinggevends of managementachtigs zou moeten doen. Eigenlijk wist ik dat wel van mezelf, maar nu is dat gevoel bevestigd en weet ik ook dat ik dat moet laten meewegen als ik een keuze maak.”

En wat is het geworden?

“Ik heb nog niet gekozen. Het is niet zo – en ook ik had die hoop toen ik eraan begon - dat je na deze workshop opeens precies weet welke master je waar gaat volgen. Ik twijfel nog net zo hard, maar ik heb een duwtje in de goede richting gekregen. Ik denk nu bijvoorbeeld ook aan bestuurskunde en ik ga een cursus volgen waarbij je kijkt of je geschikt bent als docent: een hele andere manier van leidinggeven. Ik heb bovendien besloten dat ik er eerste een jaartje tussenuit ga; ik heb het even gehad met het studeren. Maar ik wil ook de tijd nemen om eens goed uit te vinden welke master mij de beste nieuwe uitdaging geeft.”

Je pakt het serieus aan …

“Ja, soms ben ik wel jaloers op mensen die na de bachelor gemakkelijk doorrollen naar de master die daarop volgt. Aan de andere kant: dit past bij mij. Ik ben perfectionistisch en wil controle hebben.”

Minister Plasterk over de wens van een harde knip

‘Het is niet mijn bedoeling dat mensen stoppen met studeren’

Met enige bewondering spreekt minister Ronald Plasterk van OCW over de ONDERWIJSREVOLUTIE die zijn Europese voorgangers tien jaar geleden in gang zetten: de invoering van het bachelor-masterstelsel. “Vergeet niet dat vroeger alleen de doctorstitel internationaal vergelijkbaar was. Zelfs de doctorandus en de ‘ing’ bestonden alleen in Nederland. Ieder land verzon zelf namen voor zijn diploma’s.”

Toegegeven, er is nog steeds geen garantie dat een bacheloropleiding Natuurkunde in Boedapest naadloos aansluit op een masteropleiding in Helsinki. Maar met een diplomasupplement, waarin staat beschreven wat de opleiding waard is, kom je volgens Plasterk al een heel eind. Het gaat hem om de grote lijn.

“In principe kun je nu naar Rome om een masteropleiding te volgen”, spiegelt hij voor. “In heel Europa is gekeken of de instellingen niet alleen maar een nieuw bordje op de deur hebben geplakt, maar of ze werkelijk bachelor- en masteropleidingen aanbieden. Je kunt in één minuut uitleggen wat de bedoeling is, maar het was ongelofelijk veel werk om op bezoek te gaan bij al die instellingen en te zeggen: ‘Dat beweert u nu wel, maar mogen wij uw leerboeken eens zien?’”

Europese afspraken

En nu moet Europa stapje voor stapje voorwaarts. Binnenkort spreekt hij zijn collega’s op een internationale conferentie in Leuven en dan hoopt hij samen weer iets verder te komen. “Nederlandse studenten kunnen hun studiefinanciering tegenwoordig meenemen naar het buitenland. We lopen daarmee al een tijdje voorop. Ik zou het op prijs stellen als andere landen dat ook mogelijk gaan maken. Kijk, zoiets zou je Europees kunnen afspreken.”

Verder verwacht hij weinig van Europese afspraken. Hij ziet niets in internationale streefcijfers. “Je moet geen dingen aan de horizon definiëren. Ik ben al helemaal allergisch voor input-targets. We moeten niet met andere landen gaan vastleggen hoeveel procent van ons bruto binnenlands product wij aan dit-of-dat gaan besteden. Daar gaat het nationale parlement over. En politiek verantwoordelijk is de bewindspersoon. We kunnen ons daarin NOOIT door het buitenland laten binden.”

Bovendien: “Als de targets lager zijn dan onze bestedingen, hebben we er niets aan. En als ze hoger zijn, ook niet. In het verleden werkten zulke doelstellingen hooguit als hefboom. Ministers konden elkaar gebruiken als argument in debatten met collega-bestuurders in eigen land.”

Hij herinnert aan de LISSABON-CONFERENTIE, waar de Europese landen beloofden dat ze veel geld in de kenniseconomie zouden pompen. “We hebben daar afgesproken dat de industrie twee procent van het BBP aan research gaat besteden. Dat gebeurt niet. En nu? Jozias van Aartsen heeft die afspraak destijds gemaakt als minister van Buitenlandse Zaken. Moeten we hem nu ontslaan? Of iemand anders? Zoiets geldt ook voor de overheidsuitgaven.”

Kortom, Plasterk wil zich nergens op vastpinnen. Zolang de Europese trein maar de goede kant oprijdt. Het bama-stelsel is wat hem betreft vooral ingevoerd om de mobiliteit van studenten te vergroten en daar wil hij graag aan meewerken. Maar verwacht geen beloftes. Tegenwoordig stapt één op de negen Nederlandse studenten over van de ene naar de andere universiteit; dat mogen er best iets meer worden, maar vraag niet of dat aantal misschien moet verdubbelen of verdrievoudigen. “Zolang studenten maar een bewuste keuze maken”, antwoordt hij stoïcijns.

Hetzelfde geldt voor studeren in het buitenland. “Ik raad het iedereen aan. Een jaar of een half jaar in het buitenland is een verrijking van je leven.” Maar hoopt hij dan ook dat iedereen zijn raad zal opvolgen? “Studenten zijn volwassen mensen en als ze om wat voor reden ook besluiten dat ze niet naar het buitenland willen of kunnen, dan ga ik hier in mijn werkkamer niet zitten hopen. Wel wil ik er van mijn kant alles aan bijdragen om het mogelijk te maken.”

De HARDE KNIP tussen bachelor- en master moet er volgens hem komen, omdat studenten dan beter gaan nadenken over hun vervolgopleiding. “Met een bachelordiploma op zak kun je nu eenmaal beter om je heen kijken. De realiteit is nu dat veel jongeren van zeventien jaar zich bij de bachelorkeuze door allerlei TRIVIALE overwegingen laten leiden: de stad, de woonruimte, de afstand tot het ouderlijk huis. Als ze er drie jaar later om inhoudelijke redenen voor kiezen om in dezelfde plaats verder te studeren, dan is dat natuurlijk prima. Maar als ze dat alleen doen omdat ze daar al met hun doorstroommaster kunnen beginnen voordat ze hun laatste bachelorpunten binnen hebben, vind ik dat minder geslaagd.”

Studenten zouden ook kunnen besluiten om te stoppen met hun opleiding en bijvoorbeeld een eigen bedrijf te starten. “Maar het is dus niet, wat eerder wel eens het beeld was, mijn bedoeling dat mensen ophouden met studeren. HELEMAAL NIET.”

Hardheidsclausule

Nu zijn er al flink wat opleidingen met een harde knip. Is de mobiliteit daar groter? Dat is de verkeerde vraag, meent Plasterk. “De harde knip is een systeemeigenschap. Je moet bereiken dat er een heroverwegingsmoment komt en dat moet geleidelijk zijn beslag krijgen in de hoofden van mensen. Ik ben het met de studentenbonden eens dat je niet kunt zeggen: aan deze universiteit is de harde knip ingevoerd en een jaar later was er meer mobiliteit.”

Hij wil ook best nadenken over voorwaarden en UITZONDERINGEN op de harde knip. “Het zou kunnen dat iemand zijn studie perfect gepland heeft en op het kritieke moment zijn been breekt, waardoor hij één tentamen mist. Als dat het enige bezwaar is, dan lijkt me dat inderdaad een geval voor de hardheidsclausule.”

Zolang het maar geen gewoonte wordt. “Het is lastig om individuele ‘hardheid’ in regels vast te leggen. Stel dat iemand een kind heeft, dan hoeft dat niet per se tot problemen te leiden, want er zijn mensen die goed kunnen studeren met een kind. Maar een zwangerschap zou de studie wel zodanig kunnen doorkruisen dat je zegt: ‘nu moeten we de regels maar even tussen haken zetten’.”

DE HARDSTE KNIP in het bachelor-mastersysteem zit vooralsnog tussen hbo en universiteit, zou je kunnen zeggen. En hbo’ers laten zich bepaald niet afschrikken. Mogelijk de helft van alle universitaire masterstudenten bestaat straks uit hbo’ers die een academische kroon op hun studie willen zetten. Ook als ze daar eerst een intensieve schakelcursus voor moeten volgen. Veel hogescholen vinden dat eigenlijk verspilling: zou je hen niet beter beroepsgerichte masters in het hbo kunnen aanbieden?

Nee, zegt Plasterk. We hebben nu eenmaal beroepsgericht onderwijs aan de ene kant en academisch onderwijs aan de andere kant. Daar moet je niet aan tornen. En op wat uitzonderingen na horen de meeste masters bij het universitaire onderwijs. “We hechten allemaal aan het binaire stelsel. Daarin spelen universiteiten en hogescholen ieder hun eigen rol.”

Plasterk vindt het “op zichzelf prima” als hbo’ers voor een masteropleiding kiezen. “Ik zou alleen willen voorkomen dat er een misplaatst automatisme ontstaat. Hbo’ers moeten niet denken dat ze zonder master ‘minder stoer’ zijn, laat staan ‘minder afgestudeerd’. Ze volgen vier jaar lang een serieuze hogeronderwijsopleiding en hebben als ze zijn afgestudeerd een prima positie op de arbeidsmarkt. Ze hebben zelfs een grotere kans om snel aan een goede baan te komen dan wo-afgestudeerden. Waar zijn we dan met z’n allen mee bezig als we het hbo per se willen optuigen met masteropleidingen?”

Wie weet raken perfectionistische hbo’ers dan beter geschoold in hun vakgebied? Plasterk is niet overtuigd. “Ik weet niet of hbo-masters daaraan bijdragen”, antwoordt hij. Dus hbo-masters dragen niet bij aan betere scholing? De minister glimlacht: “Nee, u probeert me dingen in de mond te leggen. Ik weet niet of het verstandig is om ongebreideld overal hbo-masteropleidingen bovenop te zetten. Want nogmaals, die hbo-bacheloropleidingen doen het perfect.”

De minister vindt het ‘binaire stelsel’ belangrijk, maar is het dan niet raar dat hbo-bachelors die een master willen volgen een ‘anti-binair’ bochtje moeten nemen door over te stappen naar de universiteit? PLASTERK ZIT ER NIET MEE. “Dat heet stapelen, daar zijn we tegenwoordig weer helemaal voor. In het verleden is het stapelen als ‘inefficiënt bochtje’ weggezet en afgeschaft.” Dat gebeurde overigens door zijn partijgenoot, de voormalige PvdA-minister Ritzen, die tegenwoordig de Universiteit Maastricht bestiert. “Wij vinden dat achteraf niet verstandig en proberen het nu te herstellen.”

De geboorte van het bamasysteem

HET BACHELOR-MASTERSYSTEEM mag dan wel nieuw zijn, het streven naar een open Europese hoger-onderwijsruimte is dat niet. In de middeleeuwen trokken studenten van de eerste Europese universiteiten het continent rond, en wisten de beste instellingen onderzoekers uit heel Europa aan zich te binden. Met de explosieve groei van het hoger onderwijs ging die mobiliteit verloren.

Ten onrechte, vonden de onderwijsministers van Frankrijk, Italië, Groot-Brittannië en Duitsland. In de verklaring van Sorbonne (1998) maakten ze zich sterk voor de harmonisering van het Europese hoger onderwijs. Ze stelden een tweeledig onderwijssysteem voor, met een duidelijk onderscheid tussen een undergraduate en graduate fase. Een gemeenschappelijk onderwijsbestel moest het Europese hoger onderwijs weer één gezicht geven, en de mobiliteit onder studenten en werknemers van universiteiten vergroten.

EEN JAAR LATER zetten 29 ministers van onderwijs hun handtekening onder de verklaring van Bologna. Het gezamenlijke Europese onderwijsbestel zou inderdaad twee cycli krijgen: een undergraduate of bachelorfase, en een graduate of masterfase. In 2003 kwam daar met de promotie een derde cyclus bij. De bachelorfase moest minstens drie jaar duren, spraken de ministers af, de master zeker één jaar.

INTUSSEN onderschrijven 45 landen de principes van Bologna. De verklaring is overigens niet bindend: elk land vertaalt de doelstellingen in een eigen wettelijk kader. In Nederland ging de ministerraad in 2001 akkoord met het wetsvoorstel voor de invoering van de bachelormasterstructuur. Hbo-opleidingen werden omgezet in vier jaar durende professionele bachelors en in het wo verving het bama-stelsel het oude kandidaats-doctoraalsysteem. De propedeuse verdween. Er ontstonden bacheloropleidingen van drie jaar, en masteropleidingen van één of twee jaar.

TOCH is volgens sommigen het Nederlandse bama-stelsel nog niet het systeem waar in Bologna voor werd getekend. Want een harde knip tussen bachelor en master is er aan de meeste universiteiten niet. Volgens Bologna mag een student pas na afronding van een bacheloropleiding aan een master beginnen, maar veel Nederlandse instellingen houden het bij een ‘zachte knip’: ze laten hun studenten al aan de doorstroommaster beginnen voordat ze hun bacheloropleiding hebben voltooid. Ook de hbo-masters blijven een knelpunt. In principe mag het hbo haar eigen master-diploma’s afleveren. Maar omdat deze – op wat uitzonderingen na – niet door de overheid bekostigd worden, komt de hbo-master nog niet van de grond.

ELKE TWEE JAAR komen de Europese ministers van onderwijs bijeen om te praten over de voortgang van het Bologna-proces, waaronder de invoering van de bachelor-masterstructuur. In 2007 gebeurde dat voor het laatst in Londen. In april, tien jaar na Bologna, is Leuven aan de beurt.

HOP, Ianthe Bato