Achtergrond

“Hé! Ik hou van je!”

Studievereniging AKT van Theater-, Film- en Televisiewetenschap, de afdeling waar Merx als jonge docentonderzoeker werkzaam is, had haar voorgedragen voor de prijs. Merx: “Dat ze de moeite hebben genomen om mij aan te melden was eigenlijk de grootste beloning. Zo’n aanmelding is namelijk een hele klus.”

Het juryrapport looft Merx onder meer om haar toegankelijkheid. Daar kan ze zich in vinden: “Ik ben bereid om studenten tegemoet te komen. Als zij iets inleveren, maak ik veel werk van het geven van feedback. En als een schrijfopdracht verbeterd kan worden, geef ik daartoe de mogelijkheid: dan kan het later nog eens ingeleverd worden.” Dit alles kost de junior docentonderzoeker veel tijd, tijd die ze eigenlijk niet heeft. “Ik haal me heel wat extra werk op de hals, maar ik vind het belangrijk en ik hoop dat ik het altijd blijf doen. Misschien heeft het met mijn leeftijd te maken; ik ben nog idealistisch, niet opgebrand. Daar tegenover staat wel dat ik heel veel inzet van de studenten verwacht.”

Strenge mail

Haar leeftijd blijkt studenten wel eens uit te nodigen om haar al te amicaal aan te spreken: “Het gebeurt regelmatig dat studenten in hun mail mij in de aanhef aanspreken met ‘Hé’. Dan stuur ik een strenge, zakelijke mail terug. Ik laat hen weten dat een dergelijke aanspreekvorm getuigt van een gebrek aan fatsoensnormen. Die persoon doet dat dan ook geen tweede keer.” Terwijl ze dit vertelt, bedenkt Merx zich dat het voornamelijk jongens zijn die haar op deze manier tegemoet treden. Ze heeft er zo snel geen verklaring voor. “Ik ben een jonge vrouw…”, zoekt ze twijfelend naar een uitleg. “Van een crush heb ik nooit iets gemerkt hoor”, lacht ze. “Al heb ik wel eens op een evaluatieformulier voor een van mijn colleges bij het kopje ‘opmerkingen’ de tekst gelezen: ‘ik hou van je’. Het was anoniem. Maar zoiets vergeet je natuurlijk niet.”

De prijs die Merx in ontvangst nam, brengt niet alleen eeuwige roem met zich mee: ook een geldbedrag van 2000 euro viel haar ten deel. Ze is er nog niet uit waar dat geld aan besteed zal worden. “Ik hink op twee gedachten. Enerzijds kijk ik begerig naar kledingwinkels. Anderzijds kan ik het gebruiken voor mijn proefschrift: met het geld zou ik er een mooi boek van kunnen maken. Ja, dat moet uit eigen zak: de vergoeding van kopieerkosten aan de universiteit is veel te laag.”

’Typisch Marijke’

Docent van het jaar wil de massa naar de top brengen

Xander Bronkhorst

Ze kon de gelegenheid niet zomaar aan zich voorbij laten gaan. In het dankwoord na haar uitverkiezing tijdens de Onderwijsparade twee weken geleden maakte Marijke Canninga-Van Dijk in de aula van het Academiegebouw een stevig statement: alstublieft geen selectie aan de poort bij de Utrechtse opleiding Geneeskunde.

Het was een gedurfd geluid van de dermatopathologe die sinds enige tijd ook opleidingsdirecteur is. Universitaire bestuurders hebben onlangs immers met interesse kennisgenomen van een geslaagde Rotterdamse proef met selectie. En juist in de medische wereld wordt graag op excellentie gehamerd.

Canninga weet echter dat de Utrechtse instroom nu al vrijwel geheel bestaat uit middelbare scholieren met een gemiddeld eindexamencijfer van een acht of hoger. Uitval kent de opleiding nauwelijks. Maar bovenal neemt ze het op voor de studenten bij wie opleiders in eerste instantie hun twijfel hebben. Want vrijwel zonder uitzondering zien ook die studenten op enig moment het licht, zo is haar ervaring.

“Typisch Marijke om tijdens zo´n ceremonie een beetje politiek te gaan bedrijven”, vindt afdelingshoofd pathologie van het UMCU prof.dr. Paul van Diest. “Ze heeft visie, ideeën en je kunt echt niet zomaar om haar heen.” Maar ook de inhoud van de boodschap, kenmerkt de docente van het jaar. “Marijke wil de massa naar de top brengen.”

Commissaris onderwijs van de studievereniging MSFU Sams Rosalie Schnoor en studentadviseur van de opleiding Geneeskunde Nori Elshof, de twee studenten die de voordracht van Canninga-Van Dijk voor hun rekening namen, prijzen die instelling van de docente. Rosalie: “Ze zal in haar colleges nooit inspelen op de slimste of best geïnformeerde studenten. Ze wil iedereen meekrijgen. En dat lukt haar zonder dat ook maar iemand de kantjes ervan af kan lopen.”

In een toneelstukje waarmee de studenten de jury van de docentenprijs wisten te overtuigen, werd in twee aktes ‘de goede docent’ tegenover ‘de slechte docent’ gezet. Rosalie: “Naarmate ze meer weten en langer in het vak zitten, komen veel artsen steeds verder van studenten af te staan. Ze snappen dan niet meer wat studenten niet snappen. Marijke doet haar best om steeds te blijven levellen.” Nori: “Ook in heel praktische zaken. Je zult haar niet met een witte jas en een pieper naar binnen zien komen.”

Enthousiast, vrolijk, positief, bruisend. Het zijn enkele van de eigenschappen die mensen in haar naaste omgeving Marijke Canninga toedichten. Maar ook: slim, ambitieus, toegewijd en bevlogen. Het is die combinatie die haar volgens een ieder de status geeft van rolmodel, die in het juryrapport en in persberichten herhaaldelijk naar voren kwam.

“Studenten voelen aan dat er een vrouw met kennis van zaken en met uitstraling voor de groep staat”, zegt opleidingscoördinator Anke Bootsma. “En die docente blijkt dan ook nog eens zeer open en humoristisch te zijn.”

Prof.dr. Jan van den Tweel, opleider en promotor van Canninga-Van Dijk, weet dat zijn voormalige pupil “heel weinig afstand oproept” bij studenten en arts-assistenten. “Ze draagt haar kennis op een heel bijzondere en overtuigende wijze uit. Je ziet aan alles dat ze het leuk vindt om je iets te leren.”

Ten behoeve van het toneelstukje voor de jury van de docentenprijs had studente Nori Elshof zich een kort rokje en hoge hakken aangemeten en haar lippen rood gestift. Ze was Canninga ten voeten uit, zo wist de docente die even later binnenkwam zelf te melden. Het verleidde de jury tot de vraag of hun docente niet vooral een rolmodel is voor de vrouwelijke studenten en veel minder voor hun mannelijke mede-studenten.

Geen vreemde vraag als het gaat om een docente van een studie waarvan inmiddels een flinke meerderheid van de studenten vrouw is. Ook Paul van Diest neemt waar dat “vooral blondstaartige studentes in Marijke hun eigen toekomst zien”. Volgens Anke Bootsma heeft Canninga in ieder geval de gave de dikdoenerij die de masculiene artsenwereld zo af en toe kenmerkt, te relativeren. “Ik heb bewondering voor de lef en humor waarmee Marijke haar sterke punten als vrouw durft uit te buiten”, zegt ze. “Laatst reden we in haar cabriolet –ze heeft een voorliefde voor snelle auto´s - naar een afspraak. Ze parkeerde recht voor het raam. ‘Zo die heeft ons gezien’, zei ze resoluut. Ik vind dat prachtig.”

Studente Rosalie Schnoor wil wel erkennen dat vooral vrouwelijke studenten Canninga als voorbeeld nemen. “Die zien door Marijke dat je een goede onderzoeker en arts kunt zijn, en ook nog eens aantrekkelijk, vrolijk en sociaal. Maar tegelijkertijd is zij ook voor mannen een rolmodel. Ze blinkt immers uit in een vak dat als niet-spannend bekend staat, zonder een grijze muis te worden.”

De docente zelf loopt niet weg voor de haar toegekende voorbeeldfunctie en het feit dat die misschien vooral op vrouwen van toepassing is. “Ik ben nu eenmaal een vrouw.” Dan lachend: “Maar ik draag ook wel eens een spijkerbroek, hoor.”

Maar het gaat niet om haarzelf, zegt Canninga. Zij vindt dat alle studenten recht hebben op rolmodellen, liefst in de vorm van de beste artsen. “Binnen dit ziekenhuis lopen heel veel potentiële rolmodellen rond. Je ziet ze alleen weinig in het onderwijs.”

De inrichting van het tutoraat binnen de opleiding wordt door de opleidingsdirecteur aangegrepen om daar wat aan te doen. “Vroeger verzorgden de hoogleraren die begeleiding van studenten, maar door alle bureaucratische rompslomp hadden die daar geen zin meer in. Ik tackel nu iedereen die ik tegenkom om ze weer in dat tutoraat te krijgen.”

Volgens Van Diest zorgt vooral het enthousiasme voor het onderwijs dat de opleidingsdirecteur bij haar strooptocht tentoonspreidt ervoor dat de drukbezette artsen zich beschikbaar stellen. Hij roemt ook de wijze waarop zij binnen de afdeling collega´s aanspreekt op het belang van het halen van de onderwijskwalificaties. “Heb je al met haar gesproken? Pas maar op, straks sta jij ook onderwijs te geven.”

Net als Paul van Diest is Jan van den Tweel blij met de aandacht die Canninga weet te genereren voor hun vakgebied. “Behoorlijk wat studenten melden zich voor een stage bij de pathologie, terwijl het geen verplicht coschap is. Die zijn dan geïnteresseerd geraakt door wat Marijke vertelde.”

De hoogleraar steekt echter niet onder stoelen en banken dat hij misschien liever had gezien dat zijn voormalige promovenda niet voor de functie van opleidingsdirecteur had gekozen. “Iedereen moet natuurlijk zijn eigen keuzes maken, maar ik heb haar altijd beschouwd als een van de coming young women in de dermatopathologie. Ze zou tot de wereldtop kunnen gaan behoren. Maar die top laat echt geen ruimte om er nog iets anders bij te doen.”

Canninga lijkt tegelijkertijd verrast en gevlijd door de woorden van haar leermeester, die zelf nog altijd zeer actief is in het onderwijs. “Mijn probleem is dat er heel veel dingen zijn die ik graag doe. In het ziekenhuis heb je naast onderwijs en onderzoek ook nog patiëntenzorg. Als je twee van die drie goed doet, dan is het meestal in orde. Ik ben er heel graag voor de patiënten, en daarnaast zit de uitdaging voor mij nu in het onderwijs. Wat die uitdaging dan is? Ik denk bijvoorbeeld dat we op het gebied van het aanleren van academische vaardigheden als samenwerken, communiceren en reflecteren nog heel wat te winnen hebben binnen onze studie. Specialisten hebben soms moeite met dat verhaal. En dat snap ik: zij staan voor het belang van specifieke vakkennis. Maar ze realiseren zich niet dat het in eerste instantie om het basisniveau en het hele plaatje gaat.”

Over de dadendrang van de opleidingsdirecteur hoeft niemand zich zorgen te maken, blijkt uit de woorden van Anke Bootsma. “Dat is misschien haar enige manco. Ze wil soms te veel, te snel. Maar we weten haar met ons team aardig in bedwang te houden.”

Toch nog even over die auto … ? Canninga: “Ik ben een liefhebber. In mijn Alfa Spider rijd ik elke dag naar Utrecht, als het even kan met mijn dak open. Een beetje vrouw heeft een mooie auto, zeg ik altijd maar. Nee, collega-artsen in het ziekenhuis hebben daar weinig gevoel voor.” Met een vies gezicht: “Die zie je vaak in zo´n grote Volvo of een Saab.”

Twee artsen van kaliber krijgen eredoctoraat

Paul Ridker: Preventie van hart- en vaatziekten

One of the scientists that shape our lives’. Zo omschreef Time Magazine de cardioloog die dit jaar in Utrecht een eredoctoraat krijgt voor zijn bijdrage aan de preventie van hart- en vaatziekten.

Een belangrijke oorzaak van hart- en vaatziekten is atherosclerose ofwel aderverkalking. Nadat lange tijd gedacht was dat een te hoog cholesterolniveau de voornaamste oorzaak van deze ziekte was, liet Ridker een kleine tien jaar geleden zien dat atherosclerose in feite een chronische ontsteking is. Hoe cruciaal deze ontdekking was, blijkt uit het feit dat zijn artikel ‘Inflammation and atherosclerosis’ inmiddels meer dan 4600 maal is geciteerd.

Opmerkelijk voor een klinisch onderzoeker is dat Paul Ridker ervoor koos om het niet bij deze ontdekking te laten. Hij ging op zoek naar methoden om de ontsteking bij patiënten op te sporen en naar manieren om al voordat de ziekte zich aandient, te kunnen voorspellen wie risico loopt op het ontwikkelen van aderverkalking. Daarmee betrad hij het terrein van de klinische epidemiologie, waarop zijn erepromotor Yolanda van der Graaf als hoogleraar in het UMC Utrecht actief is.

“Bijzonder is dat Paul Ridker zowel een bevlogen arts en klinisch onderzoeker is als een kundig epidemioloog”, zegt Van der Graaf. “Door middel van studies met grote groepen patiënten heeft hij aangetoond dat de aanwezigheid van het ontstekingseiwit CRP in het bloed onafhankelijk van andere factoren voorspelt of mensen risico lopen op atherosclerose. Hij toonde ook aan dat het toedienen van statines – op dit moment de meest succesvolle behandeling – niet alleen het aantal sterfgevallen reduceert, maar ook zorgt voor een afname van de hoeveelheid CPR in het bloed.”

In een recent gepubliceerde langjarige studie met ruim 17.000 deelnemers liet Ridker bovendien zien dat de aanwezigheid van CRP bij ogenschijnlijk gezonde patiënten een goede voorspeller is voor aderverkalking. Ook bevestigde dat onderzoek het nut van het vroegtijdig toedienen van statines om het risico te verkleinen.

Opvallend genoeg is Ridker, net als zijn collega-eredoctor Laing, in Zimbabwe actief geweest als arts. Voordat hij in Harvard zijn artsenbul behaalde, deed hij een jaar lang praktijkervaring op in Kenia, Zambia en Zimbabwe. In 2004 riep het Amerikaanse weekblad Time Magazine de onderzoeker aan de Harvard Medical School uit tot één van de achttien wetenschappers die in dat jaar een uitmuntende bijdrage hadden geleverd aan de gezondheid en het welzijn in de wereld.

Richard Laing:

Medische zorg voor de allerarmsten

In Richard Laing eert de UU een man wiens medische loopbaan vanaf het begin in het teken heeft gestaan van het streven om de gezondheidstoestand van de allerarmsten te verbeteren. Die ambitie kreeg vorm in de jaren zeventig in zijn geboorteland Zimbabwe.

Als pas afgestudeerd arts publiceerde hij kort na het einde van de onafhankelijkheidsstrijd een rapport, waarin hij de gebrekkige medische zorg voor zwarte landarbeiders en hun vaak ondervoede kinderen op de toen nog blanke boerderijen hekelde. Hij liet zich niet afschrikken door de woedende reacties van de boeren, die zelfs zijn vrouw aanvielen, en zette een succesvol gezondheidsprogramma voor de arbeidersgezinnen op poten.

Hoewel ook zijn volgende activiteiten hem conflicten opleverden, nu met de farmaceutische industrie, wist Richard Laing van geen wijken. In Zimbabwe was hij betrokken bij het opstellen van een richtlijn voor verstandig medicijngebruik, in Zuid Afrika stond hij zij aan zij met Nelson Mandela in de juridische strijd tegen 39 bedrijven met als inzet betaalbare geneesmiddelen tegen aids. Vooral de overwinning in die strijd dankzij een in Noorwegen gesloten akkoord, ervoer Laing als een belangrijke mijlpaal in zijn niet aflatende streven naar een goede medische zorg voor alle lagen van de bevolking.

Sinds 2003 ijvert Laing voor die zaak in dienst van de Wereld Gezondheidsorganisatie WHO. Eén van zijn eerste wapenfeiten was de publicatie van het rapport ‘Priority Medicines for Europe and the world’, dat hij in 2003 schreef in opdracht van de Nederlandse regering, de toenmalige EU-voorzitter. In dat document, waarvoor hij nauw samenwerkte met zijn erepromotor, de Utrechtse hoogleraar farmaco-epidemiologie Bert Leufkens, identificeerde Laing terreinen waarop onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen dringend nodig was.

Leufkens: “Hij gaf niet alleen aan op welke gebieden het wetenschappelijk onderzoek tekort schoot, maar hij maakte ook duidelijk hoe dat komt. Hij liet zien dat innovatie in het geneesmiddelenonderzoek niet uitsluitend aan de markt kan worden overgelaten, omdat dat onvermijdelijk betekent dat sommige belangrijke medicijnen om financiële redenen niet zullen worden ontwikkeld.”

Het rapport van Laing heeft volgens Leufkens grote invloed gehad. Hij wijst op het Innovative Medicine Initiative van de Europese Unie en op het Nederlandse topinstituut TI Pharma. “Dat instituut dat innovatief onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen stimuleert, is onder meer tot stand gekomen dankzij een substantiële bijdrage van de Nederlandse overheid. Dat men bereid was TI Pharma zo ruimhartig te steunen, is zeker mede te danken aan de inzet van Richard Laing.”

’He’s massive, a giant’

Xander Bronkhorst

“Ja, dat is echt gras. U zou moeten zien hoeveel toewijding van de groundsmen daar in gaat zitten.” Het in smetteloos wit geklede bejaarde stel is in de eerste lentezon op weg naar een vroeg tennispartijtje en prijst zich gelukkig met het lidmaatschap van de exclusieve Hurlingham Club. Aan de oevers van de Theems staan in West-Londen meer dan 16 hectare strakgroene tennis-, cricket-, polo- en crocquetvelden tot de beschikking, en daarbij nog enkele fijne tea- & dinner faciliteiten.

Hier is de Britse upper class nog onder elkaar. Van de nieuwrijke Russen, die hun intrek hebben genomen in de nabijgelegen luxe appartementencomplexen, is voorlopig weinig te vrezen. Wie geen kind is van een Hurlinghamlid, moet zo´n vijftien jaar wachten voordat hij bovenaan de wachtlijst staat.

He’s a giant

Dit is de perfecte omgeving voor een van die vele merkwaardige rituelen die de Britse sportwereld kenmerkt: de Boat Race Weigh In, oftewel de weging van de zestien deelnemers aan de jaarlijkse roeistrijd tussen Oxford en Cambridge. Eén van de mannen die op de weegschaal komen te staan, is Sjoerd Hamburger, in Utrecht afgestudeerd in de Algemene Sociale Wetenschappen en prominent lid van de studentenroeivereniging Orca. Hij is na Delftenaar Gerritjan Eggenkamp in 2002 de tweede Nederlander die is geselecteerd voor de Oxford Blue Boat.

In het neoclassicistische clubhuis geniet het geheel uit mannen bestaande journaille van een ononderbroken stroom aan gegrilde eitjes op toast, gekruide worstjes met spek omwikkeld en ham- en zalmsandwiches. Wat ze weten over Sjoerd? “He´s massive, a giant”. Bladerend in de persmap gaan ze op zoek naar zijn gegevens. Met 2,05 meter is Sjoerd de langste van alle deelnemers, maar niet de langste ooit. Dat was Cambridge-oarsman Josh West, die begin deze eeuw deelnam en twee centimeter langer was.

Statistieken, en dan vooral de historische duiding van de getallen, daar blijkt het in de dagen voor de 155ste editie van de Boat Race om te gaan. ITV-commentator Peter Drury wil dat nog wel even illustreren in zijn aankondiging van het ceremonieel. “De bootrace vindt op precies dezelfde dag plaats als vorig jaar. Dat is alleen in 1912 eerder gebeurd. En we weten allemaal wat er in 1912 aan de hand was, toch? Beide boten zonken. Dus jongens …”

Maar vandaag moet eerst de belangrijke vraag worden beantwoord of de dark blues van Oxford of de light blues van Cambridge dit jaar de zwaarste crew hebben. Belangrijk, want de geschiedenis zegt dat de boot met het meeste gewicht de beste kansen heeft en de bookies, waar stevig wordt ingezet op de winnaar, weten dat. De roeiers zelf, zo vertelt een correspondent van Australische roeibladen, proberen met vele liters water het aantal kilo´s tijdelijk nog wat op te vijzelen. “Vroeger smokkelden ze ook allerlei ijzeren voorwerpen mee, maar in dat strakke outfit dat ze tegenwoordig dragen, is dat niet mogelijk.”

Mentale tik

Als de eerste roeiers, de ‘boegen’ OF BOEGBEELDEN? van beide teams, het podium opkomen, wordt meteen duidelijk dat dit ook de gelegenheid is voor wat psychologische oorlogsvoering. Waar de Amerikaanse Cambridge-roeier Rob Weitemeyer schaterlachend Schwarzenegger-poses ten beste geeft, staart de Pool Michal Plotkowiak naast hem emotieloos in het niets, een houding die door de zeven volgende Oxford-roeiers wordt gekopieerd. Ook door Hamburger die vooral zijn best doet nog langer te lijken dan hij al is: de teller stopt bij de 101,8 kilo.

Wanneer de computer zijn werk heeft gedaan, kan Peter Drury de melding maken dat de Oxford-boot van dit jaar met een gemiddeld gewicht van 99,7 kilo de zwaarste ooit zal zijn. De journalisten snellen weg om telefonisch dat indrukwekkende feit door te bellen naar hun redacties.

Sjoerd Hamburger schuift even later aan op het zonovergoten terras voor een gesprek dat herhaaldelijk onderbroken zal worden voor fotosessies met één van de fotografen. Vooral een plaatje met de meer dan 40 centimeter kortere Cambridge-stuurvrouw Rebecca Dowbiggin is gewild.

“Ach ja, je weet dat dit eigenlijk helemaal nergens over gaat. Hier win je de race niet”, zegt hij met de hem kenmerkende Friese nuchterheid over het toneelspel dat vooraf ging, “maar tegelijkertijd is het toch wel leuk om als zwaarste ploeg ooit de boeken in te gaan. Dan geef je ook even een mentale tik weg. Daar wil je wel wat extra flesjes water voor drinken.”

Over het jolige gedrag van enkele Cambridge-roeiers kan hij zijn ergernis nauwelijks verbergen. “Ze denken misschien dat ze grappig doen. Wij willen vooral uitstralen dat we professioneel en serieus bezig zijn.”

Hamburger weet dat de Oxford-boot inmiddels veruit favoriet is. En niet alleen vanwege het gewicht dat er in zit. De ploeg wordt alom beschouwd als één van de sterkste Oxford-ploegen ooit. Hamburger incluis namen liefst vijf van de acht ooit deel aan een Olympische Spelen. “Alle odds zijn in ons voordeel, maar daar houd ik me niet mee bezig. Winnen doe je op het water. Voor mij telt dat de boot gewoon lekker loopt de laatste tijd.”

Van onderlinge intriges zoals die bekend zijn uit True Blue, de vermaarde film naar aanleiding van het boek van Oxford-coach Daniel Topolski over de race van 1987, is hem niets gebleken. Destijds trok een aantal Amerikaanse toproeiers zich zes weken voor de start terug, omdat één van hun landgenoten plaats moest maken voor de Schotse president van de selectie. “In september hebben we met zijn allen nog eens naar die film gekeken, maar ik moet zeggen dat alles dit jaar in orderly fashion is verlopen, zoals ze dat hier zeggen. Natuurlijk de selectieprocedure was keihard, maar er was groot respect onderling en de sfeer bleef goed. De beste grap die we met elkaar hebben uitgehaald? Misschien dat we een jongen hadden wijsgemaakt dat hij urine en een schijtsample moest meebrengen bij het kennismakingsgesprek met de dokter van het team, zelfs met een fake-mailadres van de arts. Ik vond dat erg lachen.”

30.000 pond

Het voornemen van Hamburger om ooit de Boat Race te gaan roeien nam vastere vormen aan toen hij een aantal jaar geleden een fixture, een trainingswedstrijd, tegen een Blue Boat roeide. “Toen zag ik wat die wedstrijd werkelijk betekende.” Na de enigszins teleurstellend verlopen Olympische Spelen waar hij dertiende werd in de skiff, was het moment aangekomen. “Ik wilde een jaar studeren en daarnaast een mooi roeiprogramma draaien. Dan is dit natuurlijk de mooiste combinatie. Een gerenommeerde universiteit en een legendarische wedstrijd.”

Het bedekte gemor over het feit dat de Oxford-boot slechts twee Britten kent en dat de universiteit zijn academische status te grabbel lijkt te gooien door overal ter wereld talentvolle roeiers te scouten, vindt hij kinnesinne. Amerikaanse toestanden met uitzonderingsposities voor topsporters kent Oxford volgens hem niet. “We hadden een hele sterke jongen in onze selectie die hier een PhD deed. Die moest vertrekken omdat de kwaliteit van zijn onderzoek niet voldoende was. Daar wachten ze dus niet even mee tot hij de Boat Race heeft kunnen roeien.”

Ook het feit dat deze Weigh In enkele dagen eerder plaatsvindt dan normaal omdat enkele roeiers nog MBA-examens hebben de week voor de race, zegt volgens hem genoeg. “Die jongens willen die examens echt halen, anders kunnen ze 30.000 pond inschrijfgeld door de plee spoelen. En zoveel is het roeien nu ook weer niet waard.``

Hamburger zelf stelt ook de normale strenge en bureaucratische sollicitatieprocedure te hebben doorlopen. Hij vindt zelfs dat het strakke studeerregime het jaar Oxford eerder tot een uitdaging maakt dan de voorbereidingen voor de Boat Race. “De trainingsbelasting van 12 keer per week, daar was ik wel aan gewend, maar er komt hier zoveel meer bij kijken.”

Hij schetst een doorsnee dag: “Zes uur opstaan, zeven uur op de ergometer, opschieten om op tijd in de collegebanken te zitten, ’s middags met twee minibusjes naar de loods, iets voor vijven terug zodat je de avondcolleges kunt volgen, en uiteindelijk tot tien uur in de bieb aan je essays werken. En denk maar niet dat er met de deadlines is te sjoemelen. Dan mag je drie keer boatracer zijn, je doet het gewoon zoals ieder ander.”

Zijn Orca-trainer Els Stronks, als Neerlandica verbonden aan de UU, wist niet wat ze zag toen hij met haar skypte vanuit een trainingskamp in Frankrijk. ‘Sjoerd, wat zie je eruit!!!’, kreeg hij te horen. “Ja, bruut trainen en ook nog eens twee essays maken. Op een gegeven moment val je om en word je letterlijk ziek.”

Zijn studiegenoten van de master Evidence Based Social Intervention heeft de Utrechter echter nooit verteld dat hij trainde voor het grootse roei-evenement. “Dan zou het alleen daar over gaan, daar had ik geen zin”.

Hoewel hij absoluut geen tijd of puf had voor drinkgelagen en “´s avonds vieze woorden poepen”, kon hij op zijn College niet verbergen dat hij eind maart één van de helden van de universiteit hoopt te zijn. “Als je een universitair ???? sportteam mag vertegenwoordigen dan ontvang je een blue, een blauw colbertje. Daar willen ze tijdens het diner van het College waar iedereen aanwezig is wel even melding van maken. Zo merk je steeds weer dat je deel uitmaakt van meer dan anderhalve eeuw geschiedenis.”

Ik moet er nog van roeien

Na zijn optreden aanstaande zondag op de Theems - waar naast de kwart miljoen toeschouwers op de kades wereldwijd vele tientallen miljoenen televisiekijkers getuige van zullen zijn - zit zijn Oxfordtijd er bijna op. In zijn laatste term moet Hamburger zijn thesis schrijven. Daarvoor hoeft hij niet meer continue in Engeland te zijn. In Nederland wil hij aan de slag met een nationale equipe met opnieuw als doel te schitteren in Londen, maar dan tijdens de Olympische Spelen van 2012.

En hij hoopt wat meer tijd door te kunnen brengen met zijn “vriendinnetje”. Hamburger blijkt al bijna een jaar een relatie te hebben met ex-wereldkampioene schaatsen Paulien van Deutekom, voormalig studente Pedagogiek in Utrecht. “We hebben elkaar een aantal jaar geleden leren kennen tijdens een werkgroep van sportpedagoog Albert Buisman en zijn altijd mailcontact blijven houden. Vorig jaar zijn we een keertje koffie gaan drinken en van het een kwam het ander. Maar het is echt niet slim van een zomersporter om iets te beginnen met een wintersporter. Alles bij elkaar is ze hier twee keer hgeweest.”

Als het interview is afgelopen, krijgt Hamburger voor de zoveelste keer een sandwich aangeboden. Gretig tast hij toe en knikt naar het overijverige personeelslid. “Thank you very much. I need to grow. ” En dan in het Nederlands. “Ik moet er nog van roeien.”

Uren later zijn we enkele honderden meters verderop aan de overkant van de Theems. Vanuit de karakteristieke oude bootloodsen nabij Putney Bridge nemen de acht Oxford-roeiers hun helgele boot op de schouders. Ze lopen met grote zwarte laarzen het stenen talud af.

Hier begint zondag ook de race. Precies 4 miles en 374 yards oftewel 6779 meter verderop, vlak voor Chiswick Bridge, zullen de acht weten of daar de eeuwige roem van hun universiteit ligt te wachten. Sean Bowden, al twaalf jaar de Oxford-coach kijkt goedkeurend hoe zijn jongens beginnen aan hun dagelijkse outing op de rivier. Eerder bij de Hurlingham Club heeft hij nog onomwonden zijn vertrouwen uitgesproken in Hamburger. “Sjoerd is natuurlijk beresterk, maar belangrijker is dat hij enorm goed met druk omgaat. Het was voor mij daarom snel duidelijk dat ik hem in de boot wilde. En ik hou van de Nederlandse manier van communiceren: open, eerlijk en zelfbewust. Vooral de Amerikaanse jongens schrikken daar wel eens van. Die zijn veel plichtsgetrouwer en niet gewend om te discussiëren op het water. Maar geef mij er nog maar een paar als Sjoerd. Hopelijk wordt het zondag een mooie dag, ook voor het Friese volk en voor jullie universiteit in Utrecht.”

Studentenverenigingen:

Bas Belleman (Hoger Onderwijs Persbureau)

Iedereen kent ze wel: eerstejaars die tijdens wekenlange ontgroeningen bleek en verpieterd in een hoekje van de collegezaal hangen. En die door alle inwijdingsrituelen meteen al een fikse achterstand oplopen. Althans, iedereen kent de verhalen. Verhalen die bij het doorvertellen groter en groter worden.

Ze stroken niet met de ambities die universiteiten en hogescholen steeds luider verkondigen. De instellingen openen de aanval op studie-uitval in het eerste jaar. De studie moet intensiever en beter. Weg met de zesjescultuur. Een biertje minder, een boekje extra.

Er zijn weliswaar genoeg verenigingen die geen noemenswaardige ontgroening hebben en in 1968 toonde een onderzoeker al eens aan dat verenigingsleden juist beter presteerden dan niet-leden. Maar het cliché – verenigingsleden trappen liever lol dan dat ze studeren – heeft zich diep in het collectieve bewustzijn genesteld.

Wat klopt er nog van? De tijden zijn voorbij dat de ‘eeuwige student’ avond na avond aan de bar kon hangen zonder nog te weten wat hij ook alweer studeerde. Sinds de tempobeurs houden de meeste leden de vertraging (en hun studieschuld) liever enigszins binnen de perken. Er zijn ook geen harde aanwijzingen dat verenigingsleden in het algemeen trager studeren dan anderen. Ook recent onderzoek (zie kader) lijkt het omgekeerde effect te bevestigen: verenigingsleden studeren net iets sneller dan anderen. Ze durven alleen nauwelijks meer hun schouders onder bestuurswerk te zetten. De verenigingen krijgen hun bestuurszetels maar met moeite bezet, bleek onlangs.

Weekend

Samen met de Landelijke Kamer van Verenigingen (LKvV) hield het Hoger Onderwijs Persbureau een enquête onder vierenveertig studentenverenigingen. De uitkomst: steeds meer gezelligheidsverenigingen houden het studiegedrag van hun leden – met name van eerstejaars – in de gaten. Ze moedigen het studeren aan.

Dat begint met een verstandige planning van de introductietijd – al dan niet onder druk van de universiteit. Van de veertig verenigingen die de vragenlijst invulden, zorgen er vierendertig voor dat de introductie van hun eerstejaars niet samenvalt met de eerste colleges en werkgroepen. Bij ongeveer de helft daarvan is de introtijd afgelopen voordat het academische jaar van start gaat. De andere helft plant verdere activiteiten in de weekends en avonduren.

Eén vereniging zegt in haar toelichting expliciet geen ‘ontgroening’ te hebben. Van de vijf die hun introductie laten overlappen met de eerste colleges, geven er twee hun feuten de gelegenheid om tussendoor colleges te volgen.

Noem het regelzucht, noem het verantwoordelijkheidsgevoel, maar hier blijft het niet bij. Eenderde van de verenigingen stelt ook regels aan de ontgroening door disputen en verenigingshuizen. De meerderheid zonder zulke regels geeft als reden dat er geen disputen zijn of dat er nauwelijks ontgroening door disputen of huizen plaatsvindt: wat er niet is, heeft geen regels nodig.

Patronaat

De verenigingen houden ook verderop in het jaar rekening met de studieprestaties van hun leden. Misschien komt dat doordat de maatschappelijke druk steeds hoger wordt. Studenten moeten niet alleen op tijd hun diploma halen, maar liefst ook honours programmes volgen en excelleren. De verenigingen willen de goede prestaties niet ondermijnen, maar er juist aan meewerken.

Dat valt af te leiden uit het feit dat meer dan de helft (55 procent) een soort papa-en-mama-systeem heeft ingevoerd, waarin ouderejaars een groepje eerstejaars onder hun hoede nemen. Het heet ook wel patronaat, mentoraat of familie. De verenigingen die zoiets niet hebben, zeggen vaak dat de disputen die functie vervullen. Die verplichten hun eerstejaars bijvoorbeeld om minimaal vier uur per dag in de bibliotheek te zitten.

Een opvallend feitje: clubs die een mentorsysteem kennen, zorgen er vrijwel altijd voor dat de introductieperiode niet overlapt met de eerste colleges. Er is maar één vereniging die wel papa’s en mama’s kent, maar geen rekening houdt met de introductie van de eerstejaars. Maar die overweegt om dat laatste alsnog te gaan doen.

Studievoortgang

Van bestuursleden mag je het goede voorbeeld verwachten. Veel verenigingen (45 procent) stellen daarom studievoortgangseisen aan actieve leden: je mag pas in het bestuur of in een commissie als je een minimaal aantal studiepunten hebt gehaald of je propedeuse op zak hebt. Elders gelden geen welomlijnde regels (“we zijn te klein om er een harde eis van te maken”), maar bij de selectie wordt er meestal toch een beetje op gelet. Er is maar één verenging die de studievoortgang expliciet niet laat meewegen: “Onze leden komen voor de gezelligheid, niet voor de studie.”

Minder vaak gebeurt het dat verenigingen voor big brother spelen en de studievoortgang van niet-actieve leden in de gaten houden. “Wij zijn hun ouders niet”, schrijven ze desgevraagd, of: “We kunnen moeilijk van een paar honderd eerstejaars alle cijferlijsten bijhouden”. Toch denkt bijna een kwart (22,5 procent) daar anders over. Er zijn zelfs verenigingen die de behaalde studiepunten van hun leden toegestuurd krijgen van de universiteit.

Overigens zegt dit laatste percentage niet alles, want er was enige onduidelijkheid over de enquêtevraag naar dit onderwerp. Sommige verenigingen zeggen dat de sociale controle sterk is (wie te vaak laveloos aan de bar hangt, mag even niet meer komen) en antwoorden dan “ja, wij letten op de studievoortgang van onze leden”. Andere zeggen: “Nee, dat doen wij niet, maar er is wel een sterke sociale controle.”

Maar liefst tweederde van de verenigingen organiseert wel eens studiegerelateerde activiteiten, zoals faalangsttrainingen, bedrijvendagen of disciplineoverstijgende colleges. Vooral bedrijvendagen blijken populair.

Daar komt nog bij dat menige vereniging op andere manieren aan de ontwikkeling van haar leden werkt: toneelgezelschappen, bijbelkringen, eten met je studiegenoten, politieke debatten enzovoorts. Eén vereniging meldt dat ze geen feest geeft in de tentamenperiode.

Losers

De Landelijke Kamer van Verenigingen is aangenaam verrast door de uitkomst van de enquête. “Het is heel positief”, zegt vice-preses Belén Bode. “We wisten dat verenigingen er mee bezig waren, maar het is goed om het bevestigd te zien.”

Ze heeft verschillende verklaringen voor de aandacht. Verenigingen willen uiteraard de band met universiteiten niet schaden. Studenten worden bovendien lid om zichzelf op allerlei manieren te ontwikkelen; ze willen niet alleen ervaring opdoen in commissies, maar ook samen studeren. En ze hebben geen zin om als een stelletje losers in een kringetje te zitten: “Het is natuurlijk niet bevorderlijk voor de sfeer op een vereniging als leden hun studie verwaarlozen.”

Stevig studeren is dus goed voor de sfeer. Zo komen de inspanningen, met een U-bocht, toch nog in dienst van de gezelligheid te staan.

Leden van verenigingen studeren iets vaker af

Is het lidmaatschap van een vereniging goed voor de studie? In het artikel Over verenigingslidmaatschap en studiesucces (2006) deed de Leidse onderzoeker Dato de Gruijter een poging erachter te komen. Hij nam de propedeuse- en diplomarendementen van studenten en corrigeerde die voor faculteit en leeftijd. Dat corrigeren was vereist, want studenten rechtsgeleerdheid haalden een stuk minder snel hun diploma dan bijvoorbeeld studenten geneeskunde.

Intussen zijn De Gruijters resultaten enigszins achterhaald door de komst van de bachelor-masterstructuur, maar hij leek te kunnen aantonen dat verenigingsleden het net iets beter deden dan de niet-leden. Alleen kreeg hij geen significant resultaat, dus er kon ook sprake zijn van toeval. Pas als De Gruijter naar de diplomarendementen na zes jaar keek, kwam er een hard resultaat uit: verenigingsleden studeerden vaker af.

Toch zegt het nog niet genoeg, want De Gruijter heeft zijn resultaat niet gecorrigeerd voor vooropleiding. Wie vanuit het hbo naar de universiteit komt, heeft een andere achtergrond dan wie met een vwo-diploma binnenstapt. Leiden weigert om de data beschikbaar te stellen, zodat niet kan worden nagegaan of het resultaat na die correctie nog steeds significant is.

Maar liefst 85 procent van de verenigingen (blauw) zorgt dat de introductieperiode niet overlapt met het onderwijs aan eerstejaars. Van de andere verenigingen (15 procent) overweegt eenderde (5 procent) de planning te herzien.

Van alle verenigingen heeft 55 procent een papa-en-mama-systeem (ook wel patronaat of mentoraat genoemd). 37,5 procent heeft dat niet en 7,5 procent overweegt het in te voeren.

Stelt u eisen aan de studievoortgang van actieve leden? Ja, zegt 45 procent. Nee, zegt 55 procent. Niemand overweegt zijn standpunt te veranderen.

Tweederde (65 procent) van de verenigingen organiseert wel eens iets wat met de studie te maken heeft. Bijvoorbeeld een bedrijvendag of een faalangsttraining. Nog eens vijftien procent denkt erover zoiets te gaan doen.

Interview

Alain Dominique

Je mag gerust zeggen dat ik een gelukkige jeugd in Vlaanderen heb gehad, maar mijn leven heeft wel steeds in het teken gestaan van een zoektocht. Ook tijdens mijn geneeskundestudie bleef toch steeds die verwondering bestaan over de complexiteit van het menselijk lichaam.

Ik was gelovig opgevoed, dat maakt juist dat ik verder op zoek wilde gaan naar wat de eenheid zou kunnen zijn van geloof en wetenschap. Dat resulteerde in een spirituele zoektocht waarbij ik heel wat dingen heb uitgeprobeerd - en neem maar van me aan dat ik toen ook het studentenleven heb gekend. Maar uiteindelijk, na tien jaar, toen ik in Italië als arts werkzaam was, ontmoette ik pater Marie Dominique Philippe. Hij liet alles op zijn plaats vallen. In dat jaar heb ik ervaren dat ik tot het kloosterleven geroepen was. Later heb ik ook de priesterwijding ontvangen.

Al jaren zocht ik naar zingeving. Als mens ben je niet alleen materie; dat mocht ik ook als arts meermaals ervaren. Al die emoties die ik tegenkwam - angst, liefde, vriendschap, zorg - komen toch niet voort uit materie? Dan zou een steen ook kunnen liefhebben. Dus er moet een bron zijn. Toen ik God ging ervaren als die bron en vervolgens leerde om hem te zien als persoon en hem te aanbidden, toen viel de puzzel van mijn leven in elkaar. Dat was een sensatie, die ontdekking; ik heb toen veel geweend. Want er was een Vader, die was er eigenlijk altijd al geweest, alleen had ik hem nog niet ontmoet. Dat inzicht gaf me vrijheid, in mijn hoofd en in mijn hart. Ik kon me bevrijd weten van het materialisme omdat ik een evidentie in mijn leven had ontdekt.

Wat die eenheid van geloof en wetenschap betreft: ik weet wel dat dit thema met name nu weer, vanwege het Darwinjaar, de kop opsteekt als discussie tussen creationisme en evolutionisme, Mijn standpunt daarin is dat voor mij God zich als persoon en gesprekspartner in de bijbel openbaart. Ik zie de bijbel niet als een wetenschappelijke verhandeling maar als een plek van ontmoeting.

Al in de natuur ontmoet ik en bewonder ik een God die mij in de stilte aanspreekt door schoonheid en pracht. In de bijbel ontmoet ik Christus, er staat in beschreven wie God is en wat ik voor hem zou kunnen zijn. Dat lukt niet iedereen. Veel niet-christenen komen niet met de bijbel in aanraking. Maar kunnen ze daarom God niet kennen? De oude Grieken kenden de bijbel niet. Maar was Aristoteles daarom ongelukkig? Aristoteles, ook al was hij geen gelovige, ontdekte het bestaan van God.

Wat ik weet is dat hij studeerde, omdat hij dorst had naar kennis, wilde weten hoe het nu eigenlijk allemaal in elkaar steekt. In die zoektocht kun je heel ‘menselijke’ antwoorden vinden, waarmee je ook gelukkig kunt worden. Maar voor mij voegt het feit dat ik ook ‘christelijke’ antwoorden vind geweldig veel extra’s toe. Ik ervaar een persoonlijke liefde van Christus en denk: voor die ‘baas’ wil ik werken. Dat vind ik belangrijker dan me blind te staren op het instituut kerk.

De hiërarchie in de kerk heeft geen prioriteit, maar is een raamwerk ten dienste van de gemeenschap. Wat ons binnen die kerk bindt, is het gezamenlijk geloven en werken voor God. De kerk is de plek waar ik het woord van God mag horen en met hem in contact kan treden, vooral ook via de eucharistie. Dat gemeenschappelijke maakt dat ik me bij die kerk thuis voel en ook kan groeien in de wijsheid die mij wordt aangeboden.

Omdat de paus het gebruik van voorbehoedsmiddelen afkeurt, kun je de paus nog niet verwijten dat hij aids in Afrika laat gebeuren; dat is een kromme redenering. Aids ontstaat als mensen een dwaze opvatting hebben van ‘houden van’. Je kunt je afvragen of dat in Afrika komt door de plaatselijke culturele tradities of door de verwoesting daarvan door opgelegde, westerse hedonistische waarden. Houden van kan op vele manieren: door even een fijne tijd samen in bed te hebben, of door te zoeken naar diepe, goede vriendschap. Ik ben het ermee eens dat de kerk voorhuwelijkse seks afraadt. Ik ben veel gebroken mensen tegengekomen die hadden te lijden onder een gebrek aan trouwe liefde, gebroken omdat ze van ervaring naar ervaring hobbelden, door gemis aan respect. De kerk is absoluut niet tegen seksualiteit, ze erkent integendeel juist de grootsheid ervan. De paus is met zijn HIV-standpunt niet alleen een politiek man die zou durven te beweren hoe de wereld in elkaar zit — want dat zou op hoogmoed lijken. Hij is vooral ook een persoon die zich door God wil laten raken. Dat is het belangrijkste, en daarin is de paus een voorbeeld voor mij.

Voor de katholieke visie en geloofspraktijk was te weinig plaats bij de EUG, de oecumenische studentenparochie waaruit het aartsbisdom zich, terecht vind ik, heeft teruggetrokken. Niet omdat we tegen samenwerking met de protestanten zijn; integendeel, ik heb al veel goede contacten gelegd met gelovige protestanten. Binnenkort heb ik ook afspraken met mensen van de EUG om samen te bezien waar we elkaar kunnen vinden. Wat wij willen is: eerst heel duidelijk voor ogen hebben wat ons eigen geloof behelst, daarin sterk staan, en dan de dialoog aangaan met andere geloven. Zo is het in alle relaties: hoe beter je in je eigen vel zit, hoe krachtiger je relatie.

Dat is dan ook de inzet van ons studentenpastoraat. Eerst ons katholieke geloof ontdekken, onze eigenheid: de eucharistie, de bemiddeling door de priester, de vergeving van zonden, de plek van Maria, de overige sacramenten. Daarover willen we met studenten praten: in deze tijd van het jaar bijvoorbeeld zoeken we naar wat vasten is, wat we met goede vrijdag gedenken, wat een kruisweg is. Natuurlijk vieren we missen voor en met ze, maar we willen ook graag de studenten ontmoeten in hun verenigingen, studentenhuizen en kroegen, bezien of we kleine disputen in De Uithof of in de binnenstad kunnen organiseren enzovoort. En natuurlijk willen we graag een potje met ze voetballen of wie weet een Alp met ze beklimmen.

CV

Pater Alain-Dominique (47) is geboren in Zulte bij Gent. Hij studeerde Geneeskunde in Namen en Leuve. Hij maakte een rondgang langs new age, yoga, antroposofie en filosofie. Was als arts werkzaam in Italië en koos voor een leven als kloosterling na de ontmoeting met de stichter van de Orde van St. Jan.

De oudste student van Nederland

Niets koffie leuten in een verzorgingstehuis met bejaarden. Miep Schilt zit liever één keer in de week in de schoolbanken. Samen met andere senioren volgt ze cursussen aan onderwijsinstelling HOVO Utrecht, een samenwerkingsverband tussen onder meer de UU en de HU. Op het moment volgt ze een cursus over de Duitse auteur Heinrich Heine. Haar docent is gastonderzoeker nieuwe Duitse letterkunde Klaus F. Gille. “Een leuke man”, volgens Miep Schilt. “O god, wat een mooie vent. Hij is enthousiast en heel slim. Slimmer dan ik hoor”, voegt ze er lachend aan toe.

Dat ze, zonder tegenbericht, de oudste student van Nederland is, doet haar niet veel. Haar nuchtere commentaar luidt: “Het zal wel. Wat kan mij het schelen.”

In haar appartementje in het centrum van Maarssen vertelt ze over haar onderwijsverleden. En over haar reizen. Dat allemaal in het bijzijn van een van haar vele kennissen die geregeld bij haar over de vloer komt. “Hij is een broekie hoor”, weet ze over haar visite te melden. De man tegenover haar is 73 jaar oud.

Schilt weet niet beter dan dat ze met jongere mensen omgaat. “Begin jaren 50, toen ik een jaar of 43 was, ben ik de avond-Mulo gaan doen. Ik zat met allemaal achttienjarigen in de klas.” Het doorlopen van het middelbaar onderwijs op die leeftijd was zeker in die tijd een zeldzaamheid. “Ik was een uitzondering. Maar ik wilde het per se doen: mijn oudste zoon deed destijds eindexamen op het gymnasium. Ik voelde me zo stom. Ik dacht; ik ga eens kijken of ik wat kan.” Op de vraag of ze daarvoor geen middelbaar onderwijs had genoten, antwoordt ze: “Jawel, tot mijn 15de of 16de heb ik op een Christelijke HBS in Amsterdam gezeten. Toen hebben ze me er vanaf gedonderd. Ik had geen zin in ‘der, des, dem en den’.”

Ook vakken als wiskunde en aardrijkskunde konden haar weinig bekoren. Die sloeg ze op de avond-mulo bij voorkeur over. Of ze verstoorde de lessen. “Ik had een slechte leraar Duits, ik verveelde me geregeld. Ging ik de Groene Amsterdammer lezen tijdens de les en er met mijn klasgenoten over zitten praten. Ik weet nog dat die leraar Duits eens zei: ‘Als een bepaald iemand een bepaalde leeftijd zou hebben, zou ik haar uit de klas verwijderen.’ Dat was natuurlijk voor mij bedoeld.” Toch legde ze met succes het examen af.

Eén van haar favoriete talen is Frans. “Om die taal goed te leren, ben ik op mijn zestigste naar Frankrijk vertrokken.” In beginsel zou ze daar vrijwilligerswerk doen, maar dat liep anders. “Het was daar zo’n vuile bende dat ik maar ben vertrokken. Toen ben ik druiven gaan plukken in Bergerac. Keihard werken, van zeven uur ’s ochtends tot zeven uur ’s avonds. Ik hoopte dat het goed voor mijn Frans zou zijn, maar er werkten alleen maar Spanjaarden! Ik heb wel gelachen met die lui.”

Na maandenlang druivenplukken is Schilt in één dag met haar brommer, die ze in Frankrijk had gekocht, naar Montpellier getuft. Daar heeft ze maandenlang cursussen Franse taalvaardigheid gevolgd. Het land beviel haar zo goed dat ze jaren in rankrijk is blijven hangen. “In een heel oud plaatsje heb ik een huis gekocht.” Het huis lag nogal afgelegen en de dichtstbijzijnde stad was 20 kilometer brommeren door een heuvelachtig gebied. Ze wilde haar rijbewijs gaan halen.

“Ik vond het ook wat te koud, de hele tijd met de brommer op en neer. Op mijn zeventigste haalde ik mijn rijbewijs. Ik heb toen meteen een auto gekocht, een Renault.” Met enige trots vertelt ze dat ze op haar tachtigste, toen ze net teruggekeerd was naar Nederland, haar laatste “autostunt” uithaalde. “Ik wilde Spaanse cursussen volgen, dus ben ik in mijn eentje naar Salamanca gereden. Daar heb ik vier of vijf maanden gezeten.”

Nu, op haar 98ste doet ze het iets rustiger aan. Althans, met reizen. Voor een stevige wandeling is ze nog altijd in. Ook gaat ze zo nu en dan voor ‘Landschap Erfgoed Utrecht’ wilgen knotten. Haar honger naar kennis duurt eveneens onverminderd voort. Al jaren volgt ze cursussen bij HOVO. Heeft de tijd dan totaal geen grip op deze vrouw? “Nou, ik ben wel ontzettend doof. Maar ik heb een apparaatje, een versterkertje. Die hang ik de docenten van de cursus om de nek, zodat ik hen toch nog kan verstaan.”

Ogen dicht en voeten op de bank

De bankjes op het perron van Amsterdam Centraal zijn allemaal bezet, de meesten liggen meer dan ze zitten en hier en daar staat een stelletje te zoenen. Nog een blikje bier drinkend en een sigaretje rokend, staan de luidruchtig pratende studenten op het perron.

“Kom doe ook mee”, roepen twee studentes, “We doen een spel!” Ze staan op de roltrappen met hun tenen over de rand. “Je moet blijven staan tot het einde”, giechelt Maj (21), “en dan niet vallen.” Zo gaan ze de roltrappen op en af. “Je moet toch wat doen als je op de trein staat te wachten”, lacht Caren (21). De Utrechtse studentes gaan wel vaker uit in Amsterdam. Caren: “We gingen kijken bij een bandje hier in Amsterdam, maar het was niet echt leuk. Dus nu gaan we maar op tijd naar huis.” “Het is leuk om af en toe naar Amsterdam te gaan om te stappen, dat is weer eens wat anders. Trouwens, je bent er zo, het is maar een half uurtje met de trein, dus daar hoef je het niet voor te laten. Maar je moet natuurlijk wel goed plannen. Als je er een mist, sta je een uur op het station. Dat is wel vervelend,” zegt Maj.

De nachttrein. James Brown zong er in 1962 al over. 'Oh, yeah, night train, night train, night train, night train, carry me home...' Sinds 1986 rijden er tussen Amsterdam Centraal en Utrecht Centraal nachttreinen. De nachttrein van Amsterdam naar Utrecht gaat elk uur om zeventien over het heel, de hele nacht door, zeven dagen per week. Het zijn twee van de tien stations die behoren tot het nachtnet van de NS. Op donderdag-, vrijdag- en zaterdagnacht rijden er ook treinen die Rotterdam, Utrecht en een aantal steden in Brabant met elkaar verbinden. Het nachtnet is een succes, er rijden minder mensen met alcohol op de weg. Kamerlid Emile Roemer van de SP pleit er zelfs voor het nachtnet uit te breiden naar oost-Nederland en de Brabantse nachttreinen moeten volgens hem elke dag gaan rijden.

Vannacht is de achterste coupé van de dubbeldekker helemaal leeg. Bij binnenkomst is al gauw duidelijk waarom. Een zurige lucht komt je tegemoet en in het midden tussen de stoelen ligt een gigantische plas kots. In de verte is nog de geur van bier te herkennen. Dit is de maaginhoud van minstens een hele dag, geen wonder dat hier verder niemand zit.

In het onderste gedeelte van de coupé zitten Maj en Caren. Caren heeft haar schoenen uit getrokken en zit met blote voeten op de bank. “Kijk”, lacht Maj, “Moet je zien wat een blaren zij heeft.” Caren laat haar hiel zien en daar prijkt inderdaad een grote blaar. “Tsja, die schoenen he? Ik ben blij dat ik nu even zit, dat is toch wel een voordeel van met de trein naar huis gaan, hoewel ik die schoenen straks weer aan moet natuurlijk”, verzucht Caren.

Maj en Caren zijn niet de enigen die met hun voeten op de bank zitten. Waar op het station nog gelachen en gepraat werd, gebruiken de meeste studenten de trein op de terugreis naar Utrecht om te slapen. Bijna alle passagiers zitten met hun ogen dicht. Sommigen liggen tegen elkaar aan of in elkaars armen. Hier en daar liggen mensen languit over twee stoelen en met hun voeten op nog een ander bankje. Het is vooral stil in de coupés. Een jongen ligt luid snurkend te slapen en zijn vrienden zitten er grinnikend naar te kijken. Degenen die niet slapen, hangen onderuit gezakt en staren wat uit het raam, waar in de donkere nacht niet veel meer te zien is dan wat voorbij schietende lichtjes.

Halverwege het treinstel staat een zwarte koffer open, zonder eigenaar. Een BH, een stropdas, een dienblad en een blik bier. Is het een overblijfsel van een carnavals outfit? Een reiziger vanaf Schiphol die zijn koffer heeft laten staan? Of zou de eigenaar op het toilet in slaap gevallen zijn. Maar er is niemand in de buurt en geen conducteur te bekennen. Er wordt tijdens deze rit überhaupt niet gecontroleerd op vervoersbewijzen. Om het station in te komen word wel om een vervoersbewijs gevraagd en in trein is de conducteur wel aanwezig maar vannacht wordt er niet gecontroleerd.

Pepijn en Mustafa komen van een feestje in Den Haag. Ze zitten op het balkon, het gedeelte tussen twee coupés in. Ze bespreken de gebeurtenissen van de afgelopen avond. “Ja het was een mooi feestje”, vertelt Pepijn, “we gingen voor een schoolproject over multiculturalisme, maar we hebben inmiddels ook de nodige biertjes gedronken, dus het is maar goed dat we met de trein zijn.” Ze zijn één van de weinige aanspreekbare studenten, de meesten slapen. De andere passagiers die wakker in de trein zitten, komen waarschijnlijk van Schiphol te beoordelen aan de hoeveelheid koffers die ze bij zich hebben.

De twintigjarige Jone zit wat voor zich uit te staren. “Ik zit vaak in de nachttrein, maar er gebeurt eigenlijk nooit zoveel. Op de heenreis is het vaak wel gezellig, maar de terugweg is meestal rustig. Je bent moe van een avond stappen en als je dan eenmaal in de trein zit, is er niet zo veel meer te beleven. Met oud en nieuw was het wel heel gezellig. Toen hing er echt een feeststemming. Het zou leuk zijn als dat vaker zo was, dan feest je gewoon door in de trein!”

De voorste coupés zitten helemaal vol, alle stoelen zijn bezet. Maar ook hier is het stil. Een groepje meisjes zit te giechelen omdat de bril van de jongen naast hun op zijn hoofd zit en hij met open mond ligt te slapen. Twee meisjes hebben een discussie over het toilet. Ze moeten nodig naar de wc, maar omdat de wc's altijd zo vies zijn, besluiten ze het toch nog maar even op te houden. Vlak voor Utrecht CS gaat é´n van hen toch maar. “Ik moet zo nodig!” roept ze halfrennend op weg naar de wc. “Ik weet dat we er bijna zijn, maar ik moet écht heel nodig!”

Als de trein om iets voor vieren in de Domstad stopt, wordt de snurkende jongen door zijn vrienden met een flinke duw wakker gemaakt. “Hé joh, wakker worden! We zijn er, we moeten eruit!” De jongen schrikt wakker en heeft geen idee waar hij is. Verbaasd kijkt hij om zich heen. “Nou kom lamzak, we moeten uitstappen nu!”

Maj en Caren zwaaien nog even vrolijk als ze de trein uitstappen, in tegenstelling tot de rest. Die stappen uit alsof ze vanuit het niets op het station zijn neergezet. Er wordt niet veel gezegd. Iedereen lijkt zo snel mogelijk zijn bed te willen opzoeken, het perron is binnen een mum van tijd verlaten.

‘De gewone student staat nu op de agenda’

Films van twee Utrechtse studenten dragen bij aan aantrekkelijker onderwijs

Veel studenten zijn niet gemotiveerd en dat ligt vaak aan de manier waarop het onderwijs wordt gegeven. Dit concludeerden de studenten Liberal Arts & Sciences Tim Woensdregt en Ruben van Hoof na een tijdje in Utrecht te hebben rondgelopen. De twee studenten maakten daarom anderhalf jaar geleden een film over de weinig uitdagende sfeer op universiteiten en de grote kloof tussen studenten en docenten. En ze publiceerden een essay in het Ublad. Nu is er een tweede film en zien de twee studenten verbetering.

“Kennisoverdracht is meer dan luisteren en verteld krijgen”, lieten ze hogeronderwijsbobo Frans van Vught in hun eerste film ‘Studeren voor Liefhebbers I’ zeggen in 2007. Van Vught verwoordde daarmee een hartenkreet van Tim Woensdregt en Ruben van Hoof. Het debat in het hoger onderwijs stond op dat moment geheel in het teken van de door premier Balkenende aangezwengelde discussie over de ‘zesjescultuur’. Studenten zijn gemakzuchtig, zo was het idee; ze nemen te snel genoegen met een zes terwijl ze met wat werk veel hogere cijfers kunnen halen waarmee ze zich zouden kunnen onderscheiden. Volgens de twee studenten was echter niet het ontbreken van hoge cijfers het probleem, maar de afwezigheid van passie. “Voor veel studenten is de angst om geen diploma te halen de enige drijfveer”, stelden ze in het Ublad vast.

Als belangrijkste oorzaken noemden de twee de massaliteit van colleges en een onderwijsaanbod dat het heilige vuur bij de studenten maar niet wil ontsteken. In hun kritische film en in het Ublad-essay, getiteld Echte studenten studeren niet, wezen Tim en Ruben erop dat universiteiten onvoldoende gebruik maken van kleinschalig, inspirerend, en praktijkgerelateerd onderwijs om studenten de werkelijke betekenis van de theorie duidelijk te maken. En die onderwijsvormen zijn nu juist bij uitstek geschikt om doorsnee studenten enthousiast te maken voor hun eigen opleiding, menen de twee.

Zowel de film als het essay gaf aanleiding tot enige kritiek. Een zo’n veelomvattend en complex onderwerp aan de orde stellen in een film van tien minuten, was volgens sommigen wel erg ambitieus. En in het Ublad vonden docenten dat ze de bal wel erg veel kregen toegespeeld in het essay. ‘Hoe zit het met de eigen verantwoordelijkheid van studenten’, vroegen ze zich af. “Jammer dat het toen even een wij-zij discussie werd”, stelt Tim. “Wij hebben nooit gezegd dat docenten schuldig zijn. De universiteit als geheel doet te weinig om studenten te laten zien dat studeren meer is dan het afvinken van taken en opdrachten.”

Het merendeel van de reacties op de film en het essay was echter positief, stellen de twee. “De meeste mensen vonden het goed dat dit probleem eens aan de orde werd gesteld.” Ook de vereniging van universiteiten VSNU was een dergelijke mening toegedaan na de vertoning van ‘Studeren voor Liefhebbers I’ tijdens bijeenkomsten van beleidsmakers in het hoger onderwijs. Tim en Ruben werd gevraagd in een nieuwe film te laten zien hoe ze het dan wél zouden willen. Tim: “Dat was natuurlijk een prachtig aanbod. We kregen er nog voor betaald ook.”

De sequel

‘Studeren voor Liefhebbers II’ biedt een veel optimistischer beeld dan de kritische voorganger. Na de analyse van het probleem in de eerste film, komen Tim en Ruben nu met oplossingen. Er worden tips gegeven hoe het onderwijs aantrekkelijker gemaakt kan worden voor een grotere groep studenten en een groot deel van de film besteedt aandacht aan een project dat volgens Tim en Ruben laat zien ‘hoe het ook kan’.

Daarbij gaat het om het vak Poldox van de Universiteit van Amsterdam waarin Amsterdamse studenten Sociale Wetenschappen de theorie die ze aangereikt krijgen verwerken in een audiovisuele documentaire. Ruben: “Dat vinden wij een heel mooi initiatief. Studenten worden uitgedaagd om samen met docenten actief iets te doen met hun kennis. En het resultaat, de documentaires, worden later weer naast de theorie gelegd. Volgens ons is dat de beste manier om iets te leren.”

Hoewel Tim en Ruben nog steeds van veel studenten horen dat er in hun opleidingen weinig inspirerend onderwijs zit, is het duo veel positiever gestemd dan een jaar geleden. Vooral de VSNU-bijeenkomsten over bachelorrendementen waarbij hun tweede film werd vertoond, hebben volgens hen bewezen dat er verbetering mogelijk is. Tim: “Daar merkten we dat heel veel mensen in het onderwijs het met ons eens zijn. De vraag is niet meer óf er een probleem is. We zijn een stadium verder en kunnen kijken naar de mogelijkheden. Natuurlijk gaat veel aandacht naar de excellente studenten en naar de uitvallers, maar ook de gewone student staat nu op de agenda. En daar was het ons om te doen.”

Ingekapseld

Op de suggestie dat de twee misschien iets te goedgelovig zijn nu in universitaire kringen beloften worden gedaan en dat ze door het maken van opdrachtfilms zijn ingekapseld in de ambtelijke wereld, zegt Ruben resoluut: “Nee, we zijn er echt van overtuigd dat iedereen ervan is doordrongen dat er een noodzaak is om iets te ondernemen.”

Tim noemt enkele voorbeelden van onderwijsvernieuwingen die de afgelopen tijd van de grond zijn gekomen. “In Maastricht zetten Psychologiestudenten zelf een cursus op rond een thema dat zij interessant vinden en in Nijmegen krijgen eerstejaars studenten van meerdere opleidingen een lintmodule algemene vaardigheden waarin ze kennismaken met de wetenschappelijke praktijk en de staf. Daarbij hebben ze een vaste begeleider die hen aanspreekt op hun werk. Dat blijkt heel goed te werken. Studenten zijn daar erg betrokken.”

Er zijn dus initiatieven om het inspirerende onderwijs dat Tim en Ruben nastreven van de grond te krijgen. De universitaire bestuurders zijn ook van goede wil, volgens het tweetal. “Bij de VSNU-bijeenkomsten hebben verschillende aanwezigen gezegd graag zoiets als Poldox te willen introduceren.”

Maar de twee willen meer. “Het stimuleren van studenten moet niet blijven steken in af en toe ad hoc wat beleid maken of projectjes opzetten. Er moet echt op worden gestuurd. Maar dat vergt nog wel wat. Eén van de grote vragen voor universiteiten in deze moeilijke tijden is: hoe kunnen docenten worden gestimuleerd om in hun overvolle agenda’s tijd vrij te maken voor interactie met studenten?”

De films van Ruben en Tim zijn te zien via:

http://www.youtube.com/watch?v=Qektp_814bc

Outline Filmproducties

Tim Woensdregt (21) volgde eerder de Vrije School in Groningen, en is nu derdejaars student Liberal Arts & Sciences (LAS) en tweedejaars Psychologie. Ruben van Hoof (21) zat op het Lindenholt College in Nijmegen. Na een jaar Psychologie in Nijmegen, begon hij aan een studie LAS in Utrecht. Zijn hoofdrichtingen zijn Theater- , Film- en Televisiewetenschap en Filosofie.

De twee leerden elkaar kennen in hun eerste jaar in Utrecht. Ze maakten samen de films ‘Studeren voor liefhebbers I en II’. Tim en Ruben runnen nu Outline Filmproducties, waarmee ze een kritische blik willen geven op maatschappelijke problemen. Het hoger onderwijs heeft vooralsnog hun grootste aandacht.

Vier Utrechtse voorbeelden van inspirerend onderwijs volgens Tim en Ruben:

*Bij Informatiekunde gebruiken ze een management-game, waarin teams een echt bedrijf nabootsen en met elkaar concurreren. Laatst waren alle teams bierbrouwers. De studenten waren zo enthousiast dat ze met biertjes met hun logo rondliepen.

*Ook leuk bij Informatiekunde is Human Computer-Interaction, waarbij je niet alleen leert hoe je een goede website ontwerpt, maar ook daadwerkelijk als team een ontwerp maakt voor een site en deze test op gebruikers.

*Bij Onderwijskunde geven ze knalgoede hoorcolleges over onderwijspsychologie met veel interactie, vragen aan de zaal, testjes, filmpjes en plaatjes. Bovendien bedenken studenten zelf een lesmethode die ze testen op een basisschool.

*Bij het vak ‘Globalisering’ van Liberal Arts & Sciences maken studenten vanuit verschillende disciplines een tijdschrift over een thema dat te maken heeft met globalisering."

Graven in het verleden om het heden te snappen

Waarom de kredietmarkt in Amsterdam ontstond

We schrijven 1590. De oorlog tegen Spanje kost de Republiek handenvol geld, en bij de zoektocht naar financiën kijkt men al snel naar Amsterdam. Dat is niet voor niets, want vooral na de val van Antwerpen in 1585 ontwikkelt de stad aan de Amstel zich in hoog tempo tot hét centrum van de Europese handel. Tal van kooplieden worden binnen een mum van tijd zo puisant rijk dat ze op zoek gaan naar een stabiele investering voor hun vermogen.

Nu heeft Holland al tijden een goed functionerend belastingstelsel. Dat levert weliswaar niet voldoende geld op voor de betaling van de soldij, maar het maakt het de Staten wel mogelijk om een geheel nieuwe financiële constructie te introduceren. Om de oorlog te financieren besluit men staatsobligaties uit te geven en de rente te betalen uit de belastingopbrengsten. Aanvankelijk worden de Amsterdamse kooplieden gedwongen om die obligaties aan te schaffen, maar al na een paar jaar vliegen ze de deur uit. Na korte tijd gelden ze zelfs als zo betrouwbaar dat ze verhandelbaar worden. Er ontstaat in Amsterdam een markt voor waardepapieren, een financiële markt.

“Wat ons boeit”, vertellen de Utrechtse historici Oscar Gelderblom en Joost Jonker in de koffiecorner van het Amsterdamse gemeentearchief, “is de vraag waarom juist Amsterdam de geboorteplaats is geworden van het huidige kredietsysteem. Op zich was krediet verlenen namelijk niets nieuws. In Venetië en Genua was al rond 1100 sprake van een enorme variëteit aan financiële instrumenten; en zelfs het oude Babylon kende krediettransacties. Kennelijk is het trucje, een lening tegen rente, een participatie tegen een aandeel in de winst, niet zo moeilijk. Maar waarom gebeurde het dan zo weinig? Zelfs in Europa bestonden tot rond 1800 maar een paar serieus te nemen financiële markten. Kwam dat omdat op veel plekken bijna niemand voldoende kapitaal beschikbaar had? Zat de samenleving op veel plaatsen zo hiërarchisch in elkaar dat een adellijke elite het systeem domineerde en geen ruimte aan rijke kooplieden bood om macht in de vorm van aandelen te verwerven? Of was de informatie zo onvolledig dat alleen wie in de directe omgeving van een financiële markt woonde, er toegang toe had? Wat wij proberen te snappen is: waarom dat systeem dat al lang bekend was, juist in Amsterdam zo’n vlucht heeft genomen? En hoe zijn mensen er steeds beter in geslaagd om het te regelen?”

Saai onderzoek

Om meer zicht te krijgen op de ontwikkeling hebben Gelderblom en Jonker gekozen voor een ambachtelijke aanpak. “We zijn bezig met het maken van een zo volledig mogelijk overzicht van rentestanden en krediettransacties in acht steden in Nederland en België tussen 1500 en 1800. Zo hopen we een beter beeld te krijgen van de manier waarop de kredietmarkten in die steden zich hebben ontwikkeld. Het aardige is dat de Nederlanden in die periode een groot aantal verschillende economische en politieke organisatievormen bood. In het noorden had je de Republiek, terwijl het zuiden onderdeel was van het Oostenrijkse keizerrijk. In het westen leefde men van de handel, terwijl in het oosten de traditionele landbouw domineerde. Het is aannemelijk dat deze politieke en culturele verschillen grote invloed hebben gehad op de ontwikkeling van het kredietwezen en wij hopen op basis van onze data een model te kunnen ontwerpen, dat laat zien welke factoren de evolutie van een vroegmoderne geldmarkt beheersen. Dat is heel tijdrovend en in de visie van sommige historici ook heel saai onderzoek, want je hebt heel veel data nodig om de ontwikkeling te kunnen duiden.”

Hun werk is voor een belangrijk deel noest handwerk, zeggen Gelderblom en Jonker, die worden bijgestaan door drie post-docs en acht studentassistenten. Dankzij deze forse hoeveelheid menskracht die betaald wordt met zes ton van NWO (een Vidi voor Gelderblom) en een even grote subsidie van de European Science Foundation, hopen zij nu voor het eerst een integraal beeld van de financiële geschiedenis van de Nederlanden te kunnen geven. “Dat dat nooit eerder is gebeurd, komt omdat dit onderzoek enorm arbeidsintensief is. In het samenstellen van één reeks van effectenprijzen zit al snel een half jaar werk, dag in dag uit van negen tot vijf gegevens inkloppen, en dan heb je de data nog niet bewerkt en geanalyseerd. Het doorwerken van notarisgegevens is per stad ook gauw zes tot negen mensmaanden werk. Ons boek moet in 2012 klaar zijn. Zonder dergelijke forse subsidies was dat absoluut onhaalbaar geweest.”

Daar komt bij dat er van de onderzoekers veel creativiteit wordt gevraagd, want de gegevens die zij zoeken staan zelden netjes bij elkaar. “Dit archief bezit bijvoorbeeld een uitgebreide achttiende-eeuwse prijscourant met alle verhandelbare goederen in Amsterdam inclusief hun prijs. Helaas bleken daar echter geen effectenprijzen en prijzen van overheidsobligaties in te staan. Dat was een tegenvaller, maar even later wees onze collega Peter Koudijs ons op een bestand van veilingen. Toen we besloten dat te bekijken, zagen we dat ook effecten in de achttiende eeuw regelmatig geveild werden. Die prijzen zijn we gaan verzamelen en zo hebben we nu een bestand van zo’n 40.000 prijzen van alle effecten die in de achttiende eeuw in Amsterdam zijn verkocht. Dat is echt een vondst, want niemand wist dat die gegevens er waren.”

Microkredieten

Hoewel het de Utrechtse historici er in eerste instantie om gaat ontwikkelingen uit het verleden inzichtelijk te maken, denken zij dat hun onderzoek ook voor het hier en nu bruikbare informatie kan opleveren. “Neem de ontwikkelingslanden. Die hebben in een aantal opzichten precies dezelfde problemen als de landen van pre-industrieel Europa hadden: er is op een aantal plaatsen veel geld beschikbaar, maar mensen met goede ideeën hebben er vaak geen toegang toe. Dat zie je in de zeventiende eeuw ook in grote delen van Europa, maar niet in Amsterdam, waar toen een op de acht inwoners zijn brood als zelfstandige ondernemer verdiende. Die mensen konden dus wél voldoende kapitaal krijgen. Kwam dat nou omdat er sprake was van een zo informeel georganiseerde economie, dat men elkaar kende en dus gemakkelijk geld leende? Of was de kapitaalmarkt zo goed ontwikkeld dat het ook voor kleine ondernemers mogelijk was om geld van betrekkelijk vreemden te lenen? Als wij kunnen laten zien welke factoren het zeventiende-eeuwse Amsterdam tot zo’n uitzondering maakten, kan dat heel informatief zijn voor ontwikkelingseconomen die het gebruik van microkredieten in de derde wereld willen bevorderen.”

De financiële crisis van 1720 en de Utrechtse bijdrage

Wie denkt dat financiële crises van recente datum zijn, vergist zich. Ook in 1720 zag Europa op een oververhitte financiële markt een zeepbel uit elkaar spatten.

De basis voor die crisis werd gelegd in de Aula van ons eigen Academiegebouw, waar de Europese mogendheden in 1713 de Vrede van Utrecht sloten. Daarmee kwam een einde aan de Spaanse Successieoorlog, die de diverse schatkisten handenvol geld had gekost. Een brandende vraag voor veel Europese regeringen was nu hoe de schulden af te betalen. In de Nederlanden kon de regering obligaties uitgeven, want het publiek had voldoende vertrouwen in de overheid om die waardepapieren als een aantrekkelijke belegging te beschouwen. Maar in Engeland en Frankrijk ontbrak dat vertrouwen. Daarom kozen beide regeringen voor een truc, de zogeheten ‘debt for equity swap’. Ze richtten ondernemingen op voor de overzeese handel, die in ruil voor een monopolie verplicht werden om de staatsschuld over te nemen. De gedachte was dat de ‘South Sea Company’ en de ‘Compagnie des Indes’ dat moeiteloos konden financieren door aandelen uit te geven. Op die manier zouden het uiteindelijk toch ook hier de beleggers zijn die, zij het via een omweg, de staatsschuld overnamen.

Aanvankelijk leek er sprake te zijn van een goede deal. Hoewel kenners zich afvroegen of de twee ondernemingen wel levensvatbaar waren, zorgden de optimistische winstverwachtingen voor een zodanige run op de aandelen dat de prijzen ongekende hoogten bereikten, ook al was er nog geen schip uitgevaren. Er ontstond een enorme zeepbel. De stemming op de financiële markten in die tijd was goed vergelijkbaar met de hosannasfeer op de beurzen ten tijde van de dotcom hype van de jaren negentig. En ook de afloop was identiek, want begin 1720 sloeg de stemming om. Konden de twee ondernemingen de hoge verwachtingen wel waar maken? Nee, dat konden ze niet, zo bleek al snel. Van het ene op het andere moment begonnen de aandelenkoersen te kelderen. In Parijs stortte de zaak al in mei in elkaar, in Londen in september. Men kon de aandelen aan de straatstenen niet meer kwijt en tal van beleggers gingen failliet. Geen van beide ondernemingen had ook maar één schip de zee op gestuurd.

De schuld van ’t kapitaal?

Aansluitend aan hun onderzoek verzorgen Joost Jonker en Oscar Gelderblom in het vierde semester een cursus over oorsprong en ontwikkeling van moderne financiële markten. Centraal staat de vraag hoe geld, krediet, banken en beurzen ontstonden, waarom ze zo crisisgevoelig zijn, waarom ze zich in sommige landen sneller ontwikkelden dan in andere en hoe ze bijdragen aan de kloof tussen arm en rijk.